Wat staat de zwartspaarder anno 2018 te wachten?

Per 1 januari van 2018 is de inkeerregeling voor zwartspaarders afgeschaft, voor nieuwe aangiften. Een deze dagen zal de eerste belastingaangifte worden ingediend waarvoor geen mogelijkheid meer bestaat om die vrijwillig te verbeteren, ter voorkoming van (met name) strafvervolging. Wat staat die zwartspaarder straks te wachten? Is voorzienbaar of hij kan rekenen op ofwel een fiscale boete ofwel strafvervolging – of wordt het een tombola? En als dat zo is: mag dat wel?

Inkeer nog mogelijk?

Kan er überhaupt nog ingekeerd worden? Jawel, in ieder geval voor aangiften die voor 2018 zijn gedaan. Voor latere aangiften bestaat de inkeerregeling niet meer, althans als het gaat om verzwegen buitenlands vermogen. Er kan dan nog wel vrijwillig gemeld worden, maar ‘inkeer’ kan het niet meer zijn. Voor alle andere onjuistheden dan verzwegen vermogen in het buitenland blijft inkeer wel mogelijk.

Wat verdwijnt er dan?

Er kon (en kan) al een boete worden opgelegd voor oudere aangiftes in een inkeertraject: sinds 1 juli 2016 is de ‘matiging’ van de boete bij inkeer beperkt tot 120%. Als wordt bedacht dat het uitgangspunt voor een boete zonder inkeer, bij eenvoudig ‘opzet’ al 150% bedraagt, leverde de inkeerkorting al vrij weinig meer op. Het voordeel was/is dan ook vooral gelegen in de vrijwaring die geldt voor strafvervolging. Is een melding tijdig, dan mag niet strafrechtelijk worden vervolgd voor opzettelijk onjuiste belastingaangiften (oftewel belastingfraude), witwassen of valsheid in geschrifte, voorzover deze feiten een op een met elkaar samenhangen.

Dus nu automatisch een strafzaak?

Nu deze vrijwaring of ‘escape’ is verdwenen, kan dus wel strafrechtelijk worden vervolgd. Of dat ook gaat gebeuren, hangt er vanaf hoe groot de fraude is: het ‘nadeelbedrag’ is doorslaggevend voor de vraag of:

  1. binnen de Belastingdienst aan de boetefraudecoördinator wordt gemeld (nadeel ten minste € 20.000);[1]
  2. de zaak binnen het afstemmingsoverleg tussen Belastingdienst, FIOD en Openbaar Ministerie in aanmerking komt voor strafrechtelijke afhandeling (nadeel ten minste € 100.000 of aanvullende wegingscriteria).[2]

Alleen ‘nieuw’ nadeel?

Logischerwijs zou gelden dat als vanaf 2018 de vrijwaring na inkeer niet meer geldt, dus ook voor de bepaling of een strafzaak geïndiceerd is alleen het nadeel vanaf 2018 meetelt. Maar volgens (toenmalig) Staatssecretaris van Financiën Wiebes is dat niet het geval. In reactie op kamervragen gaf hij aan dat ‘ook het aantal ontduikingsjaren voor 2018 meeweegt bij het besluit om over te gaan tot strafvervolging’. Hij noemt niet letterlijk het ontduikingsnadeel van voor 2018, maar het aantal jaren. Om dat als wegingscriterium te doen gelden, zal eerst het fiscale boete versus strafvervolgingsbeleid (het AAFD Protocol) daarop moeten worden aangepast.

Wat is het nadeelbedrag?

Maar wat is dan het nadeel van voor 2018 en kan dat als ‘ontduikingsjaren’ worden meegenomen? Het nadeel is het zuivere ontdoken belastingbedrag als gevolg van de onjuiste aangifte – of: het niet doen van belastingaangifte.

Sinds 2017 is de belastingheffing over vermogen er niet makkelijker op geworden, door invoering van tariefschijven net als bij inkomsten. Waar voorheen makkelijk kon worden gerekend met 1,2% over het vermogen (fictief rendement van 4% keer tarief 30%), is het rendement waarover de belasting nu wordt berekend tussen de 2,87% en 5,39%. Voor hogere vermogens (vanaf ongeveer 1 miljoen) geldt het ‘toptarief’ over het meerdere. Om het te simplificeren kan worden uitgegaan van 1,62% (oftewel 5,39% keer het tarief van 30%). Zie voor een uitleg de website van de Belastingdienst.[3]

Een verzwegen vermogen van € 1.000.000 levert over 2017 – die aangifte zal vermoedelijk als eerste in 2018 worden gedaan – een nadeel op van ongeveer € 16.000. Maar als datzelfde vermogen in de jaren daarvoor ook is verzwegen, kan de fiscus in beginsel twaalf jaar terug.[4] Het OM kan ook twaalf jaar terug, maar dan vanaf het moment van de aangifte. Waar de fiscus kijkt naar het belastingjaar (bijvoorbeeld: 2003, dus verjaard in 2015) is voor vervolgbaarheid dus beslissend wanneer die aangifte is gedaan (stel pas in 2007: dan pas in 2019 verjaard). Over jaren tot en met 2016 was het ‘tarief’ 1,2% dus € 12.000 per jaar. Over 12 jaar is het nadeel dus een kleine € 150.000, met andere woorden ruim over de strafvervolgingsgrens van € 100.000.

‘Oud’ nadeel buiten onderzoeksperiode mag (niet) meewegen

Als ik het beleid goed lees, dan mag het oude nadeel ondanks de opmerking daarover van Wiebes toch niet meewegen voor de keuze of de strafrechtelijke of boeterechtelijke afslag genomen wordt. In zowel het boetebeleid (BBBB) als het fiscale boete versus strafvervolgingsbeleid (AAFD Protocol) staat namelijk dat het nadeel over de ‘onderzoeksperiode’ de vervolgactie bepaalt. De strafrechtelijke onderzoeksperiode na inkeer kan alleen maar gaan over aangiftes vanaf 2018, aangezien oudere jaren zijn gevrijwaard. Ouder nadeel kan dan dus in mijn opinie niet betekenen dat de beslissing de andere kant op valt.

Strafvervolging plus fiscale boete mogelijk?

Stel dat een fiscale boete is of wordt opgelegd, kan dan ook nog strafvervolging worden ingesteld? Het uitgangspunt is immers ‘una via’ (één route): één straf voor hetzelfde feit. Dat betekent ofwel een fiscale boete, of een strafzaak maar niet beide. Toch is het antwoord ja en nee en ‘het hangt er vanaf’.

  • ja: strafvervolging is nog mogelijk als alleen nog maar een boete is aangekondigd, pas het opleggen daarvan sluit vervolging voor hetzelfde feit uit;
  • nee: strafvervolging voor een onjuiste aangifte kan niet als daarvoor al een fiscale boete is opgelegd;
  • het hangt er van af: strafvervolging voor witwassen en valsheid in geschrifte kan na een fiscale boete voor belastingontduiking over aangiften vanaf 2018.
  • Zeker die laatste voelt vreemd. Kan dan toch via twee routes bestraft worden? Dat kan alleen als het gaat om verschillende feiten. Omdat een valse aangifte vrijwel automatisch ook witwassen oplevert, is dat een ander feit. Voor dat feit kan dus – in ieder geval in theorie – een strafzaak volgen ook nadat voor de onjuiste aangiften al een fiscale boete is opgelegd. Maar ook dan alleen voor witwassen vanaf 2018.

Keuze straf of boete vooraf duidelijk?

Als een strafzaak kan volgen betekent dat nog niet dat het ook moet. Er is geen onbeperkte capaciteit bij het OM om zaken strafrechtelijk te vervolgen, dus er zullen keuzes moeten worden gemaakt. Ook bij een hoger ‘nadeel’ dan € 100.000 kan nog steeds een fiscale boete worden opgelegd. Bij een lager nadeel is het evenmin zeker. Enerzijds kunnen ‘wegingscriteria’ ertoe leiden dat het toch een strafzaak wordt. Een daarvan is al genoeg. Deze wegingscriteria zijn onder meer:

  • (b) status verdachte/voorbeeldfunctie
  • (d) verhaal onmogelijk (de boete kan niet betaald worden)
  • (f) samenwerking met een adviseurMaar zelfs zonder wegingscriteria kunnen onderlinge afspraken gemaakt worden tussen Belastingdienst, FIOD en OM over de inzet van strafrecht. Dit geldt als sprake is van bijvoorbeeld een thematische aanpak. Ook de ‘kleintjes’ kunnen dan strafrechtelijk worden vervolgd.

Tombola toegestaan?

Over de vraag hoe onzeker de uitkomst van een bestraffing mag zijn, oordeelde het mensenrechtenhof EHRM in het arrest-Camilleri.[5] Dit betreft de heer Camilleri die in Malta strafrechtelijk is vervolgd. In die zaak ging het niet om een keuze tussen bestuursrechtelijke of strafrechtelijke bestraffing, maar om de keuze tussen twee strafrechtelijke routes. Het OM in Malta kon namelijk vrijelijk kiezen bij welke rechtbank een zaak werd aangebracht, terwijl de een tot 10 jaar gevangenisstraf kon opleggen en de ander van 10 jaar tot maximaal levenslang. Het EHRM oordeelde dat de keuze voor een van deze rechters onvoorspelbaar was. Er waren wel criteria, maar die waren niet bindend vastgelegd in wetgeving of rechtspraak. Met andere woorden: het hing van de keuze van de officier van justitie af en dus niet voorzienbaar welke rechter – en dus: welke straf – kon worden opgelegd. Dit was in strijd met de vereiste voorzienbaarheid van strafoplegging.

‘Camilleri’ in Nederland

In Nederland heeft de officier van justitie geen keuze tussen verschillende rechtbanken met verschillende maximumstraffen. Wel bestaat de keuze zoals hierboven uitgelegd, tussen een bestuurlijke boete of strafrechtelijke vervolging. Er zijn dus duidelijke verschillen tussen de keuze fiscaal/straf (door Belastingdienst, FIOD en OM) en de Maltese keuze (door de officier van justitie). De strafrechter zou dezelfde straf kunnen opleggen als de fiscus – maximaal 300% boete – maar anders dan in bestuurlijke bestraffing kan de strafrechter ook een gevangenisstraf opleggen, tot maximaal 6 jaar. En dat is geen theoretische mogelijkheid: er zijn richtlijnen bij welk ‘nadeelbedrag’ welke straf wordt opgelegd.[6] Kantoorgenoot Wiebe de Vries schreef eerder over de werking van deze richtlijnen in de praktijk.[7] Met andere woorden: ook in Nederland hangt veel af van de keuze welke route wordt gekozen, terwijl die keuze niet vooraf voorzienbaar is. Om die reden kan worden bepleit dat strafvervolging niet in alle gevallen toegestaan is, of dat de strafrechter zou moeten aansluiten bij de strafmodaliteit die de fiscus zou kunnen opleggen: geen vrijheidsstraf dus maar alleen een boete.

