Aantasting van box 3 boetes via artikel 1 EP

De Hoge Raad heeft op 20 december jl. een arrest gewezen over de gevolgen van een pleitbaar standpunt inzake de strijdigheid van een bepaalde heffing (in deze zaak de ‘crisisheffing’) met het in artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) neergelegde recht op ongestoord genot van eigendom, voor de mogelijkheid om een boete op te leggen. Dit arrest van de Hoge Raad biedt in mijn opinie kansen voor zaken waarin wordt aangevoerd dat de vermogensrendementsheffing in een bepaald jaar in strijd kwam met het eigendomsrecht – en daarover boetes zijn opgelegd.

Het geschil over de crisisheffing

Aan de belanghebbende (hierna: ‘de werkgever’) werd een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd ter zake van deze ‘crisisheffing’. Daarbij werd ook een verzuimboete opgelegd wegens het niet (tijdig) betalen van de heffing.  De werkgever stelde zich op het standpunt dat de boete ten onrechte was opgelegd omdat zij ten tijde van het doen van aangifte ‘kon en mocht menen’ dat de crisisheffing in strijd was met het in artikel 1 EP en zij de bijzondere heffing daarom niet hoefde te betalen.

De ‘crisisheffing’ maakte deel uit van een pakket aan maatregelen dat werd ingevoerd om extra belastinginkomsten te genereren en daarmee het begrotingstekort van de staat als gevolg van de economische crisis te verkleinen. De regeling hield in dat werkgevers over het loon van werknemers boven € 150.000 in 2013 een extra heffing van 16% moesten betalen. De maatregel werd op 25 mei 2012 aangekondigd en trad in juli van dat jaar in werking. Alhoewel werkgevers de heffing in 2013 verschuldigd waren, werd het loon over 2012 als uitgangspunt genomen. Dit betekende dat de regeling terugwerkende kracht had tot vóór de aankondiging. In de maanden januari tot en met april had nog niemand rekening kunnen houden met die verrassingsheffing.

Eerder concludeerde A-G Niessen in deze zaak dat het standpunt van de werkgever in objectieve zin pleitbaar was, tot het arrest van de Hoge Raad van 2016. Het standpunt van de werkgever luidde dat op het moment waarop zij verplicht was tot het doen van aangifte, de heffing in strijd was met artikel 1 EP zover deze terugwerkende kracht had (de periode van 1 januari tot 25 mei 2012). De A-G concludeert daarom dat de boete moet worden beperkt tot de naheffing vanaf 25 mei 2012. In zijn arrest van 20 december jl. volgt de Hoge Raad de conclusie van de A-G.

Vermogensrendementsheffing en pleitbaar standpunt

Met het arrest van de Hoge Raad in de hand kan de vraag worden gesteld of in zaken waarin geen of te weinig vermogen is verantwoord in box 3 en bij de navordering daarvan boetes zijn opgelegd, eveneens een beroep kan worden gedaan op een objectief pleitbaar standpunt waardoor beboeting niet meer aan de orde komt.

Jarenlang staat namelijk al ter discussie of het forfaitaire rendement van 4% in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom uit artikel 1 EP. Het staat immers vast dat een rendement van 4% over een lange reeks van jaren (2001 tot en met 2012) voor particuliere beleggers niet haalbaar was zonder aanzienlijke beleggingsrisico’s te nemen. Dat heeft geleid tot een massaal bezwaarprocedure. Ook is onder politieke druk de wijze van berekening van de vermogensrendementsheffing met ingang van 2017 ingrijpend gewijzigd, zodat beter zou worden aangesloten bij de rendementen die door belastingbetalers in eerdere jaren gemiddeld zijn behaald.[1]

De vervolgvraag die in het kader van dit blog moet worden gesteld is dan ook of, en zo ja wanneer, het pleitbaar is dat het fictieve rendement van 4% van de vermogensrendementsheffing in een betreffend jaar in strijd was met artikel 1 EP. Als dat pleitbaar was, kan het niet aangeven van vermogensbestanddelen in box 3 mogelijk niet worden beboet.

Vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd met artikel 1 EP

In de massaal bezwaarprocedure was in geschil of de vermogensrendementsheffing van box 3 in de jaren 2013 en 2014 op stelselniveau in strijd was met artikel 1 EP. Met strijd op stelselniveau wordt bedoeld dat de vraag moet worden beantwoord of het destijds door de wetgever in het forfaitaire stelsel van box 3 voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor de jaren 2013 en 2014 niet meer haalbaar was zonder dat belastingplichtigen daar (veel) risico voor hoefden te nemen. Daarnaast is vereist dat belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de vermogensrendementsheffing van 1,2% (30% heffing over 4% forfaitair rendement) het in de jaren 2013 en 2014 zonder veel risico te behalen rendement overtrof (in de massaal bezwaarprocedure werd niet geprocedeerd over andere jaren). Bij de bepaling van dat ‘risicoarme’ rendement moet worden uitgegaan van de gemiddelde rente op Nederlandse staatsobligaties en op spaarrekeningen en (termijn)deposito’s bij banken als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht.

De Hoge Raad acht voor de beoordeling of een belegging als ‘risicoarm’ kan worden aangemerkt doorslaggevend of de inlegger in beginsel voor de nominale waarde tot een te investeren bedrag gerechtigd blijft. De Hoge Raad is van oordeel dat voor 2013 en 2014 het rendement van 4% niet meer haalbaar was voor belastingplichtigen zonder (veel) risico te nemen. Ten aanzien van de vereiste buitensporig zware last in box 3 onthield de Hoge Raad zich van een oordeel.  Een schending op stelselniveau schept een rechtstekort waarin de rechter niet kan voorzien, omdat de opheffing van dat tekort politieke keuzes vergt, aldus de Hoge Raad. De rechter kan alleen ingrijpen als de individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last (het geval van de man die zijn hele vermogen in SNS-aandelen belegde).

Nu de Hoge Raad de conclusie van A-G Niessen heeft gevolgd, kan een belastingplichtige die vermogen heeft verzwegen zich tot 14 juni 2019 (uitspraakdatum van het arrest in de massaal bezwaarprocedure) mogelijk met succes op een objectief pleitbaar standpunt beroepen, voor zover een boete in box 3 in het geding is. Voor zo’n beroep gelden de volgende voorwaarden:

  1. Het betreft een jaar waarin het forfaitaire rendement van 4% voor belastingplichtigen niet meer haalbaar was zonder daar (veel) risico voor te nemen,
  2. In dat jaar was het nominaal zonder veel risico’s gemiddeld haalbare rendement lager dan 1,2%.

Indien de twee hiervoor vermelde voorwaarden vervuld is immers sprake van een schending van artikel 1 EP op stelselniveau. Een individuele belastingplichtige neemt dan ter zake van de heffing en de daarmee samenhangende boete een pleitbaar standpunt in, als hij meent bij zo’n schending geen vermogensrendementsheffing verschuldigd te zijn en daarom geen aangifte te hoeven doen van zijn box 3 bezittingen en schulden. Dat de Hoge Raad, in staatsrechtelijke zuiverheid, het rechtstekort niet zou opheffen, dat hoefde de belastingplichtige tot de uitspraak van het betreffende arrest niet te voorzien. Dus tot de datum van het arrest waarin de Raad terugtrad ten behoeve van de wetgever, kon hij pleitbaar menen in zoverre geen aangifte te hoeven doen van box 3 vermogen. Een boete kan dan niet worden opgelegd omdat de daarvoor vereiste opzet of grove schuld op het niet of te weinig betalen van belasting ontbreekt.

Het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, wat zich voordoet bij het opzettelijk verzwijgen van vermogen, lijkt strijdig met een kernelement van het pleitbaar standpunt namelijk dat men kon en mocht menen dat dit standpunt juist was. De objectieve werking van de pleitbaarheidsleer leidt er echter toe dat de subjectieve wil of bedoeling van de belastingplichtige niet ter zake doet. Het gaat erom of het voor de belastingplichtige – achteraf bezien – ten tijde van de verplichting tot het doen van aangifte redelijkerwijs verdedigbaar was om zijn vermogen niet aan te geven.

