De jacht op buitenlands vermogen 2.0: het vestigingsplaatsonderzoek

Inleiding

Wie kent ze niet, de verhalen over de in Nederland gevestigde brievenbusmaatschappijen waar naar verluidt jaarlijks miljoenen euro’s doorheen worden gesluisd. Minder bekend is het fenomeen van ‘offshoring’, waar het sinds het lekken van documenten uit de Panama Papers en Paradise Papers in toenemende mate aandacht aan wordt besteed. In een offshore-structuur worden vermogensbestanddelen van in Nederland belastingplichtige personen of vennootschappen ondergebracht in een buitenlandse vennootschap in een gunstig fiscaal klimaat. Door een ander, een persoon of lichaam, bestuurder te maken van die vennootschap wordt getracht het vermogen af te schermen van de werkelijke gerechtigden tot het vermogen, met als doel: geen belasting betalen over dat vermogen in Nederland.

Let op! De mogelijke implicaties van het verhullen van vermogen middels een fiscale structuur zijn groot: bestuurlijke beboeting of zelfs strafrechtelijke vervolging.

Intensivering aanpak verhuld vermogen

Onlangs werd bekendgemaakt dat de fiscus sinds de oprichting van het team dat is belast met de opsporing van ‘verhuld vermogen’ in 2001 een bedrag van € 4 miljard (!) aan niet-betaalde belasting heeft weten te innen. Eerder schreef de staatssecretaris in zijn brief aan de Tweede Kamer dat, ondanks de behaalde successen, blijkt dat het aanpakken en bestrijden van verhuld vermogen complexer wordt. Met ingang van 2019 zal het kabinet in de komende drie jaar in totaal € 17 miljoen euro investeren om de strijd tegen verhuld vermogen aan te gaan. Met deze investering zal de Belastingdienst zich onder andere gaan richten op ingewikkelde structuren waarbij de vestigingsplaats van vennootschappen wordt verhuld:[1]

“Het doel is dan ook om diegene die vermogen in echt ingewikkelde constructies verborgen houdt, niet alleen in woord, maar ook in daad tijdig, gepast, waar mogelijk preventief en indien noodzakelijk strafrechtelijk aan te pakken.”

Het is inmiddels duidelijk dat het huidige kabinet de ambitie heeft om belastingontduiking en belastingontwijking hard aan te pakken. Eerder hebben wij geschreven over de perikelen die spelen bij woonplaatsonderzoeken. Tussen beide kan de volgende overeenkomst worden gezien: de onderzoeken strekken tot het vaststellen of de juridische vormgeving (hetgeen op papier staat) overeenkomt met de materiële (feitelijke) werkelijkheid.

Papieren of materiële werkelijkheid (?)

Bij vestigingsplaatsonderzoeken gaat het om de vraag of de buitenlandse vennootschap al dan niet moet worden geacht fiscaal in Nederland te zijn gevestigd en het vermogen van een in Nederland wonend persoon (al dan niet door het tussenschuiven van een andere vennootschap) ‘op papier’, dat wil zeggen door middel van een fiscale constructie, buiten het zicht van de fiscus wordt gehouden en eigenlijk in Nederland zou moeten worden belast. Het probleem voor de fiscus bij dergelijke onderzoeken is dat de fiscale structuur doorgaans wordt opgezet door professionele ‘facilitators’: belastingadviseurs. Zij worden gezien als de architecten van de bouwtekening van de fiscale constructie. Met hun diepgaande kennis van het fiscale recht blijven zij (doorgaans) binnen de kaders van de wet, waardoor bestrijding van dergelijke constructies moeilijk is aan te pakken. Ontwijking van belasting is binnen die wettelijke grenzen immers ook toegestaan. De investering van € 17 miljoen zal blijkens de brief daarom mede worden aangewend om een permanent team te vormen dat zich toewijdt aan de opsporing van verhuld vermogen.

Juridisch kader beoordeling vestigingsplaats

De beoordeling van waar een lichaam is gevestigd vindt op grond van artikel 4 AWR plaats ‘naar de omstandigheden’. Deze open norm wordt nader ingevuld in de jurisprudentie. In dat kader heeft de Hoge Raad reeds in 1992 een belangrijk arrest gewezen:[2]

“Bij de beoordeling van de omstandigheden van de vestigingsplaats van een lichaam moet in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn feitelijke taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent.”