Let op! Ontneming (nog) oudere jaren

Naast een strafzaak kan een ontnemingsprocedure worden gestart. Dit zal als een straf aanvoelen maar is formeel geen ‘straf’ (maar een maatregel) en komt dus bovenop een veroordeling.

Omdat ontneming niet alleen gebaseerd hoeft te worden op het misdrijf waarvoor een veroordeling volgt maar ook voor ‘andere feiten’, kan dat (veel) langer in de tijd terug gaan. Lees hierover meer in mijn blog ‘Risico van voordeelsontneming uit verjaarde (fiscale) misdrijven’. Voor uitsluitend fiscaal voordeel mag dat overigens weer niet, aldus rechtbank Amsterdam in een zaak van ons kantoor.[8]

Kortom:

  1. inkeer is alleen verdwenen voor nieuwe aangiftes en alleen voor buitenlands vermogen;
  2. vanaf € 20.000 ontdoken belasting wordt er binnen de Belastingdienst gemeld;
  3. vanaf € 100.000 is het uitgangspunt strafvervolging;
  4. maar ook onder € 100.000 kan een strafzaak volgen;
  5. oud nadeel telt volgens de Staatssecretaris mee, maar kan gelet op beleid niet;
  6. pas na oplegging boete is strafzaak voor dat feit uitgesloten;
  7. soms kan fiscale boete en strafzaak samengaan;
  8. keuze is in de meeste zaken niet voorzienbaar dus een tombola;
  9. volgens het EHRM is een onvoorzienbare route met daardoor een hogere maximumstraf niet toegelaten;
  10. in strafzaak kan ook ontneming volgen bovenop gevangenisstraf en/of boete.

Conclusie

De gevolgen voor inkerende zwartspaarders zijn vooralsnog ongewis. Ongeacht de hoogte van het ontdoken belastingbedrag, kan ervoor worden gekozen om een strafzaak te starten. Volgens toenmalig Staatssecretaris Wiebes mag daarvoor ook worden gekeken naar – niet vervolgbare – onjuiste aangiftes van voor 2018. Dat lijkt mij echter niet haalbaar. Wordt gekozen voor een strafzaak, dan is het nog maar de vraag of dat mag, en zo ja, welke straf mag worden opgelegd. Fiscaal kan (aangiftes vanaf 1 juli 2009) maximaal 300% of (aangiftes van daarvoor) maximaal 100% boete worden opgelegd; strafrechtelijk is een gevangenisstraf niet alleen mogelijk maar ook het uitgangspunt. Daarnaast kan (niet uitsluitend fiscaal) wederrechtelijk voordeel worden ‘geplukt’.

Meer lezen?

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

[1] Geregeld in § 15 lid 6 van het BBBB (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst)

[2] Geregeld in het huidige AAFD Protocol sinds 1 juli 2015, § 2.1

[3] Zie ‘Berekening belasting over inkomen uit vermogen over 2017’ op belastingdienst.nl

[4] Deze termijn kan langer zijn: als een belastingplichtige of zijn adviseur uitstel heeft gevraagd en gekregen voor het later indienen van de belastingaangifte dan voor ‘1 april’, geldt dat uitstel ook voor de fiscus. Ongeacht of en hoeveel van dat uitstel daadwerkelijk gebruikt is.

[5] EHRM 22 januari 2013, nr. 42931/10 , Case of Camilleri v. Malta (level 2) – violation (Art. 7) No punishment without law – Nulla poena sine lege (zie § 34-45) (definitief op 27 mei 2013)

[6] Zie het onderdeel ‘fraude’ in de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, voorheen Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren

van de gerechtshoven en de rechtbanken)

[7] Blog Richtlijn Strafvordering Witwassen en LOVS oriëntatiepunten, gepubliceerd op 2 maart 2015 door mr. drs. Wiebe de Vries, advocaat-belastingkundige

[8] Rechtbank Amsterdam 18 januari 2017, zaaknummer 13/993500-14.

 

Witwassen van criminele inkomsten via cryptovaluta

Cryptovaluta worden vaak in een adem genoemd met witwassen. Het jaar 2017 komt ten einde en de Rechtspraak telt 15 gepubliceerde uitspraken over het witwassen van criminele inkomsten via cryptovaluta (en het is mij bekend dat nog een aantal strafrechtelijke onderzoeken en uitspraken in de pijplijn zitten). Verschillende verdachten zijn reeds veroordeeld voor het witwassen met bitcoins die afkomstig zijn uit drugshandel via het darkweb. Ook de modus operandi waarbij bitcoins ingewisseld werden tegen contant geld bij een bitcoinhandelaar die anonimiteit garandeerde om de criminele herkomst van de bitcoins te verhullen heeft tot veroordelingen geleid. Cryptovaluta in het (fiscaal) strafrecht lenen zich voor een beschouwing die het karakter van deze blog overstijgt. Ik zal mijn blog beperken tot een aantal aspecten waarmee ik vind dat in een strafzaak rekening moet worden gehouden bij een verdenking van witwassen via bitcoins.

Mysterious male santa hacker holding laptop computer, anonymous man on black background, ransomware cyber attack and internet security on Christmas holiday concepts

Bitcoinhandel is legaal

Vooropstaat dat de handel in cryptovaluta en het investeren in nieuwe crypto munten (Initial Coin Offering) een volstrekt legale activiteit is. Ik benadruk dat zowel cryptovaluta als fiat geld zich lenen voor misbruik. Dit maakt Bitcoin – dat vooralsnog als ruilmiddel is bestempeld door de civiele rechter – niet anders dan ons bekende ‘vertrouwde’ wettige betaalmiddel (chartaal geld).

Wel blijkt het een uitdaging te zijn voor overheden om transacties met cryptovaluta te kunnen monitoren. Om deze reden is (mede) ter voorkoming van witwassen in Australië onlangs een wet aangenomen waarbij een registratieplicht (en rapportageverplichting) bestaat voor wisselplatforms van cryptovaluta. En bestaat in ‘crypto walhalla’ Japan regelgeving, waarbij een aantal cryptovaluta exchanges officieel erkend zijn als wisselplatforms. Ook Europa blijft niet achter. Op 15 december 2017 bereikten het Europees parlement en de Raad van de Europese unie een akkoord over een herziening van de ‘vierde antiwitwasrichtlijn/AML IV’. Relevante marktspelers op het gebied van cryptovaluta (platforms voor het wisselen van virtuele valuta als aanbieders van bewaarportemonnees) worden in de Europese Richtlijn als meldingsplichtige entiteit aangewezen. Hiermee wordt wettelijk verankerd dat de poortwachters van cryptovaluta – net zoals financiële instellingen – verdachte transacties moeten melden en preventieve maatregelen zullen moeten nemen (zoals cliëntonderzoek). Voor Nederland en andere lidstaten de taak om de Richtlijn tijdig te implementeren.

In Nederland vallen cryptovaluta zoals bitcoin, ethereum, litecoin, dash, monero (vooralsnog) buiten de reikwijdte van de financiële toezichtwetgeving, omdat cryptovaluta niet bestempeld kunnen worden als elektronisch geld en evenmin kunnen worden aangemerkt als een financieel product. Toch betekent dit niet dat het witwassen via cryptovaluta onopgemerkt zal blijven door de FIOD en het Openbaar Ministerie. Daarnaast zullen de bevoegde autoriteiten (mede) dankzij de aanscherping van AML IV nog beter in staat worden gesteld om verdachte transacties te monitoren.

Bitcoin en anonimiteit

Het is een misvatting dat de herkomst van Bitcoin niet kan worden achterhaald vanwege de anonimiteit. Voor dit blog is van belang te weten dat iedere gevalideerde bitcointransactie geregistreerd staat in een gedecentraliseerd netwerk – ‘een digitaal gedistribueerd grootboek’ – dat voor iedereen open raadpleegbaar is. De FIOD zal in staat zijn transacties uit dit grootboek te monitoren en te koppelen aan geïdentificeerde personen. Ook is het mogelijk om bitcoins met een illegale herkomst te herleiden via bijvoorbeeld: blockexplorer, walletexplorer of met behulp van speciale software zoals chainalysis. Hierbij zijn onder andere publieke adressen, bitcointransacties, blocknummers, blockhashes zichtbaar. De FIOD kan eveneens vaststellen of bitcoins in een wallet afkomstig zijn van bitcoin adressen die voortkomen uit marktplaatsen op het darkweb (zoals: Agora die via het Tor netwerk raadpleegbaar is).[1] Op deze marktplaatsen wordt (onder andere) gehandeld in verboden goederen (zoals drugs) en kan slechts betaald worden met bijvoorbeeld bitcoins. Uit een recente uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland volgt dat een deskundige heeft gesteld dat 90% van alle producten op de ‘dark markets’ illegaal zijn.[2]

Kan het wel ‘anoniemer’?

Dankzij het digitale gedistribueerde grootboek is een willekeurige derde partij in staat alle transacties te volgen, of deze nu legaal of illegaal zijn. Via een zogenoemde tumbling of mixing services die worden aangeboden door dienstverleners is het mogelijk de traceerbaarheid van bitcoins te doorbreken of aanzienlijk te bemoeilijken. Niet iedereen houdt er namelijk van dat de hele wereld inzicht heeft in zijn of haar financiën en transacties, hetgeen op zichzelf een legitieme reden is.

Er zijn legitieme redenen denkbaar waarom iemand gebruik maakt van een zogenoemde ‘mixer’. Uiteraard is de kans aanwezig dat bitcoins met een ‘luchtje’ door het gebruik van een mixer weer ‘fris’ gaan ruiken. Hiervoor zijn een aantal methodes denkbaar, zoals bijvoorbeeld het mixen van bitcoins met andere darkweb gebruikers. Het achterliggende doel kan erin gelegen zijn om digitale sporen (‘trail’) tussen de keten aan transacties te ‘verhullen’ (om in witwasterminologie te spreken). Hiermee wordt voorkomen dat een bitcoin adres herleid kan worden naar een online identiteit en identiteit van een persoon. In die zin vind ik het niet geheel onterecht dat het gebruik van een bitcoin mixer is aangemerkt als een witwasindicator en als witwastypologie geldt, zolang maar voor ogen wordt gehouden dat er ook legitieme redenen kunnen zijn voor het gebruik van een bitcoin mixer.[3] Ingeval sprake is van een witwasvermoeden is het vervolgens aan de verdachte om dit vermoeden te ontzenuwen.