Conclusie

Nu de conclusie van A-G Niessen in de zaak over de ‘crisisheffing’ door de Hoge Raad wordt gevolgd, biedt dit kansen voor zaken waarin bij de navordering van niet aangeven vermogen tevens boetes zijn opgelegd. Met name als kan worden gesteld dat de vermogensrendementsheffing in een bepaald jaar op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP, is een beroep op een pleitbaar standpunt kansrijk. Dat standpunt houdt in dat wegens de strijd met artikel 1 EP geen heffing in box 3 kan plaatsvinden. En waar geen heffing kan plaatsvinden, behoeft geen aangifte te worden gedaan. Gelet op de arresten van de Hoge Raad inzake de massaal bezwaarprocedure kan dit standpunt in ieder geval worden ingenomen tegen boetes over box 3 voor de jaren 2013 en 2014. Voor andere jaren is dit ook mogelijk indien wordt geoordeeld dat het veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is gebleken en belastingplichtigen zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Dat is het geval als het toepasselijke tarief van 1,2%, het in die jaren zonder veel risico te behalen rendement overtrof.



[1] Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 3.

Boetevrij inkeren: de laatste ronde

door Igor Thijssen

Al meer dan twaalfhonderd zwartspaarders hebben hun vermogen opgebiecht bij de belastingdienst. Tot 1 juli 2014 is er een tijdelijke mogelijkheid om boetevrij in te keren. Daarna gaat de boete omhoog naar 30% en een jaar later zelfs naar 60%.

Uit een persbericht van 8 november 2013 blijkt dat dit jaar al 1272 zwartspaarders hun verzwegen vermogen hebben opgebiecht bij de belastingdienst. De Staatssecretaris meldt daarover het volgende:

De tijdelijke versoepeling van de inkeerregeling is succesvol. Het geeft de mensen net dat laatste zetje om zich te melden bij de Belastingdienst.”

Deze tijdelijke regeling voorziet in de mogelijkheid om tot 1 juli 2014 boetevrij in te keren. Daarna gaat de boete omhoog naar 30%. Per 1 juli 2015 gaat de boete nog verder omhoog naar 60%. De vraag is of deze tijdelijke versoepeling de doorslaggevende reden is voor zwartspaarders om in 2013 massaal in te keren.

Vaak hebben vele zwartspaarders al tientallen jaren de beschikking over een verzwegen buitenlandse bank- en effectenrekening, veelal in Zwitserland, Oostenrijk of Luxemburg. Daar heeft men in een ver verleden spaargelden gestald, soms om zwarte inkomsten uit het zicht te houden of vermogen te verbergen voor een ex-echtgenoot, maar vaak ook omdat men destijds (vóór 2001) de belastingdruk op vermogen te hoog vond. Naast 0,7% vermogensbelasting over de omvang van het vermogen, was inkomstenbelasting verschuldigd over de daaruit genoten inkomsten tegen een progressief tarief van maximaal 60%. In 2001 is de belastingdruk op vermogen verlaagd door afschaffing van de vermogensbelasting en invoering van de vermogensrendementsheffing (box III). De facto is sinds 2001 nog slechts een percentage van 1,2% inkomstenbelasting verschuldigd over het (verzwegen) vermogen en zijn er sinds 2001 minder (tariefsmatige) redenen om nog vermogen in het buitenland te stallen en te verzwijgen. Gezien de lange navorderingstermijn van twaalf jaren voor buitenlandse vermogens (Artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen), zijn zwartspaarders niet direct in 2001 ingekeerd. De (calculerende) zwartspaarders hebben vanwege deze navorderingstermijn veelal 12 jaren gewacht om uiteindelijk pas in 2013 in te keren. Overigens wordt de navorderingstermijn van twaalf jaren verlengd in het geval destijds uitstel is verkregen voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting (2000), zodat de verwachting is dat sommige zwartspaarders nog tot 2014 wachten met inkeren om er zeker van te zijn dat zij enkel 1,2% vermogensrendementsheffing verschuldigd zijn over de jaren 2001 tot en met 2013.

Een andere reden dat zwartspaarders vanaf 2013 massaal zijn gaan inkeren, heeft te maken het feit dat het bankgeheim in Zwitserland, Oostenrijk en Luxemburg niet meer is wat het ooit was. Los van de belastingverdragen tot informatieuitwisseling die Nederland heeft gesloten met landen zoals Zwitserland, Oostenrijk en Luxemburg, reikt de Nederlandse staat steeds vaker tipgelden uit aan personen (voormalige bankmedewerkers) die gegevens verstrekken over Nederlandse rekeninghouders. Nu de pakkans aanzienlijk is toegenomen, keren veel zwartspaarders in om te voorkomen dat ze tegen de lamp lopen. Naast deze verhoging van de pakkans, is ook de strafmaat voor zwartspaarders enorm verhoogd. De maximale boetes voor zwartspaarders zijn sinds 2010 verhoogd van 100% naar 300% over de alsnog verschuldigde belasting. En bij strafrechtelijke vervolging wordt al vrij snel (vanaf een fraudebedrag van € 10.000) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De verhoging van zowel de pakkans als de strafmaat zorgen ervoor dat zwartspaarders eerder dan voorheen eieren voor hun geld kiezen en overgaan tot het vrijwillig verbetering van hun eerder ingediende belastingaangiften.