De bewoording van de Hoge Raad is duidelijk: daar waar degene die de vennootschap werkelijk bestuurt woont of is gevestigd, is de plaats waar de vennootschap haar zetel heeft. De fiscus zal bij het onderzoek naar de vestigingsplaats dan ook willen achterhalen wie de achterliggende gerechtigden tot het in de buitenlandse vennootschap gestopte vermogen zijn (de aandeelhouders) en of zij in – afwijking van het bestuur op papier – de bedrijfsmatige beslissingen nemen. Het begrip ‘werkelijke leiding’ is in latere jurisprudentie nader uitgekristalliseerd:[3]

“Voorts dient te worden vooropgesteld dat bij de beoordeling van de plaats waar de werkelijke leiding van een tot een concern behorende vennootschap als belanghebbende wordt uitgeoefend, moet worden uitgegaan van de werkzaamheden die zij krachtens haar statutaire doelstelling en haar economische taakstelling feitelijk verricht (haar kernactiviteiten). Beslissend voor de plaats van werkelijke leiding is derhalve niet de vraag of de concernleiding in algemene zin sturingsbevoegd is ten aanzien van belanghebbende – zoals bij een (internationaal) concern reeds op grond van de aandeelhoudersrelatie, en met het oog op de vereiste (strategische) coördinatie, doorgaans het geval zal zijn – maar of de concernleiding met betrekking tot de kernactiviteiten van belanghebbende zodanig sturend optreedt dat niet meer kan worden gezegd dat die kernactiviteiten door belanghebbende zelf en onder leiding van haar eigen statutaire bestuur, worden uitgeoefend.”

Het onderzoek van de fiscus zal om die reden zijn gericht op de vraag of beslissingen ter zake van de kernactiviteiten van de buitenlandse vennootschap feitelijk door een ander (de in Nederland woonachtige of gevestigde aandeelhouders) worden genomen.

Bewijslast

Evenals bij woonplaatsonderzoeken is het in eerste instantie aan de fiscus om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de vennootschap in feite vanuit Nederland wordt bestuurd en daarmee in Nederland is gevestigd. Voor de vaststelling van de vestigingsplaats kan zowel bij de vermoedelijk belastingplichtige als bij derden om informatie worden gevraagd op basis van artikel 47 respectievelijk artikel 53 AWR (informatieverplichtingen). Een uitgebreide weergave van de vragen die in dat kader kunnen worden gesteld treft u onderaan dit blog aan. Aan de hand van deze vragen zal het volgende worden vastgesteld:

  • wat de kernactiviteiten van het lichaam zijn;
  • wat voor soort beslissingen zijn en worden genomen in relatie tot die kernactiviteiten;
  • wie de kernbeslissingen neemt, of deze beslissingen definitief zijn en wie verantwoordelijk is;
  • wat de aard van het lichaam is: wordt een materiële onderneming gedreven of is sprake van het een (passieve) houdstervennootschap?

Mogelijke gevolgen

Belastingplicht

Wanneer de vennootschap wordt geacht toch in Nederland te zijn gevestigd heeft dat evidente gevolgen. Allereerst wordt de vennootschap in Nederland in de belastingheffing (vennootschapsbelasting) betrokken voor alle inkomsten, oftewel ‘de wereldwinst’, die zij in dat jaar heeft genoten. Hetzij opgemerkt dat de heffingsbevoegdheid over die winst door bilaterale belastingverdragen kan worden verdeeld over beide staten, overigens uiteraard indien tussen die staten een zodanig verdrag van kracht is. De werking van die verdragen gaat de strekking van dit blog te buiten en zal om die reden niet worden behandeld.

Navordering

De vaststelling dat de vennootschap in Nederland is gevestigd kan ook gevolgen hebben voor het verleden. In artikel 16 AWR is bepaald dat indien sprake is van een nieuw feit, ‘een feit dat de inspecteur niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn’, kan de te weinig geheven belasting worden nagevorderd. Naast de grond van het nieuwe feit kan ook worden nagevorderd indien sprake is van kwader trouw. Uit de jurisprudentie volgt dat kwade trouw van de adviseur ‘het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door de structuur te weinig belasting wordt geheven’ ook aan de belastingplichtige kan worden toegerekend indien vast komt te staan dat ook hij die kans heeft aanvaard, waardoor ook op die grond navordering mogelijk is.[4]

Bestuurlijke beboeting of strafrechtelijke vervolging

Als komt vast te staan dat het vermogen opzettelijk is verhuld en daardoor tevens onjuiste aangiften zijn gedaan kunnen bestuurlijke boeten worden opgelegd of, in het ergste geval, kan strafrechtelijke vervolging plaatsvinden. Indien het fiscale nadeel, dat wil zeggen het bedrag aan niet-betaalde belasting, groter is dan € 20.000 dient de Belastingdienst een melding te maken van een vermoeden van een strafbaar feit bij de boete-fraudecoördinator. Bij een fiscaal nadeel groter dan € 100.000 is het beleid dat afdoening per definitie via het strafrecht plaatsvindt. Op het moment dat strafrechtelijke vervolging plaatsvindt is van belang dat een persoon niet is gehouden mee te werken aan zijn eigen veroordeling en derhalve geen antwoord hoeft te geven op gestelde vragen.