Witwasvermoedens

Indien bitcoins worden omgewisseld naar geld in contanten, kan van witwassen sprake zijn.[4] Op grond van de bewijsmiddelen moet dan wel eerst vastgesteld worden dat bitcoins ‘afkomstig zijn van enig misdrijf’. Uit onderzoek naar wallets kan bijvoorbeeld blijken dat de bitcoins vanuit marktplaatsen op het darkweb afkomstig zijn (waarvan al snel zal worden verondersteld dat daar een ‘luchtje aan zit’). Daarenboven dient vastgesteld te worden dat een verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat bitcoins uit misdrijf afkomstig waren, alvorens tot een bewezenverklaring voor witwassen kan worden gekomen.

Qua bewijslast geldt dat de Officier van Justitie niet nader hoeft te specificeren uit welke criminele activiteit(en) bitcoins afkomstig zijn. Niet gesteld kan worden dat iedere wisselactiviteit van een bitcoinhandelaar leidt tot witwassen. De Officier van Justitie zal hiervoor bewijsmiddelen moeten aandragen die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

Het tegen contanten aankopen en/of verkopen van bitcoins op een openbare plek van een handelaar (via bijvoorbeeld: localbitcoin.com) betekent naar mijn mening echter niet zonder meer dat de bitcoins die vervolgens ontvangen zijn in een wallet afkomstig zullen zijn uit enig misdrijf. Het is aan de verdediging (en aan de rechterlijke macht) om scherp erop toe te zien of de aangedragen feiten en omstandigheden van een Officier van Justitie wel een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.

Vooralsnog vind ik dat het niet duidelijk is in hoeverre sprake is van een ‘onderzoeksplicht’ voor een cryptovaluta handelaar of wisselaar en hoever deze ‘onderzoeksplicht’ (zoals: het vaststellen van de identiteit van de verkoper etc.) dan moet reiken. Gelet op de vastgestelde witwas typologieën voor de aan- en verkoop van virtuele betaalmiddelen, lijkt dit echter al behoorlijk ver te gaan. Hierdoor is het raadzaam voor een handelaar en wisselaar van cryptovaluta om op zijn minst een ‘digitale trail’ te bewaren, waarmee kan worden aangetoond dat het contant omwisselen niet slechts is gebeurd vanwege het onderbreken van een ‘papertrail’ en – waar mogelijk – zoveel mogelijk informatie te vergaren over de verkoper van de cryptovaluta. Daarnaast is het van belang te weten dat ook banken vraagtekens moeten stellen aan hun klantrelatie ingeval geconstateerd wordt dat er sprake is van de aan- en verkoop van bitcoins in combinatie met contante opnamen (Know your customer beleid/Customer Due Diligence) en zo nodig klantrelaties kunnen opzeggen.

Waar kan de verdediging vraagtekens bij zetten?

Iedere strafzaak is anders, maar onderstaande (niet-limitatieve) aspecten zullen ter illustratie een rol kunnen spelen:

  1. Biedt het dossier wel voldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat bitcoins zijn ontvangen?
  2. Is direct bewijs aanwezig waaruit volgt dat een bitcoinwallet alleen in gebruik is bij een verdachte?
  3. Zijn alle transacties uit een bitcoinwallet aan de verdachte toe te rekenen?
  4. Wordt met de verkoop van bitcoins wel een hoog commissietarief gehanteerd zoals de Officier van Justitie mogelijk zal stellen, die afwijkt van andere wisselkantoren?
  5. En in welke mate wordt de bitcoin daadwerkelijk onder de marktprijs gewisseld (ten aanzien van een regulier online wisselkantoor)?
  6. In hoeverre is de aankoop van een hoeveelheid bitcoins van een handelaar in contanten verdacht te noemen, gelet op de hoogte van inkomsten uit legale activiteiten?
  7. Zijn bij de belastingdienst legale inkomsten of vermogensbestanddelen bekend die een verklaring kunnen vormen voor de bedragen die in een bitcoin wallet zijn gestort?
  8. Is er een brondelict aanwezig? Zo nee, kunnen de aangedragen bewijsmiddelen wel rechtvaardigen dat een verdachte zich actief bezighoudt met illegale activiteiten, waardoor een brondelict voor het witwassen van de bitcoins verondersteld wordt?
  9. Hoe zit het met de wetenschap van een verdachte dat bitcoins in een wallet gestort zijn vanuit marktplaatsen van het darkweb? En in hoeverre zijn deze darkweb transacties verwijderd van de transacties van verdachte?
  10. In hoeverre is sprake van legale bitcoinhandel?

Afhankelijk van de feiten en omstandigheden, witwas typologieën en feiten van algemene bekendheid kan sprake zijn van een witwasvermoeden. Stel er is sprake van een witwasvermoeden, is het dan wel verstandig om een beroep op het zwijgrecht te doen?

Zwijgrecht en witwassen?

Bij een witwasvermoeden kan het van belang zijn dat een verklaring wordt afgelegd die een legale bron van de bitcoins (of altcoins) kan aantonen. Een beroep op het zwijgrecht ligt in een dergelijk scenario niet (altijd) voor de hand.

Van de verdediging kan namelijk verwacht worden dat een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring wordt gegeven voor de herkomst van cryptovaluta zoals bitcoins. Zeker als blijkt dat een criminele herkomst niet als (enige) aanvaardbare verklaring kan leiden is het van cruciaal belang dat een verdachte een verklaring aflegt.

Het Functioneel Parket (of AP/RP) en de FIOD zullen aanvullend onderzoek moeten verrichten. Indien nader onderzoek naar de aangedragen herkomst van de verdediging wordt nagelaten leert de jurisprudentie dat dit kan leiden tot een vrijspraak. Zodra niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat cryptovaluta zoals bitcoins een legale herkomst hebben moet dit leiden tot een vrijspraak van witwassen.

Tot slot

De handel in cryptovaluta is legaal en kan niet langer worden onderschat. Dit blijkt ook uit het feit dat de Europese Unie de ‘vierde anti-witwasrichtlijn’ heeft aangescherpt op het gebied van virtuele valuta, te meer: voor platforms voor het wisselen van virtuele valuta en voor de bewaarportemonnees (‘custodial wallet providers’). De uitdaging zal zijn om de handel in cryptovaluta op een dusdanige wijze te reguleren, zonder het zodanig te beperken dat de technologie en community geen lucht meer krijgt.

Dat er strafrechtelijke risico’s kunnen kleven aan de handel met bitcoins (en andere altcoins) moge duidelijk zijn. Verder is het van belang te weten dat het ter zake van een witwasverdenking raadzaam kan zijn om terughoudend om te gaan met het zwijgrecht. De verdediging zal er in een strafzaak scherp op toe moeten zien of de aangedragen feiten en omstandigheden door een Officier van Justitie wel een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.

Ik meen dat de geldende witwas typologieën die specifiek zien op virtuele betaalmiddelen te weinig rekening houden met het karakter van cryptovaluta en de nodige nuancering behoeven. Daarnaast dient ook de legitieme reden om transacties anoniem te kunnen verrichten betrokken te worden. Onmiskenbaar is dat kennis over cryptografie en cryptovaluta onontbeerlijk is aan zowel de zijde van de verdediging als aan de zijde van het Openbaar Ministerie. Aan de verdediging dan ook de taak om de Rechterlijke macht te laten inzien dat de bal niet al te snel bij de verdediging neergelegd moet worden. Wordt vervolgd.

Mr. K.M.T. (Kim) Helwegen

Lees ook:

[1] Overigens wordt het TOR netwerk niet alleen gebruikt voor toegang tot het darkweb. Gebruikers van het TOR Netwerk kunnen het ook gebruiken om ‘anoniem’ te surfen, waardoor bijvoorbeeld reclame advertenties verleden tijd zijn.

[2] R.o. 4.3.1.

[3] Per 15 augustus 2017 zijn specifieke witwas typologieën vastgesteld die betrekking hebben op de aan- en verkoop van virtuele betaalmiddelen.

[4] Juridisch bestaan verschillende varianten van witwassen zoals bijvoorbeeld eenvoudig witwassen en gewoontewitwassen. Ieder witwasdelict kent een opzetvariant en een schuldvariant.

Never go to court, always settle?

 

De lijst met schikkingen die het Openbaar Ministerie is aangegaan bij zogenoemde complexe zaken met grote ondernemingen valt makkelijk op te sommen: KPMG-IIVimpelComSBM OffshoreRabobankFCIB en DeussKPMG en Ballast Nedam. In de volksmond worden dergelijke schikkingen ook wel afkopingen, omkopingen of zelfs klassenjustitie genoemd. Corruptie en fraude in de wereld is een feit. Dat dit ook in ons kikkerlandje geen waan van de dag is moge duidelijk zijn gelet op voorgaande voorbeelden. Fraudeurs zijn er in allerlei varianten: van de simpele oplichter die van frauderen zijn ‘vak’ heeft gemaakt tot de ‘chique crimineel’ (oftewel: witteboordencrimineel). Wat daar ook van zij, de perceptie die heerst over deze miljoenendeals – de hoogste schikking met justitie in Nederland gaat over maar liefst 397.500.000 US Dollars – is alles behalve positief en doet ons ‘rechtsgevoel’ geen goed. Waarom wordt deze perceptie dan toch in stand gelaten?

Man signing business document, application, subscription form or insurance papers with silver pen on wooden desk.

Spekken van de Staatskast

Intensivering in fraudebestrijding is een hot item op de agenda van de FIOD. Door te investeren in de aanpak van witwassen en corruptie wordt een hoop geld geïncasseerd, hetgeen uiteraard ten goede komt aan de begroting van Veiligheid en Justitie. Simpel gezegd: miljoenenschikkingen zijn een goede manier om geld  ‘af te pakken’ en de staatskas te spekken. Voor hoge schikkingen of bijzondere transacties vindt een afstemming plaats met de bovenlaag van het openbaar ministerie. Een transactie wordt dan via het College van procureurs-generaals aan de Minister van Justitie voorgelegd.

