“Verhoorbijstand”: een kwestie van het aanschuiven van een stoel

Op 1 april 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een belangwekkende zaak. Daarin kwam aan de orde of er nog langer van kan worden uitgegaan dat de verdachte geen recht heeft om zich tijdens zijn verhoor te laten bijstaan door een raadsman. De Advocaat-Generaal meende nog dat de wijze waarop opsporend Nederland omgaat met deze “verhoorbijstand” achterhaald is, de Hoge Raad vindt dat het aan de wetgever is om een regeling te treffen. De Hoge Raad zou daar niet in kunnen voorzien. In onder andere fraudezaken is het al geruime tijd gebruikelijk dat het Functioneel Parket advocaten toelaat bij verhoren door de FIOD. De uitspraak van de Hoge Raad lijkt te impliceren dat dit in elk geval vooralsnog als een gunst moet worden beschouwd. Een gunst die uitdrukkelijk voorlopig dus ook geweigerd kan worden.

Deze uitspraak is opmerkelijk. Het Hof voor de Rechten van de Mens heeft namelijk al meermalen vastgesteld dat bijstand van een advocaat tijdens een verhoor een recht is. Zo is er onder andere de recente richtlijn die onder meer het recht op “verhoorbijstand” vastlegt. De Hoge Raad haalt in zijn arrest deze richtlijn ook aan. De Hoge Raad meent echter dat het uitblijven van “verhoorbijstand” in elk geval voorlopig niet tot een schending van het EHRM hoeft te leiden. Aanleiding hiervoor wordt gevonden in de omstandigheid dat in artikel 15 van de Richtlijn is bepaald dat de implementatietermijn loopt tot 27 november 2016. De Hoge Raad meent dat als de richtlijn een dergelijke termijn hanteert, de Europese regelgever aanvaardt dat zich de situatie kan voordoen dat de wetgeving van een lidstaat op dit moment nog niet voldoet aan de door de Richtlijn gestelde eisen.

Hoewel er op zich iets voor deze redenering valt te zeggen, valt deze natuurlijk in duigen zodra wordt bedacht dat de jurisprudentie van het Europese Hof –  zelfs die van voor de publicatie (laat staan implementatie) van de richtlijn – al lang en breed het recht op “verhoorbijstand” erkent. In deze jurisprudentie is meermalen beslist dat het ontbreken van rechtsbijstand met betrekking tot het verhoor van de verdachte door de politie onder omstandigheden een schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens inhoudt. Dat hiervan geen sprake zou zijn in afwachting van het implementeren van een richtlijn, blijkt niet uit de uitspraken van het Europese Hof.

De jurisprudentie van het Europese Hof geeft een minimuminvulling aan de interpretatie van fundamentele rechten. Deze rechten zijn universeel en hebben (dus) altijd al bestaan. De Hoge Raad meent echter, mede vanwege ‘beleidsmatige, organisatorische en financiële aspecten’, dat het zijn rechtsvormende taak te buiten zou gaan om algemene regels te geven over hoe deze fundamentele rechten in de Nederlandse opsporingspraktijk moeten worden toegepast.

Hiermee plaatst de Hoge Raad de beslommeringen van de opsporingspraktijk voor het toepassingsbereik van het EVRM. Dat op de rechten van het EVRM pas met succes een beroep kan worden gedaan nadat een nationale wetgever voldoende mogelijkheden heeft gehad om zijn opsporingspraktijk eraan aan te passen, is een zeer verontrustende gedachte.

Als er tot slot door de verdediging voorafgaand aan een verhoor, direct na de daaraan voorafgaande consultatiebijstand of zelfs nog daaraan voorafgaand, verzocht wordt om een raadsman bij de verhoren aanwezig te laten zijn, houdt de ‘beleidsmatige, organisatorische en financiële aanpassing’ slechts in dat er in de Nederlandse verhoorkamers een extra stoel moet worden aangeschoven om een raadsman op te laten zitten. Van een omwenteling die een dermate impact heeft dat een fundamenteel recht terzijde kan worden geschoven, is dan ook zeker geen sprake.

Reacties zijn gesloten.