Tenslotte doen sinds kort ook de buitenlandse (veelal Zwitserse) banken een duit in het zakje door hun zwartsparende rekeninghouders te verplichten om de betreffende tegoeden alsnog te verantwoorden aan de Belastingdienst. Wanneer een rekeninghouder weigert om in te keren, wordt de bankrekening opgeheven en staat de voormalige rekeninghouder met een contant geldbedrag op straat. Hoewel de genoemde redenen er reeds toe leidden dat zwartspaarders massaal zijn gaan inkeren, trok de Staatssecretaris de twijfelaars op 2 september 2013 over de streep door de tijdelijke mogelijkheid te introduceren om boetevrij in te kunnen keren. Was daarvoor nog een (beperkte) boete van 30% verschuldigd door de zwartspaarder die tot inkeer kwam, thans is inkeer tot 1 juli 2014 mogelijk zonder boete. Aldus is het voor zwartspaarders bijzonder aantrekkelijk en goedkoop om vóór 1 juli 2014 in te keren. De Staatsecretaris heeft ooit gemeld dat een percentage van 30% tot 40% heffing over het gemiddelde vermogen bij inkeer gebruikelijk is, maar sinds 2013 is in de meeste gevallen slechts 12 (jaren) x 1,2% over het gemiddelde vermogen aan inkomstenbelasting verschuldigd. Daarnaast is nog een bedrag aan (heffings)rente verschuldigd, hetgeen in totaal zal neerkomen op een percentage van ongeveer 15% – 20% van het verzwegen banktegoed.

Het bedrag dat als gevolg van een vrijwillige verbetering  verschuldigd is, kan evenwel veel hoger worden in het geval het zwarte vermogen erfrechtelijk is verkregen. Met ingang van 1 januari 2012 is in artikel 66, lid 3, van de Successiewet 1956 een bepaling opgenomen als gevolg waarvan de navorderingsbevoegdheid ten aanzien van erfbelasting over buitenlands vermogen niet vervalt. Er is niet voorzien in overgangsrecht hetgeen zou kunnen betekenen dat thans nog successierecht kan worden nagevorderd over een in een ver verleden erfrechtelijk verkregen buitenlands vermogen. Dit geldt mogelijk ook in de gevallen waarin onder de oude regeling navordering van successierecht niet meer mogelijk was vanwege het verstrijken van de toentertijd geldende navorderingstermijn. De vraag is of het openbreken van een reeds afgeronde rechtspositie zich wel verhoudt met onder meer het rechtszekerheidsbeginsel dat (impliciet) is opgenomen in artikel 1, Eerste Protocol, van het EVRM. Het antwoord op deze vraag zal over een aantal jaren ongetwijfeld worden beantwoord door de Hoge Raad en/of het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar tot die tijd dient een inkeerder voorzichtigheidshalve rekening te houden met de omstandigheid dat over zeer oude erfenissen thans nog een aanzienlijk bedrag aan successierecht verschuldigd kan zijn.

Het is belangrijk dat het inkeertraject zorgvuldig, discreet en op de juiste manier begeleid wordt. Daarmee kan beboeting of bestraffing worden voorkomen. De verschuldigde belastingen worden op die manier zoveel mogelijk beperkt.

Ons kantoor heeft zich gespecialiseerd in het succesvol begeleiden van inkeerders. Wij nemen de onderhandelingen over en sturen zoveel mogelijk aan op een voordelige en praktische oplossing met de belastingdienst. Deze bestaat er in de meeste gevallen uit bestaat dat met de betreffende inspecteur een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten waarin alle facetten van de inkeer zijn geregeld.

Hebt u vragen over de inkeerregeling of onze werkwijze? Neem vrijblijvend contact op voor meer informatie.