Dat dit ons rechtsgevoel niet altijd ten goede komt lijkt niet op te wegen tegen de baten die het oplevert. Is dit kwalijk? Ik vind van wel en meen dat aan dit rechtsgevoel tegemoet moet worden gekomen. Hoe? Door het bieden van meer inzicht in de mysterieuze wereld van de schikkingen. Of door het invoeren van  een onafhankelijke rechterlijke toets. Waarom wordt bijvoorbeeld niet aangesloten bij de Raad van Rechtspraak die nadrukkelijk voorstelt minder zaken buiten de strafrechter om af te doen? Overigens vermeld ik voor de duidelijkheid: ook al wordt geschikt door de onderneming, dit betekent nog niet dat strafrechtelijke vervolging voor de betrokkenen in de onderneming, de zogenoemde natuurlijke personen (zoals de leden van de Raad van Bestuur) hiermee is uitgesloten. Een werknemer van de onderneming: hoog in de boom of niet, of zelfs iemand die geen formele positie bekleed binnen de onderneming maar wel betrokken is bij de zaak kan strafrechtelijk als zogenoemde: feitelijk leiddinggever worden vervolgd. In het KPMG-II voorbeeld worden in ieder geval een aantal natuurlijke personen  strafrechtelijk vervolgd. Wel komt het voor dat bij individuele strafrechtelijke vervolgingen eveneens transacties worden gesloten met verdachten die betrokken zijn geraakt bij fraude, zoals bijvoorbeeld is gebeurd in de vastgoedfraudezaak: Klimop.

Onafhankelijke rechter

Een van de grote voordelen van een schikking is dat een rechtsgang wordt bespaard en overbelaste rechtbanken worden voorkomen. Het openbaar ministerie zal ‘slechts’ een nieuwsbericht (persbericht) naar buiten brengen over de schikking en de media zal mogelijk enige aandacht aan de zaak besteden. Ondertussen kunnen de bedrijven die schikken op al deze aandacht anticiperen en zoveel mogelijk aan ‘damage control’ doen. Uiteraard zal een onderneming de nodige ‘naming and shaming / imagoschade’ die met alle hectiek gepaard gaat zoveel mogelijk proberen te beperken. Verder zal met de opgelegde voorwaarden die volgen uit de schikking zoals een pakket aan ‘compliance maatregelen’ de corruptie of fraude automatisch verdwijnen, toch? Ik geloof dat hier een mooi woord voor bestaat: symptoombestrijding. De vraag blijft of het daadwerkelijke probleem: het voorkomen van corruptie en fraude – hiermee wordt aangepakt.

Daarnaast is het de vraag of bedrijven zelf wel zo blij moeten zijn met alle voorwaarden waarmee ze akkoord moeten gaan alvorens een miljoenendeal tot stand zal komen. Wellicht zijn sommige bedrijven zelfs beter af bij een procedure voor de Strafrechter. Ben ik tegen schikkingen? Nee integendeel zelfs. Op het moment dat het mogelijk is verdient een regeling in der minne zelfs de voorkeur boven een proces. Wel ben ik ervan overtuigd dat de perceptie van klassenjustitie voorkomen moet worden door in ieder geval meer transparantie te creëren. Het lijkt mij dat het draagvlak in de maatschappij voor transacties wordt vergroot indien meer sprake is van duidelijke toetsingscriteria wanneer een schikking wordt aangegaan en de nodige  ‘checks and balances’ worden ingevoerd – bij voorkeur door middel van een  rechterlijke toets. Uit de Fraudemonitor 2016 blijkt in ieder geval dat voor verticale fraude (waarbij de overheid is benadeeld) het aantal afdoeningen door het OM – waarbij een transactie is aangegaan-  op 126 zaken staat. Voor horizontale fraude (waarbij burgers of bedrijven het slachtoffer zijn) staat de teller op 152 zaken.

Voorkom het stigma: klassenjustitie  

De recente transactie van KPMG-II – waarbij een bedrag van 8 miljoen – wordt betaald – komt de staatskas zeker ten goede. De raming voor de opbrengst uit grote schikkingen die is verhoogd in de rijksbegroting 2017 van Veiligheid en Justitie is ieder geval niet voor niets geweest. De gevolgen van een transactie is dat KPMG-II hiermee in ieder geval heeft weten te voorkomen dat de zaak aan de rechter zal worden voorgelegd. Het blijft interessant om na te denken over de vraag: hoe het draagvlak voor miljoenenschikkingen kan worden vergroot in onze maatschappij. Een persbericht met uitleg van het openbaar ministerie is in mijn ogen simpelweg niet voldoende. Publiceer bijvoorbeeld een schikkingsdocument of zorg ervoor dat een onafhankelijke rechter eveneens een rol krijgt rondom de schikkingstafel. Chique witteboord of niet, ondervang de stigmatisering van klassenjustitie, oftewel: een effectieve afdoening moet voor iedereen mogelijk zijn. Bij gebrek aan toetsingscriteria lijkt een gelijkwaardig ‘level playing field’ helaas nog steeds niet te bestaan. Wordt (nog niet) vervolgd?

 

Mr. K.M.T. (Kim) Helwegen

 

Afschaffing inkeerregeling – de gevolgen? 8 vragen.

In zijn Kamerbrief over de aanpak van belastingontduiking van 17 januari 2017 schrijft Wiebes dat hij het voornemen heeft om de inkeerregeling af te schaffen. Wat zijn plannen precies zijn wordt nog niet duidelijk, hij kondigt aan ‘nog dit jaar’ met een voorstel ter consultatie aan te bieden. Als we ervan uit moeten gaan dat de inkeerregeling inderdaad volledig verdwijnt, wat zijn dan de gevolgen voor belastingplichtigen die nog rondlopen met een fiscaal onbekend vermogen?

Boy has earned a lot of money. Banker holds in hand American dollars. Cunning business boy. Successful school boy. Happy. Success concept. Business suit. Stock exchange. Lucky man

Hieronder ga ik in op de volgende acht vragen:

  1. Wat houdt het voorstel van Wiebes in?
  2. Wanneer nog vrijwillig melden?
  3. Project Debet- en Creditcards
  4. Inkeer binnen 2 jaar straks nog boetevrij?
  5. Strafvervolging weer mogelijk?
  6. ‘Haarlem verweer’: jaren vóór 2010 nog altijd boetevrij?
  7. Wat zijn de gevaren van een witwasvervolging?
  8. Afpakken tot in de eeuwigheid?
  1. Wat houdt het voorstel van Wiebes in?

Wiebes schrijft in zijn brief dat een verdere aanscherping van de inkeerregeling op zijn plaats is. Er is flink gebruik gemaakt van de inkeerregeling en dat heeft de Belastingdienst geen windeieren gelegd: de regeling zou 1,9 miljard euro hebben opgeleverd. De kans dat belastingplichtigen zelf tegen de lamp lopen wordt ondertussen steeds groter. Dat komt onder meer door de fors grotere mogelijkheden op het gebied van internationale gegevensuitwisseling. Zo zal zelfs Zwitserland vanaf 2018 automatisch gegevens gaan uitwisselen. Als de pakkans bijna 100% is, past een coulanceregeling bij vrijwillig melden creditniet goed meer, zo is de gedachte.

  1. Wanneer nog vrijwillig melden?

Maar ook onder de huidige regeling wordt al gekeken naar hoe ‘vrijwillig’ een melding nog is, wil iemand voor de inkeerfaciliteiten in aanmerking komen. Zie hierover ook het onderdeel ‘De angst regeert (niet)’ in mijn eerdere blog. Daarvoor is de aangekondigde aanscherping dus niet nodig. Inkeer is namelijk alleen dan nog tijdig als de belastingplichtige nog niet weet of moet vermoeden dat de fiscus hem of al op het spoor is, of dat onherroepelijk gaat komen. In een geval dat een belastingplichtige dus al moet weten dat hij sowieso tegen de lamp gaat lopen, komt hij (of zij) niet meer in aanmerking voor de inkeerregeling.

  1. Project Debet- en Creditcards

Het project gericht op het opsporen van zwartspaarders met een buitenlandse ‘debet- en creditcards’ is in een nieuwe fase beland. Het gaat niet meer alleen om degenen die hun betaalkaart in Nederland hebben gebruikt voor betalingen bij reisbureaus, autoverhuurbedrijven en dergelijke waarbij ze naam- en adresgegevens hebben achtergelaten. Inmiddels is het vizier ook gericht op degenen die in Nederland veelvuldig of grote contante opnames hebben gedaan. Recent heeft de FIOD een man om die reden aangehouden op verdenking van witwassen en belastingontduiking.

  1. Inkeer binnen 2 jaar straks nog boetevrij?

Sinds de aanscherping per 2010 kan niet meer helemaal boetevrij worden ingekeerd, maar nog wel als de verbetering binnen twee jaar na een opzettelijk onjuiste aangifte plaats vindt. Voor oudere aangiften geldt sindsdien een ‘matiging’ op de boete, die maximaal 300% bedraagt. Die gematigde boete was ooit 15% en is sinds 1 juli 2016 verhoogd tot 120%. De situatie dat het alleen maar om de laatste twee jaar gaat, ben ik in al die jaren nog niet tegengekomen.

In het voorstel van Wiebes komt die ‘korting’ voor twee meest recente jaren te vervallen. In plaats daarvan zal in eerste instantie de matiging tot 120% ook voor die jaren gaan gelden.

  1. Strafvervolging weer mogelijk?

Maar het voorstel gaat verder. Waar een (geslaagd) beroep op de inkeerregeling nu nog betekent dat iemand niet strafrechtelijk kan worden vervolgd voor belastingfraude of witwassen – voor zover het gaat om het fiscale verzwijgen – schrijft Wiebes: ‘Daarnaast kan de Belastingdienst een zaak in voorkomende gevallen natuurlijk ook overdragen aan het Openbaar Ministerie voor strafrechtelijke vervolging.’

Kan dat wel zomaar? Niet als, net als nu voor jaren ouder dan 2 jaar, in beleid wordt vastgelegd dat bij vrijwillige melding een bestuurlijke boete van 120% geldt. Beleid is natuurlijk geen wet, maar de Belastingdienst is wel degelijk aan zijn eigen beleid gebonden. Dat betekent dat het doen van ‘opzettelijk onjuiste aangiften’ niet alsnog strafrechtelijk kan worden vervolgd.