Conclusie

Het vestigingsplaatsonderzoek is in eerste instantie gericht op de vaststelling van de vraag bij wie de werkelijke leiding berust, daar waar die persoon of vennootschap woont of is gevestigd, is de plaats waar de (op papier buitenlandse) vennootschap is gevestigd. Uit de brief van de staatssecretaris valt op te maken dat de intensivering van onderzoeken naar verhuld vermogen in komende jaren zal toenemen en, naar te verwachten, daarmee ook geschillen over de vestigingsplaats.

Naast het kunnen belasten van de vennootschap zelf is het uiteindelijke doel van het onderzoek naar de vestigingsplaats veelal het achterhalen of middels de structuur belasting wordt ontdoken. In dat kader merkte ik aan het begin van mijn blog op dat de mogelijke implicaties groot zijn: bestuurlijke beboeting of zelf strafrechtelijke vervolging. Hierbij is van belang dat onderscheid bestaat tussen het fiscaal-bestuurlijke traject (beboeting) waarin ten aanzien van belastingplichtigen informatieverplichtingen bestaan en het strafrechtelijke traject (vervolging) waarin de verdachte het recht heeft om niet mee te werken aan zijn (eventuele) veroordeling.

mr. W.G.G. (Woody) Jansen de Lannoy


[1] Kamerstukken II 2018-2019, 31 066, nr. 431.

[2] Hoge Raad 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105.

[3] Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:AU4421.

[4] Hoge Raad 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566.

The Panama Papers – naming and shaming

This week the news services are falling over themselves regarding the information that they want to publicise about the Panama Papers. The reporting initially covered the working method employed by the Panamanian service provider, but as time goes by, more and more names of the service provider’s customers are being disclosed. But what is the relevance of publicising these names? What is keeping them from presenting the facts in a negative way? In short, the reporting ties in perfectly with naming and shaming.

Stand, sun, sea, palm beach chair. So one imagines a tax haven.

Panama Papers

The Panama Papers are documents from the service provider’s (internal) administration in, you’ve already guessed it, Panama. This service provider provides legal advice and trust services to its customers. As the press releases show, the customers are from a variety of backgrounds. Not only heads of governments would avail of the service, but also the butcher around the corner.

The Panama Papers would divulge the service provider’s working method. That working method would entail the service provider setting up an offshore company for a natural person. A share of the natural person’s assets would be incorporated into this offshore company. What is the advantage of that? The most straightforward advantage that comes to mind is – of course – that various tax rates can be used. In most cases, the offshore company will be established in a country where the tax rates are somewhat more attractive than in the country where the natural person resides. But that is not by a long shot the reason why all natural persons invest offshore. Other reasons could be spreading the risks or protecting the natural person’s estate.

The current press releases only bring the initial benefit (reducing the tax burden) to light because this is obviously ‘juicy gossip’ and sells well. This is quickly followed by the fact that it would not be quite so easy to derive from the information from the offshore companies which natural person is hiding behind the company. While normally speaking that would be a ‘disadvantage’, or as Johan Cruijff used to say ‘every disadvantage has an advantage’ of this working method, this is not the case with the Panama Papers. After all, it seems from the news reports that the cooperative of journalists were able find out which natural persons are behind the offshore companies relatively easily based on the information known to them.

How the documents from the service provider’s administration wound up in the hands of Süddeutsche Zeitung is still a mystery. That newspaper has in turn shared the files with the ICIJ (The International Consortium of Investigative Journalists), an international association of journalists. This association, which includes the Dutch newspapers the Trouw and the Financieele Dagblad, is working on analysing the documents. Bit by bit, information is being disclosed to the outside world.

The journalist association shrouds itself in mystery, while the service provider takes the stand that the computers have been hacked. This immediately raises the question whether the Tax Authority should be allowed to use the information in a legal proceeding or has this information been obtained by illicit means. Given the case law in the area of microfiches from the KBLux bank affair, this will most likely not be the case with the tax authority and will be glossed over as usual.

Tax avoidance vs. tax evasion

A man is but a man and (apparently) every man, big or small, fat or thin, preferably wants to pay as little tax as possible. Given that there are also people at the top of all large international companies, this also explains why these companies are keen to avail of complicated constructions and advance certainty by means of tax rulings, etc. A lot has been said about this in the past months.

The country where a natural person has to be pay tax depends on his/her place of residence (Article 4 of the Dutch State Taxes Act). To reduce the tax burden a natural person will have to initiate a working method that ensures that part of his assets are transferred, so that this can be accommodated elsewhere (read: in a country with a more lucrative tax system). That is also the direct crux of the Panama Papers.

The bottom line is that the working method of the Panamanian service provider is that an offshore company is set up for the natural person. The core of the working method is that a share of the natural person’s assets is incorporated into the offshore company. Consequently, the tax levy of the natural person’s country of residence no longer applies, but that of the country where the offshore company is established. The tax levy of this country is usually considerably lower than that of the natural person’s country of residence. This therefore offers a direct advantage.