Tot 1 juli 2014 geen boete bij inkeer

door Igor Thijssen

Vanaf 2 september 2013 kunnen zwartspaarders gebruik maken van een tijdelijk versoepelde inkeerregeling. Was eerder nog een boete van 30% verschuldigd door de zwartspaarder die tot inkeer kwam, thans is inkeer tot 1 juli 2014 mogelijk zonder boete. Deze versoepeling geldt ook voor inkeerverzoeken die vóór 2 september 2013 zijn ingediend, maar waarvan de boetebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat.

Vanaf 1 juli 2014 tot 1 juli 2015 herleeft de boete van 30% bij inkeer. Na 1 juli 2015 wordt de inkeerregeling verder aangescherpt en geldt een boete van 60% van de verschuldigde belasting.

De inkeerregeling wordt tijdelijk versoepeld omdat er een nieuw heffingssysteem komt voor de inkomstenbelasting. De regels voor belastingplichtigen die geen of onjuiste aangifte indienen en hun (binnenlandse en/of buitenlands) vermogen blijven verzwijgen, worden echter strenger. Zij kunnen nog 12 jaar worden aangeslagen voor verzwegen inkomen en vermogen en worden geconfronteerd met hogere boetes. In de aanloop naar dit nieuwe heffingssysteem krijgen zwartspaarders de kans om tijdelijk schoon schip te maken zonder geconfronteerd te worden met een vergrijpboete.

Klik hier om direct door te gaan naar het betreffende nieuwsbericht van het Ministerie van Financiën (Besluit van 2 september 2013, nr. BLK2013/509M).

Wat kan Jaeger advocaten-belastingkundigen voor u doen?

Jaeger advocaten-belastingkundigen heeft bijzonder veel ervaring en deskundigheid in het begeleiden van belastingplichtigen die een beroep willen doen op de inkeerregeling. Het is ook mogelijk om op voorhand informatie te verkrijgen over de financiële gevolgen van de inkeer. Onze begeleiding zorgt ervoor dat de inkeer zo voordelig en geruisloos mogelijk plaatsvindt.

Voor meer informatie kunt u vrijblijvend contact opnemen met Igor Thijssen (020 676 04 81).

Vanaf 2 september 2013 kunnen zwartspaarders gebruik maken van een tijdelijk versoepelde inkeerregeling. Was eerder nog een boete van 30% verschuldigd door de zwartspaarder die tot inkeer kwam, thans is inkeer tot 1 juli 2014 mogelijk zonder boete. Deze versoepeling geldt ook voor inkeerverzoeken die vóór 2 september 2013 zijn ingediend, maar waarvan de boetebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat.

Vanaf 1 juli 2014 tot 1 juli 2015 herleeft de boete van 30% bij inkeer. Na 1 juli 2015 wordt de inkeerregeling verder aangescherpt en geldt een boete van 60% van de verschuldigde belasting.

De inkeerregeling wordt tijdelijk versoepeld omdat er een nieuw heffingssysteem komt voor de inkomstenbelasting. De regels voor belastingplichtigen die geen of onjuiste aangifte indienen en hun (binnenlandse en/of buitenlands) vermogen blijven verzwijgen, worden echter strenger. Zij kunnen nog 12 jaar worden aangeslagen voor verzwegen inkomen en vermogen en worden geconfronteerd met hogere boetes. In de aanloop naar dit nieuwe heffingssysteem krijgen zwartspaarders de kans om tijdelijk schoon schip te maken zonder geconfronteerd te worden met een vergrijpboete.

Klik hier om direct door te gaan naar het betreffende nieuwsbericht van het Ministerie van Financiën (Besluit van 2 september 2013, nr. BLK2013/509M).

Wat kan Jaeger advocaten-belastingkundigen voor u doen?

Jaeger advocaten-belastingkundigen heeft bijzonder veel ervaring en deskundigheid in het begeleiden van belastingplichtigen die een beroep willen doen op de inkeerregeling. Het is ook mogelijk om op voorhand informatie te verkrijgen over de financiële gevolgen van de inkeer. Onze begeleiding zorgt ervoor dat de inkeer zo voordelig en geruisloos mogelijk plaatsvindt.

Voor meer informatie kunt u vrijblijvend contact opnemen met Igor Thijssen (020 676 04 81).