Dat geldt ook als de inkeerregeling als boetebepaling moet worden gezien – en dus niet over jaren voorafgaand aan de afschaffing tegen de zwartspaarder kan worden gebruikt. Over de vraag of de inkeerregeling als boetebepaling moet worden gezien oordeelde Rechtbank Haarlem eerder.

  1. ‘Haarlem verweer’: jaren vóór 2010 nog altijd boetevrij?

Omdat tot 2010 geheel boetevrij kon worden ingekeerd, oordeelde Rechtbank Haarlem in 2013 dat boetes bij inkeer over jaren tot 2010 niet kunnen worden opgelegd. Deze procedures – en daarmee een definitief antwoord – zijn ‘gestrand’ door de tijdelijke herinvoering van boetevrij inkeren tussen  2 september 2013 en 1 juli 2014. Onder die gratieregeling vielen ook alle lopende procedures die nog niet volledig afgewikkeld waren.

Rechtbank Haarlem oordeelde in 2013 dat terugwerkende kracht van deze strafverzwaring niet is toegestaan. Cruciale vraag is of de inkeerregeling een ‘sanctiebepaling’ is, oftewel of hierin is geregeld dat een boete kan worden opgelegd. Dat is het geval, zo oordeelde de Hoge Raad al in 2001. In die bepaling is namelijk geregeld dat (tot 2010) geen boete kan worden opgelegd bij inkeer en (vanaf 2010) een gematigde boete zal worden opgelegd. Alleen de laatste twee jaren zijn nu nog boetevrij. Omdat het om een sanctiebepaling gaat, mag deze niet met terugwerkende kracht in het nadeel van de betrokken zwartspaarder worden toegepast.

Vanwege de tijdelijke beleidsmatige ‘verruiming’ van de inkeerregeling tot 1 juli 2014 geldt deze boetevrijheid bovendien niet alleen voor jaren tot 2010, maar evenzeer voor aangiftes tot 1 juli 2014. Het maakt namelijk niet uit of een sanctiebepaling in de wet of in beleid is vastgelegd. In beide gevallen is terugwerkende kracht verboden.

  1. Wat zijn de gevaren van een witwasvervolging?

Als strafvervolging voor belastingfraude niet meer mogelijk is, zegt dat nog niet automatisch dat ook geen strafzaak meer kan volgen voor witwassen. Een zwartspaarder is namelijk (vrijwel) automatisch ook een witwasser: hij heeft geld waar hij geen recht op heeft oftewel ‘uit misdrijf afkomstig’ en wat hij daarmee doet (of zelfs niets doet, door het op een bankrekening te laten staan) heet in het Nederlandse strafrecht ‘witwassen’.

Sinds 1 januari 2017 is zelfs nog sneller sprake van witwassen. Voor die tijd had onze Hoge Raad namelijk uitgemaakt dat het hebben van geld uit een eigen (belasting)delict niet direct witwassen oplevert, maar pas wanneer daarmee een ‘verhullende handeling’ was verricht. Het passief aanhouden van een bankrekening kon zodoende nog buiten een witwasverwijt blijven. Per begin dit jaar heeft de wetgever daar een stokje voor gestoken en in de wet opgenomen dat ook ‘eenvoudig witwassen’ – kort gezegd precies dat wat de Hoge Raad onvoldoende vond – strafbaar is. Wel is de maximumstraf fors lager dan op ‘gewoon’ witwassen, namelijk zes maanden in plaats van 6 jaar celstraf.

Zolang de inkeerbepaling geldt, bestaat ook de vrijwaring dat niet alsnog voor valsheid in geschrift en ook niet voor witwassen wordt vervolgd. Ook hier is het ‘Haarlem verweer’ dus van belang.

  1. Afpakken tot in de eeuwigheid?

Eerder schreef ik al over de gevolgen van een vervolging voor witwassen, namelijk dat dit de deur opent voor ongebreidelde ontneming van verjaarde fiscale claims. Zie daarover mijn blog Het risico van voordeelsontneming uit verjaarde (fiscale) feiten.

Rechtbank Amsterdam zorgde recent voor een lichtpuntje door een belangrijke nuancering aan te brengen op die afpakmogelijkheden. De wet zegt namelijk ook dat de fiscus zijn claims fiscaal hoort te incasseren en hiervoor niet met een ontnemingsvordering moet aankomen. Ontneming voor witwassen is wel weer mogelijk. Het OM probeert recent (weer) het fiscale afpakverbod te omzeilen, door de fiscale claims ‘om te katten’ naar een voordeel uit witwassen. Dit is niet de bedoeling en het OM kreeg dan ook de deksel op zijn neus. Fiscaal voordeel is geen voordeel uit witwassen, ook niet als het daarna wordt besteed (en dus witgewassen).

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Meer weten over de inkeerregeling? Lees ons blogarchief inkeer, met onder meer:

27 juli 2016 door Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma

8 juni 2016 door Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma

3 maart 2016 door Nick van den Hoek

25 november 2015 door Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma

9 september 2015 door Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma

29 juli 2015 door Marloes Rijksen

 

 

 

 

FAQ: Zwijgrecht is bekennen?

‘Een tegenstander niet wijzer maken dan die al is, gaat ook op in het fiscale strafrecht. Gebruik maken van het zwijgrecht kan een onderdeel zijn van een processtrategie, zolang u zich bewust bent van de risico’s die aan het beroep op het zwijgrecht kleven.’

Young terrified female was a victim of crime

Het zwijgrecht en het recht dat niemand verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling vormen het hart van een eerlijk proces. Een verdachte heeft de keuze om al dan niet een verklaring af te leggen (bekennen, ontkennen, zwijgen of liegen). Wel is het zo dat deze keuze juridische gevolgen kan hebben. Als verdachte is het van belang om u hiervan bewust te zijn bij het bepalen van uw verdedigingsstrategie.

Zwijgen of verklaren?

Er kunnen goede redenen aanwezig zijn om u als verdachte te beroepen op het zwijgrecht. Dit is nog sterker het geval indien het Openbaar Ministerie de kaarten voor de borst houdt door nog geen dossier te verstrekken.

In de fiscale strafrechtpraktijk komt het regelmatig voor dat het Openbaar Ministerie of de FIOD in de eerste fase van een onderzoek terughoudend is met het verstrekken van processtukken of informatie. Zolang het onduidelijk is waar de verdenkingen precies over gaan is het in de meeste gevallen onmogelijk om een verdachte te adviseren over al dan niet een verklaring afleggen. Een beroep op het zwijgrecht ligt dan in de rede. Zodra duidelijk is waar de verdenkingen op zien kan altijd nog een verklaring worden afgelegd. Veel cliënten willen bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium van een strafrechtelijke procedure een verklaring afleggen. Helaas laat het justitiële apparaat dit niet altijd toe door processtukken (onnodig) lang achter te houden.

Als het dossier eenmaal is verstrekt, kan de constatering zijn dat er onvoldoende bewijs is dat wijst op de betrokkenheid van de verdachte bij een misdrijf. Een beroep op het zwijgrecht ligt dan voor de hand omdat een verdachte niet kan worden veroordeeld als niet is voldaan aan de bewijsminima (waaronder de regel: één getuige is géén getuige).

‘Kameleon aanpak’

 Een nauwkeurig omschreven handleiding voor een (fiscale) strafzaak bestaat niet. Elke procedure blijft maatwerk. Er is geen hoofdregel waaruit volgt wanneer een verdachte er goed aan doet te verklaren of niet. De verdediging moet in staat zijn zich als een ware kameleon te gedragen. Dit kan inhouden dat de verdedigingsstrategie gedurende het proces van kleur verschiet. Los van het feit dat het een recht is van een verdachte om niet te verklaren, dient het advies aan een cliënt om zich te beroepen op het zwijgrecht met gepaste terughoudendheid te worden gegeven. Belangrijk is dat er een risicoanalyse ten grondslag ligt aan de keuze om te zwijgen, waarbij het belang van cliënt voorop staat. Hieronder geef ik antwoord op een aantal veel gestelde vragen in de (fiscale) strafrechtpraktijk:

F.A.Q. het zwijgrecht in het fiscale strafrecht:

  1. Kan het zwijgrecht meewerken aan het bewijs?
  2. Hoe verhoudt een verdenking van witwassen zich tot het zwijgrecht?
  3. Hoe zit het met een leugenachtige verklaring?
  4. Werkt een bekennende verklaring in mijn voordeel?
  5. Moet een rechter mij waarschuwen over eventuele consequenties van het gebruik van het zwijgrecht.
  6. Welke (eventuele) negatieve consequenties zijn verbonden aan het zwijgrecht?

1) Kan het zwijgrecht meewerken aan het bewijs?

Een beroep op het zwijgrecht kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Dit betekent dat het zwijgrecht bijvoorbeeld niet als een opvulling voor een ‘gat’ in het bewijs kan dienen. Wel is het toegestaan dat een rechter de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of antwoord te geven in zijn bewijsmotivering mag betrekken.

Let op: er zijn gevallen denkbaar waarin het zwijgen van de verdachte een niet langer houdbare positie is. In een situatie die schreeuwt om een verklaring van de verdachte kan een rechter het zwijgen van een verdachte als steunbewijs meenemen. Voorwaarde is wel dat het een zaak betreft die bewijsrechtelijk rond is.[1]

2) Hoe verhoudt een verdenking van witwassen zich tot het zwijgrecht?

Niet-betaalde belasting als gevolg van belastingfraude levert een voordeel uit misdrijf op dat op zijn beurt weer kan worden witgewassen. Bij een verdenking van witwassen is het raadzaam om terughoudend om te gaan met het zwijgrecht. In witwaszaken is een actieve opstelling van de verdediging vereist op het moment dat de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Een verdachte moet bij voorkeur in een zo vroeg mogelijk stadium een concrete en verifieerbare herkomst aandragen, die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Op het Openbaar Ministerie rust vervolgens de taak deze verklaring (alternatief scenario) nader te onderzoeken. Als het openbaar ministerie/FIOD nalaat het alternatieve scenario te onderzoeken kan dit leiden tot vrijspraak. Het kan dus van belang zijn om in een zo vroeg mogelijk stadium een alternatieve verklaring te geven voor de herkomst van vermogensbestanddelen (geldbedragen, onroerend goed etc.). Belangrijk is dat u uw (voorlopige) verdedigingsstrategie bij een verdenking van belastingfraude en witwassen altijd met een gespecialiseerde advocaat bespreekt.

3) Hoe zit het met een leugenachtige verklaring?