The question that then remains to be asked is whether the financial advantage gained qualifies as tax avoidance or tax evasion. That qualification is extremely important because everyone is within their right to avoid tax (reduction of the tax burden within the boundaries of the la), while tax evasion (reduction of the tax burden outside the boundaries of the law) is a criminal offence.

While not all of the facts and circumstances of the issues surrounding the Panama Papers are known yet, we all have to make do with the information exposed by the journalists, the media is already screaming ‘blue murder’ and every effort is being made create the impression that it is all about tax evasion. That conclusion, however, cannot be reached just like that.

Tax avoidance only applies if the reduction of the tax burden is effected outside the boundaries of the law. It may well be the case that the natural person incorporates a share of his/her assets in an offshore company and does not declare his/her stake in that company on his/her income tax return. Whether this involves the Panamanian service provider’s customers, is not known. That information is only known to the relevant customer and possibly the Tax Authority of the natural person’s country of residence. While the customer concerned does not feel the need to justify its financial wheeling and dealing publically, the Tax Authority is bound by the obligation of confidentiality (AWR, Article 67) and will therefore also have to ‘keep their mouths shut’. In short, that’s playing right into the hands of the journalists, because this gives them ammunition to continue to speculate and make assumptions, which the majority of people believe to be true.

Naming and shaming

As I already mentioned, the initial publication on the Panama Papers focus on analysing the Panamanian service provider’s method of working. The first names of this service provider’s customers were quickly publicised. While these were foreigners yesterday, as of today, there are also Dutchmen among them. But is it necessary to publicise the service provider’s customers by name and in doing so give the impression that this is a matter of tax evasion? And what do we stand to gain by publicising these names?

If it is a case of tax evasion, is it any worse if it concerns a footballer or a former member of the Supreme Court? I don’t think so. Article 69 of the AWR states that “anyone that intentionally fills out a tax return provided for under the Tax Act incorrectly or incompletely (…) whereby they do not pay enough tax, that person will be fined, punished (…).” This legislative text does not make any distinction between different tax obligations. Be it the butcher on the corner, the footballer or a former member of the Supreme Court, if he/she files an incorrect or incomplete tax return, he/she is equally liable to punishment.

This does not exclude dubious reporting of information. The information that is provided on the former member of the Supreme Court initially suggests that the member in question has used his/her Supreme Court membership for an offshore company. However, on closer examination (insofar as all the facts are known) it transpires that the offshore company was only set up 11 years after the Supreme Court membership ended. Even so, public opinion will not bear this in mind, but rather emphasise that even a former member of the Supreme Court has made use of an offshore company to reduce his/her tax burden.

The only reason for naming the names of the service provider’s customers in newspaper articles is therefore within the context of ‘naming and shaming’. ‘Naming and shaming’ basically comes down to certain, unsatisfactory situations being exposed publically. In this case, the natural person is exposed by a publication (naming) and the announcement and/or information is portrayed in this publication in a bad light (shaming). That is exactly what has happened in the current news coverage. Customer names are publicised, and the information painted in such a light that any random reader will think that the person in question has evaded tax and is therefore a villain.

While freedom of the press goes too far, that same freedom is still subject to certain boundaries. You see, the press hounds may not injure a person’s good name or reputation. The Supreme Court deems rumours being presented as facts and the accuracy of the information not being first verified as the deciding factor for defamation. So, before going to press, certain information has to be verified to ensure its accuracy. Whether that was also done in the case of these Panama Papers is doubtful. A number of reports did indeed point out that the Tax Authority was asked to respond, but the Tax Authority have an obligation of confidentiality and are unable and will not provide any information on the accuracy of the information. There is nothing to indicate that the customers concerned, who have been now been named and shamed, have been asked to respond.

In short, as interesting as the information from the Panama Papers may be, the cooperative of journalists would do well to disclose this information in an accurate and proper manner. To my mind, that manner should be such that naming and shaming is avoided. After all, that does not in any way whatsoever contribute to the tax levy in, for example, the Netherlands. Hopefully the cooperative of journalists will take this into account before publishing the information.

Conclusion

The world is in turmoil after announcement of the Panama Papers. The manner in which this information is being exposed raises the necessary questions. The cooperative of journalists are not afraid to name and shame. In doing so, the Panamanian service provider’s customers are shunned as tax fraudsters, while there are known facts that do not (yet) give any cause for this. Making use of an offshore company does not automatically imply tax evasion (a criminal offence), but may qualify as tax avoidance (everyone’s right, because this falls within the boundaries of the law). The latter may well not strike a positive chord either, but it doesn’t necessarily mean that anyone involved is a villain or fraudster