Het afleggen van een kennelijke leugenachtige verklaring kan als bewijs tegen de verdachte worden gebruikt. Voorwaarde is wel dat de leugen valt af te leiden uit een ander bewijsmiddel dan de verklaring van de verdachte zelf. Daarnaast kan een rechter een kennelijke leugenachtige verklaring alleen bij de bewijsvoering gebruiken als de verklaring is afgelegd om de waarheid te verbloemen. Hierbij is van belang met welk doel de waarheid niet is verteld. Het kan namelijk zijn dat een verdachte met een ander doel dan het verzwijgen van een delict de waarheid niet heeft verteld.

4) Werkt een bekennende verklaring in mijn voordeel?

Bij de strafoplegging kan de rechter rekening houden met de proceshouding van de verdachte. De proceshouding kan (al dan niet in beperkte mate) een rol spelen bij het bepalen van de strafmaat. In het voordeel van een verdachte willen rechters soms rekening houden met de omstandigheid dat openheid van zaken is gegeven en volledige medewerking aan het onderzoek is verleend.

5) Moet een rechter mij waarschuwen over eventuele consequenties van het gebruik van het zwijgrecht.

Een rechter hoeft geen waarschuwing te geven voor de eventuele gevolgen van het niet geven van een redelijke verklaring. Als een verdachte besluit zich te beroepen op zijn zwijgrecht en geen ontlastende omstandigheden aanvoert, komt dit voor rekening en risico van de verdachte. Een rechter is niet gehouden de verdachte te waarschuwen voor de eventuele gevolgen hiervan.

6) Welke (eventuele) negatieve consequenties zijn verbonden aan het zwijgrecht?

  1. Het gebruik van het zwijgrecht kan onder omstandigheden straf verhogend werken;
  2. Als geen verklaring wordt gegeven of geen alternatief scenario wordt geboden omdat een beroep wordt gedaan op het zwijgrecht, kan dit de opvatting versterken dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd;
  3. Het komt voor dat onderzoekswensen worden afgewezen of verweren worden verworpen omdat een verdachte geen antwoord geeft op vragen van de rechter;
  4. Het risico bestaat dat verweren minder geloofwaardig overkomen op het moment dat pas in een later stadium een verklaring wordt afgelegd;
  5. Als een strafzaak eindigt in een vrijspraak bestaat de mogelijkheid om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. Het gebruikmaken van het zwijgrecht komt voor rekening en risico van de verzoeker. Het kan dus zijn dat er geen schadevergoeding wordt toegekend.

Meer weten? Lees ook:

  • onze verhoortips voor verdachten
  • onze handleiding voor als de FIOD bij u op de stoep staat.
  • een artikel over (fiscaal) witwasssen door mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma (advocaat-belastingkundige)

Mr. K.M.T. (Kim) Helwegen 

[1] EHRM 8 februari 1996, (John Murray/UK) (par. 51) en EHRM 18 maart 2010, (Krumpholz/Oostenrijk)

 

UBS inkeerders: verweert u tegen hoge boetes en strafvervolging

De eerste lading UBS-inkeerders ontvangt een dezer dagen een (concept‑)vaststellingsovereenkomst en staat voor de keuze: slikken of terugbijten? Conform het interne beleid bevat het ‘voorstel’ van de fiscus een verhoogde boete van 40% en 100%. Die boeteverhoging is niet terecht en kan een venijnig staartje krijgen. De kwalificatie ‘geen inkeer’ betekent namelijk niet alleen een hogere boete, maar ook de theoretische mogelijkheid dat tot strafvervolging voor belastingfraude en/of witwassen wordt overgegaan. Bovendien geldt dan geen boetevrijstelling (zoals bij inkeer) over de laatste twee jaren. Het is dus zaak om na te gaan of in uw geval echt sprake zou zijn van een te late inkeer en zo nee, u te verweren tegen deze onterechte kwalificatie – met alle gevolgen van dien.

Man hiding under laptop

Wanneer is een UBS-er echt te laat?

Een inkeer is te laat als iemand weet of (objectief gezien) moet vermoeden dat de fiscus op de hoogte is of zal komen van eerdere onjuiste aangiften. Er moet dus een duidelijke en objectief aan te wijzen reden zijn op grond waarvan iemand die wetenschap zou moeten hebben. Zolang de serieuze mogelijkheid bestaat dat de fiscus iemand niet op het spoor zal raken, is een inkeer nog op tijd. Een voorbeeld van een situatie waarin inkeer niet meer mogelijk is, is wanneer iemand van de fiscus een brief heeft ontvangen waarin op basis van concrete aanwijzingen wordt gevraagd om informatie over zijn of haar buitenlandse vermogen of buitenlandse creditcard op te geven.

De angst regeert (niet)

Of iemand zelf (‘subjectief’) bang is dat de fiscus hem of haar uiteindelijk zal achterhalen, doet er niet toe. Dat de meeste inkeerders de hete adem van de onvrijwillige ontdekking voelen en juist daarom zichzelf melden, betekent nog niet dat deze meldingen te laat zijn om als inkeer te kwalificeren. Een melding is pas te laat als de fiscus u evident al op het spoor is – er ligt bijvoorbeeld al een vragenbrief – of als dit nog maar een kwestie van tijd is.

Zolang er geen informatie voorhanden is maar uitsluitend de angst regeert omdat – bijvoorbeeld – een rekening wordt aangehouden bij een grote bank in Zwitserland of een constructie is opgezet via Panama (of andere ‘belastingparadijzen’), dan is de ‘objectieve wetenschap’ onvoldoende concreet. Het is dan nog niet ‘te laat’ voor de inkeerfaciliteiten.

Om twee redenen konden – en kunnen UBS-ers nog steeds – tijdig inkeren:

  1. Het bestaan van de ‘UBS-brief’ is niet aangetoond.
  2. De gevraagde informatie mag verdragsrechtelijk niet worden verstrekt.

* 1. Het bestaan van de ‘UBS-brief’ is niet aangetoond

De fiscus baseert de conclusie dat inkeer niet meer mogelijk zou zijn, op een brief die veel UBS-ers naar aanleiding van het Nederlandse groepsverzoek hebben ontvangen. De Belastingdienst beschikt over de (geanonimiseerde) brief waaruit blijkt dat de UBS bank haar klanten op 16 september 2015 heeft geïnformeerd. Vele (maar niet alle) rekeninghouders die onder de criteria van het groepsverzoek (oftewel fishing expedition) vallen – kortweg: een saldo van minimaal €1.500 in 2013 of 2014 – hebben van de UBS een waarschuwingsbrief gehad. Gecombineerd met alle publiciteit hierover moesten alle UBS-ers vermoeden dat we hen op het spoor zouden komen dus is hun inkeer te laat, aldus de fiscus. In voorkomende gevallen kan deze brief in Zwitserland worden opgevraagd, zo wordt opgemerkt in het ‘Memo ViB – Groepsverzoek Zwitserland (UBS) berichtgeving in de media (geen inkeer).

Nu de fiscus de kwalificatie van wel of geen tijdige inkeer baseert op het (in elk individuele geval) ontvangen van deze UBS-brief, valt met het ontbreken van bewijs hiervoor de bodem onder de verhoogde boete weg. Geen UBS-brief betekent dan eenvoudigweg dat (ook volgens de Belastingdienst) wel tijdig is ingekeerd. De fiscus ‘dreigt’ echter om, wanneer de brief niet desgevraagd wordt verstrekt, deze in Zwitserland op te vragen. Dat geen verplichting bestaat om de brief vrijwillig te verstrekken volgt uit het boetebelang waarvoor de fiscus deze wil hebben: de brief dient uitsluitend om de hoogte van de boete te bepalen.

De kans dat de Belastingdienst deze brieven desgevraagd ontvangt en voor de boete mag gebruiken, kan laag worden ingeschat. De reden hiervoor is dat het Zwitserse verdrag uitwisseling voor fiscale doeleinden wel toelaat, maar niet voor ‘punitieve’ doeleneinden. In gewoon Nederlands: wel voor de heffing maar niet voor fiscale beboeting of strafrechtelijke vervolging van belastingfraude. Als de fiscus de brief dus al in handen krijgt – en gelet op de Zwitserse uitspraak inzake het Nederlandse groepsverzoek (zie hierna) is die kans aanzienlijk kleiner – dan mag die informatie niet voor beboetingsdoeleinden worden gebruikt. Met andere woorden: de inspecteur heeft er niets aan en moet de inkeer tocht nog als als ‘tijdig’ aanmerken.

* 2. De gevraagde informatie mag verdragsrechtelijk niet worden verstrekt  

Ook wie de ‘UBS-brief’ heeft ontvangen kan nog inkeren, aangezien hij of zij toen (ten tijde van de inkeer) of nu (met de kennis van dit moment of wanneer alsnog zou worden ingekeerd) niet hoeft te vermoeden dat fiscus hem uit eigen beweging op het spoor zou raken. Ten tijde van de UBS-brief en media-aandacht nadien bestond al grote twijfel of de gevraagde informatie op basis van het Nederlandse groepsverzoek door de Zwitserse fiscus zou mogen worden verstrekt.

De Zwitserse wet stond (en staat) verstrekking van de gevraagde informatie niet toe, zodat de verstrekking van een (deel van) die informatie die heeft plaatsgevonden niet toelaatbaar was. Gelet daarop hoefden UBS-ers volstrekt niet te verwachten dat de feitelijke verstrekking van een (deel) van de gevraagde gegevens door de Zwitserse daadwerkelijk zou plaatsvinden. Inmiddels heeft ook de Zwitserse rechter de informatieverstrekking ontoelaatbaar geoordeeld. Dat betekent dat ook nu nog geenszins vaststaat dat de Nederlandse fiscus alle gevraagde gegevens van UBS-ers ook daadwerkelijk zal verkrijgen en hen los van de inkeer zelf op het spoor zou kunnen raken – integendeel. Wie nog geen vragenbrief heeft ontvangen van de Belastingdienst zou dus zelfs nu nog kunnen inkeren.

Het losse eindje: inkeerjaren tot 2010

In het gepubliceerde boetebeleid wordt als rafel onderkend de vraag of (nog steeds) boetevrij kan worden ingekeerd over jaren tot 2010.

De vraag is of, omdat tot 2010 ‘gratis’ – want geheel zonder boete – kon worden ingekeerd, dit nu nog steeds geldt voor die jaren:

“Stelt een adviseur bijvoorbeeld dat geen boete opgelegd kan worden voor die jaren waarin de aangifte is ingediend voor 2 juli 2009 (oude inkeerregeling) omschrijf dit dan duidelijk zodat uitsluitend in discussie is of een boete mag worden opgelegd. Oordeelt de rechter dat dit kan, dan is de hoogte van de boete niet in geschil. Kan geen boete worden opgelegd, dan komt deze geheel te vervallen.”

 Het standpunt kan worden ingenomen dat vanwege de toenmalige mogelijkheden, inkeer over jaren tot en met 2009 ook nu nog boetevrij zouden (moeten) zijn. Deze wijziging kan namelijk als ‘strafverzwaring’ worden gezien, die – als de boete toch geldt over de ‘oude’ jaren – met terugwerkende kracht zou zijn ingevoerd. En terugwerkende kracht bij strafverhoging is niet toegestaan. Dat de inkeerregeling wel degelijk als strafbepaling kwalificeert, heeft de Hoge Raad al in 2001 een spiegelbeeldige situatie bepaald. Rechtbank Haarlem oordeelde hierover in 2013 dat het verbod op terugwerkende kracht van boetebepalingen inderdaad aan boetes over jaren tot 2010 in de weg staat. Het vervolg van die procedure – en daarmee een definitief antwoord – is echter ‘gestrand’ door de tijdelijke herinvoering van boetevrij inkeren tot 1 juli 2014.

De inspecteur gaat er (uiteraard) niet zomaar in mee als dit standpunt wordt ingenomen, maar een voorbehoud om dit punt aan de rechter voor te leggen is uitdrukkelijk wel mogelijk.

De praktijk

Op grond van het interne boetebeleid [@link naar WOB VIB, zie hierboven] legt elke inspecteur aan de UBS-inkeerder verhoogde boetes op. Deze boete bedraagt 40% voor aangiften gedaan voor 1 juli 2009 en 100% voor latere aangiften. De reden voor het verschil tussen oudere en nieuwere jaren is de verhoging van het maximum per diezelfde datum van 100% naar 300%. Omdat bij ‘opzet’ ten aanzien van de eerdere onjuiste aangiften als hoofdregel 50% boete wordt opgelegd, zou het raar zijn om een zelfmelder een hogere boete op te leggen. De ‘korting’ die UBS-ers krijgen (40% en 100% in plaats van 50% en 150%) is gebaseerd op de ‘strafmatigende omstandigheid’ dat het buitenlandse vermogen alsnog zelf is gemeld.

In dit boetebeleid ten aanzien van UBS-ers wordt overigens (terecht) geen onderscheid gemaakt tussen degenen die de extra straf wel of niet accepteren, met andere woorden of iemand vrijwillig instemt of afwacht welke informatie de fiscus nog uit Zwitserland krijgt.

 De gevaren

Het gevolg van een te late inkeer is niet alleen dat hogere boetes kunnen worden opgelegd, maar ook dat de boetevrijstelling voor de laatste 2 jaren komt te vervallen. Die vrijstelling is namelijk gekoppeld aan de kwalificatie ‘(tijdige) inkeer’ (artikel 67n AWR).

Als de belangen groot genoeg zijn bestaat het risico dat de UBS-zelfmelder (niet-inkeerder) niet fiscaal wordt beboet maar strafrechtelijk wordt vervolgd. Als alle aanslagen met boetes zijn opgelegd, is de strafrechtelijke route op grond van ‘una via’ voor dat deel afgesneden. Una via houdt in dat een feit (hier: opzettelijk onjuiste aangiften doen) kan worden bestraft via bestuursrecht óf strafrecht, niet allebei. Maar ook dan zou nog afzonderlijk voor witwassen kunnen worden vervolgd.

Omdat niet-betaalde belasting in deze situatie een voordeel uit een misdrijf is, kan een belastingfraudeur zich namelijk al snel schuldig maken aan witwassen – bijvoorbeeld door zijn geld uit te geven. Ook nadat de fiscale aanslagen met hoge boetes zijn opgelegd, kan daardoor in grotere gevallen worden besloten daarnaast te vervolgen voor witwassen. Met alle onzekerheden, reputatieschade en kosten van dien.

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Het risico van voordeelsontneming uit verjaarde (fiscale) misdrijven

Waar liggen de grenzen van ontneming voor ‘andere feiten’ dan waarvoor iemand wordt veroordeeld? Als geld ‘zwart’ is verdiend is snel sprake van witwassen, wat voortduurt zolang het geld er is. Omdat ook kan worden afgepakt voor willekeurige andere feiten dan waar de veroordeling op is gebaseerd, zijn de risico’s vrijwel eindeloos. Als het gaat om fiscale strafbare feiten, dan is de hoofdregel dat ontnemen niet kan omdat de fiscus zelf genoeg mogelijkheden heeft. Bij verjaarde feiten en fiscale feiten is de vraag wat nog wel kan worden ontnomen, en wat niet meer.

istock_000012703170xsmall-time-is-money

Afpakken voor andere feiten

Na een veroordeling voor een willekeurig strafbaar feit, dus niet alleen misdrijven maar ook overtredingen, kan voordeel dat daarmee is verdiend worden ontnomen. Als sprake is van voldoende aanwijzingen dat daarnaast andere zwaardere misdrijven  zijn gepleegd, dan kan ook voordeel uit die andere feiten worden afgepakt. De categorie ‘zwaar’ houdt in dat een boete van de ‘5e categorie’ kan worden opgelegd, op dit moment € 81.000. Fiscale feiten vallen veelal in die categorie. Voordeel uit lichtere strafbare  feiten kan ook worden afgepakt als deze zijn gepleegd vanaf 1 juli 2011.

Verjaring

De meeste strafbare feiten in Nederland verjaren na verloop van tijd. Voor misdrijven zoals belastingfraude en witwassen is de verjaringstermijn 12 jaar. Als de vervolging niet voor het verlopen van de termijn is begonnen, dan kan een verdachte niet meer worden vervolgd voor dat feit. Witwassen gaat, omdat het voortgezette handelingen zijn, door zolang het crimineel verdiende geld of goed er nog is. Daardoor is verjaring bijna uitgesloten.

Het oorspronkelijke strafbare feit waarmee het geld is verdiend – bijvoorbeeld het doen van een valse belastingaangifte – verjaart echter in de tussentijd. Dat betekent dat veroordeling voor die aangifte niet meer mogelijk is, en daarvoor dus geen boete of andere straf meer kan worden opgelegd. Vanwege de gedachte achter het ‘leerstuk verjaring’ (het moet op een gegeven ogenblik afgelopen zijn), zou logischerwijs de ontneming voor verjaarde feiten dus ook zijn uitgesloten..

Toch geen verjaring?

..of toch niet? Ontneming is volgens de Hoge Raad ook mogelijk voor feiten die allang zijn verjaard. Dat het afpakken van verdiend geld als straf (of ‘penalty‘) wordt ervaren is geen discussiepunt. Het kan hierbij ook gaan om geld dat niet langer in het bezit is van de veroordeelde.

Bij de invoering van de mogelijkheid om ook voor andere feiten af te pakken dan waarvoor iemand daadwerkelijk is veroordeeld, stelt de parlementaire geschiedenis dat overdrijving door ‘financiële archeologie’ niet de bedoeling is. Destijds werd ook niet gevreesd dat het openbaar ministerie naar het verre verleden zou kijken om antieke voordelen alsnog af te pakken. Een wettelijke waarborg tegen overdrijving zou daarom niet nodig zijn.

Helaas ontbreekt een expliciete opmerking dat na verjaring (uiteraard) bestraffing en dus ook afpakken niet meer mogelijk is. Omdat de wet echter óók niet zegt dat ondanks verjaring een uitzondering wordt gemaakt voor deze vermogenssanctie, zou ontneming voor verjaarde feiten uitgesloten moeten zijn. De Hoge Raad denkt hier tot dusverre anders over.

Antieke fiscale feiten

De bevoegdheden van de belastingdienst om alsnog belastingaanslagen op te leggen, verjaart veelal na 5 jaar, in bepaalde buitenlandse situaties na 12 jaar. De vergaande ontnemingsmogelijkheden betekenen echter een groot risico dat via die weg alsnog, over een oneindig verleden, belasting kan worden ‘geheven’. Dit gaat dus nog verder dan de Edelweiss-route, door mijn kantoorgenote Marloes Lammers ook wel aangeduid als rupsje nooitgenoeg.

In veel ontnemingszaken wordt niet gekeken naar wat er met welk strafbaar feit verdiend is, maar wordt vastgesteld dat de veroordeelde vermogen heeft dat hij niet ‘legaal’ kan verklaren. In zo’n geval is niet één-op-één aan te wijzen welk deel nog wel en welk deel niet zou kunnen worden ontnomen.

In andere gevallen kan op basis van de feiten concreet worden berekend wat als ‘zwart’ geld kan worden ontnomen. Als bekend is welk inkomen en vermogen een veroordeelde in een bepaald jaar heeft gehad, kan immers eenvoudig worden berekend wat hierover aan belasting had moeten worden betaald. Of hij of zij dit geld nog steeds heeft, doet er in dat geval niet toe.

Fiscale archeologie

Dit maakt het risico op fiscale archeologie groot. Het bewijs is bovendien makkelijker te construeren dan voor de veroordeling zelf. Volstaan kan worden met ‘voldoende aanwijzingen’ dat het feit (de opzettelijk onjuiste aangifte) is gepleegd. Twee wettelijke vereisten maken het archeologische risico iets beperkter:

  • (zuivere) fiscale feiten
  • niet-opzettelijke fiscale feiten

Zuiver fiscaal

Omdat de fiscus zijn eigen vergaande mogelijkheden heeft om belastingschulden vast te stellen en te incasseren, is voor fiscale strafbare feiten geen ontneming mogelijk. Er is wel een ‘maar’: de weg van de ontneming is alleen afgesloten als het voordeel volledig fiscaal van aard is. Met name als het gaat om verkregen voordelen uit diverse feiten die op één hoop worden gegooid, is het risico groot dat het niet meer ‘zuiver’ fiscaal is. Daarbij wordt een ‘zuiver’ fiscale dagvaarding tegenwoordig ‘besmeurd’ door tevens ‘witwassen’ ten laste te leggen. Eén rechtbank oordeelde nog wel dat de doorslag geeft of, door het ontbreken van een onjuiste aangifte, de grond onder alle andere (witwas‑)verwijten als een kaartenhuis zou instorten. Is dat het geval, dan is de verdenking in essentie zuiver fiscaal, aldus rechtbank Den Haag [1].

Niet opzettelijk

Als inkomsten en vermogens bekend zijn en de systemen vertellen dat dit niet in een belastingaangifte is aangegeven, dan staat het fiscale voordeel vast. Om dit voordeel ook te kunnen afpakken is echter nog iets meer nodig. Vast moet staan dat een onjuiste aangifte is gedaan. Een onjuiste aangifte is bovendien pas een misdrijf als deze opzettelijk onjuist is gedaan. Zonder bewijs van opzet bestaat geen strafbaar feit, zodat het voordeel hieruit ‘voor zover’ niet meetelt. Dat voordeel kan dus niet worden ontnomen.

Inkeer

Het alsnog opgeven van belastbare inkomsten en vermogens voorkomt strafrechtelijk vervolging voor het doen of gebruikmaken van eerdere (opzettelijk) onjuiste aangiften. Het openbaar ministerie zal in dat geval niet ontvankelijk worden verklaard. De Minister heeft ook toegezegd dat – mits er geen sprake is van andere strafbare feiten waaruit het inkomen of vermogen afkomstig is – na inkeer ook geen vervolging voor witwassen zal worden ingesteld. Dit zou dan bovendien het ontnemen van voordeel uit verjaarde fiscale delicten voorkomen.

Tot slot

Als een opzettelijk onjuiste aangifte is gedaan en daarmee ‘zwart’ geld is verdiend, dan kan sprake zijn van witwassen. De risico’s dat vervolgens belastingvoordelen via de strafrechtelijke in plaats van de ‘gewone’ fiscale weg worden afgepakt, worden steeds groter. Dit is van groot belang omdat verjaring van een strafbaar feit veroordeling en bestraffing onmogelijk maakt, maar ontneming hier doorheen kan glippen.

Voor fiscale feiten geldt nog een uitzondering. Zeker wanneer één-op-één kan worden aangewezen welk voordeel met welk feit is verdiend, kan een zuiver fiscaal voordeel op grond van de wet niet via de strafrechtelijke ontneming worden afgepakt. Bovendien zal er bewijs moeten zijn niet alleen dat een onjuiste aangifte is gedaan, maar ook dat dat opzettelijk onjuiste is gedaan. De praktijk leert helaas dat dergelijke gevallen steeds theoretischer worden. Ook over belastingjaren die zowel fiscaal als strafrechtelijk allang verjaard zijn, kan op deze manier toch worden voordeelsontneming plaatsvinden.

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Gerelateerde blogs:

Plukken en belasten leidt tot dubbel gepakt!

* Plukken via een omweg leidt tot dubbel gepakt?

* De jacht op “zwarte” debet- en creditcards

* De Edelweissroute met rupsje nooitgenoeg…een rupsje dat altijd honger heeft

* Inkeren vóór 1 juli 2015 voor de helft van de prijs

Noot:

[1] Rechtbank Den Haag 21 januari 2014, RK 13/3477, niet gepubliceerd

Richtlijn Strafvordering Witwassen en LOVS oriëntatiepunten: het verschil tussen eisen en bestraffen

Richtlijn Strafvordering Witwassen

Sinds gisteren is de richtlijn voor Strafvordering Witwassen in werking getreden. Deze richtlijn geeft Officieren van Justitie en Advocaten-Generaal een leidraad om in witwaszaken hun strafeis vast te stellen. Op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde is het Openbaar Ministerie gebonden aan deze richtlijn. Omdat de richtlijn ook is gepubliceerd, bezit deze rechtskracht en kunnen bijvoorbeeld verdachten er rechten aan ontlenen.

LOVS oriëntatiepunten

Of verdachten zich snel op deze richtlijn zullen beroepen is nog maar zeer de vraag. Sinds enkele jaren publiceert het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) ook al zijn beleid in de vorm van ‘oriëntatiepunten voor straftoemeting’ om in fraudezaken te komen tot een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Net als in de oriëntatiepunten van het LOVS wordt in de witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie voor het bepalen van de straf(eis) aansluiting gezocht bij het ‘benadelingsbedrag’/het witgewassen bedrag. De frauderichtlijn van het LOVS (waarop overigens sinds de introductie al kritiek op is omdat deze flink aan de maat is) is milder dan de nieuwe witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie.

Categorieën daders

Voordat ik hierop verder inga, allereerst het positieve van de witwasrichtlijn. Anders dan de oriëntatiepunten van de rechtbanken en de gerechtshoven wordt in de richtlijn van het Openbaar Ministerie bij de iets omvangrijkere zaken (met een witwasbedrag van meer dan € 25.000) een onderscheid gemaakt naar categorieën van daders. Door middel van een drietal categorieën onderscheidt het Openbaar Ministerie ‘witwasondersteuners’ (zoals de ‘geldezel’ die voor anderen contant geld naar het buitenland smokkelt, de eenvoudige katvanger en bijvoorbeeld iemand die zijn bankpas ter beschikking stelt) van personen die voor zichzelf handelen om hun eigen criminele vermogen te witwassen, respectievelijk van de ‘facilitator’ die op professionele basis en in de regel voor riante vergoedingen geld witwast voor anderen.

Hoewel het maken van een dergelijk onderscheid is toe te juichen, is het verontrustend om te zien dat de strafeisen voor deze verschillende categorieën daders, en dan vooral de eerste en tweede categorie, niet zo heel erg veel van elkaar verschillen. Dit heeft ermee te maken dat voor de eerste ‘zwakke’ categorie van ‘witwasondersteuners’ de strafeis lineair blijft toenemen naarmate het witgewassen bedrag hoger wordt: vanaf € 100.000 witgewassen geld stelt de nieuwe witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie dat de strafeis met elke toename van € 50.000 met twee maanden moet worden verhoogd.

Dit is vreemd. Immers, eenvoudige katvangers of personen die hun bankpas ter beschikking stellen, hebben in de regel weinig tot geen invloed op de hoogte van het witgewassen bedrag dat door hun vingers glijdt en zullen hiervan in veel gevallen geen notie hebben. De hoogte van het witgewassen bedrag zou daarom, anders dan nu in de witwasrichtlijn van het Openbaar Ministerie is verwoord, geen of althans slechts een zeer beperkte strafverhogende invloed mogen hebben. Het is rechtvaardiger om bij het vaststellen van de straf van ‘witwasondersteuners’ voor de door hen verrichte strafbare handelingen als uitgangspunt een vaste straf te nemen en de omvang van het witgewassen bedrag geen, althans een zeer beperkte invloed te laten hebben.

Zo lineair als de strafeis hoger wordt bij de ‘witwasondersteuners’ naarmate het witgewassen bedrag groter is, zo onbegrijpelijk is de strafverhoging voor de tweede categorie. Iemand die zijn eigen criminele vermogen witwast door hiervan bijvoorbeeld goederen te kopen, ziet met elke € 50.000 die hij hierdoor witwast, de strafeis met één tot vier maanden toenemen. Waarom de ene toename van het witwasbedrag wordt ‘afgestraft’ met een strafeis die één maand hoger is en de andere even zo grote toename met een verhoging van de strafeis met vier maanden is volslagen onduidelijk. Hetzelfde geldt voor de derde categorie van de ‘facilitators’.

Strafeis

Het onderstaande grafiekje laat verder zien dat de strafeis, zoals deze volgens de nieuwe witwasrichtlijn door het Openbaar Ministerie moet worden geformuleerd, met name in de omvangrijkere witwaszaken veel hoger uitvalt dan rechters op basis van hun richtlijnen kunnen opleggen. grafiekZeker indien als uitgangspunt moet worden genomen dat het vertrekpunt van de discussie in raadkamer moet liggen bij de minst zware bestraffing zoals deze uit de oriëntatiepunten naar voren komt[1], valt het op dat vooral bij zaken waarin een relatief groot bedrag is witgewassen, het Openbaar Ministerie op basis van de nieuwe richtlijn meer zal moeten eisen dan rechters volgens hun richtlijn zouden moeten opleggen.

Verdediging in witwaszaken 

De verdediging zal in de toekomst in witwaszaken vaak moeten aanvoeren dat de richtlijn waarop het openbaar ministerie zich zal (moeten) beroepen, ‘slechts’ een richtlijn van het Openbaar Ministerie zelf is. Zeker in zoverre de richtlijn van het Openbaar Ministerie de oriëntatiepunten van het LOVS overstijgt, moet worden aangevoerd dat deze nieuwe richtlijnen zinledig zijn. Dat het Openbaar Ministerie in de toekomst bij het formuleren van de eis in witwaszaken nog hoger zal inzetten dan nu al het geval is, heeft mogelijk wel tot gevolg dat rechters en raadsheren minder snel van hun beoordelingsvrijheid gebruik maken om tot een milder vonnis te komen dan de oriëntatiepunten voorstellen.

[1] Prof. mr. M.S. Groenhuijsen en prof. mr. T. Kooijmans: bestraffing in Nederland en België, pre-advies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Strafrecht 2013, p. 79.

Handhavend Nederland groeit en werkt samen; belastingfraudeurs harder aangepakt

Staatssecretaris van Financiën Wiebes mocht afgelopen week het goede nieuws brengen: door de vernieuwde fraudeaanpak van de belastingdienst is er al € 250 miljoen opgespoord. De investering van € 160 miljoen in onder andere extra controleurs en effectievere opsporingsmethoden heeft hiermee nu al zijn vruchten afgeworpen.

In de komende jaren zal naar verwachting een stijgende lijn te zien blijven; aanpak van toeslagenfraude, doeltreffende witwasbestrijding en de verlengde navorderingstermijn in de Algemene Wet Rijksbelastingen zullen leiden tot positieve gevolgen voor de schatkist.

Behalve de interne verbetering bij de belastingdienst, is ook de samenwerking tussen de belastingdienst, de FIOD en het OM effectiever geworden. Samen treden zij op in de aanpak van criminele fiscale dienstverleners. Deze malafide belastingadviseurs doen vaak onjuiste aangiften en fingeren aftrekposten voor (onwetende) derden. De (onwetende) derde wordt overigens wel geconfronteerd met een terug te betalen bedrag en soms een boete.

Lees hier: OM, FIOD en Belastingdienst pakken belastingfraudeurs samen aan

Mr. Megan van der Linde is verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundigen. Jaeger voert voor haar cliënten alle procedures over belastingen, onder meer over fiscale fraude.