Fiscale boete ter behoud van rechten niet mogelijk

Regelmatig worden aanslagen opgelegd ‘ter behoud van rechten’. Dat betekent dat de inspecteur een aanslag oplegt naar een geschat bedrag. De achtergrond daarvan is dat in die gevallen niet helemaal duidelijk is hoe hoog de aanslag precies moet zijn. Soms komt dat omdat het onderzoek nog niet is afgerond terwijl het eind van de termijn om de aanslag op te kunnen leggen in zicht is. In andere gevallen wordt het opleggen van een geschatte aanslag gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de belastingplichtige geen duidelijkheid verschaft over de feiten terwijl hij daartoe wel in staat wordt geacht. In deze blog zet ik uiteen dat een fiscale boete niet ter behoud van rechten kan worden opgelegd. Daarnaast pleit ik voor korting op een vergrijpboete naar mate onzekerheid bestaat over de grondslag van de hoogte daarvan (de belastingaanslag).

Dubbel heffen toegestaan

In een arrest uit 2012 oordeelde de Hoge Raad dat de inspecteur ter behoud van rechten aanslagen mocht opleggen aan twee broers – allebei voor het volle pond – die geen duidelijkheid hadden verschaft over de vraag wie voor welk deel gerechtigd was tot het vermogen op een buitenlandse bankrekening. De klacht dat dit tot dubbele heffing leidt is in een arrest uit 2013 gepareerd met de opmerking dat in een civiele procedure kan worden aangevoerd dat niet meer dan 100% van de belasting mag worden ingevorderd. Dubbel heffen mag dus, dubbel invorderen niet. Na een arrest van het gerechtshof in Den Haag van vorig jaar kan overigens worden getwijfeld of de civiele route dan inderdaad uitkomst biedt. In die zaak oordeelde het hof dat het een ‘loterij zonder nieten’ zou zijn om na fiscale procedures – waarin geen openheid van zaken was gegeven – alsnog bij de civiele rechter vermindering van de aanslagen te krijgen. Hoe dan ook, hierna ga ik in op fiscale vergrijpboetes. 

Inspecteur moet vergrijp aantonen

Uitgangspunt bij de beoordeling van fiscale boetes is dat de inspecteur ‘beyond a reasonble doubt’ moet bewijzen dat het vergrijp is begaan. Er wordt ook wel gezegd dat de inspecteur moet ‘aantonen’ dat het vergrijp is begaan. Bijvoorbeeld dat het aan de opzet van de belastingplichtige is te wijten dat te weinig belasting is betaald. Problematisch daarbij is dat voor de hoogte van de boete wordt aangesloten bij de hoogte van de aanslag, die slechts ‘aannemelijk’ hoeft te zijn. De strengere maatstaf geldt dus alleen voor de het feit dát te weinig belasting is betaald en niet voor de vraag hoeveel te weinig belasting is betaald. Dat vind ik vreemd omdat de juist de hoogte van de boete voor een belangrijk deel bepalend is voor de impact die een boete heeft.

Onzekerheid over aanslag verdisconteren in de boete

Wel toetst de rechter of een vergrijpboete ‘passend en geboden’ is. Dit is een uitvloeisel van de verplichting ex artikel 6 EVRM dat de rechter de hoogte van een boete integraal toetst op evenredigheid in het specifiek geval. De ernst van het feit; recidive; de draagkracht van de betrokkene en de overige persoonlijke omstandigheden spelen daarbij een rol. Ook houdt de rechter bij het beoordelen van een boete rekening met de eventuele omstandigheid dat de aanslag is vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast. Ik pleit ervoor dat er bij het beoordelen van de hoogte van een boete eveneens rekening moet worden gehouden met het feit dat de grondslag van de boete (de aanslag) niet is aangetoond, maar slechts aannemelijk is gemaakt. Dat zou betekenen dat de boete lager uitpakt naar mate de onzekerheid over de juistheid van de aanslag.

Dragend bewijs moet zijn geleverd

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in 2015 dat een bestuursorgaan het dragend bewijs van een overtreding uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar rond dient te hebben. Aanvullend bewijs mag in de beroepsfase nog worden geleverd. In het algemene bestuursrecht is een boete ter behoud van rechten in beginsel dus mogelijk. De boete is immers aan de uitspraak op bezwaar voorafgegaan. Ik meen dat de deze soepele jurisprudentie niet geldt voor de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur kan namelijk op grond van het derde lid van artikel 67e AWR tot zes maanden na het verstrijken van de navorderingstermijn nog een boete opleggen. Dit mag, mits de inspecteur pas tegen het einde van de termijn op de hoogte raakte van de boetewaardige feiten en hij de belastingplichtige bij het opleggen van de aanslag waarschuwt dat er nog een boete kan volgen. Deze verlengde boetetermijn is in de wet gekomen om te voorkomen dat de inspecteur zonder goed onderzoek te doen, onder tijdsdruk, een boete oplegt. Het rauwelijks opleggen van een boete is dus niet mogelijk omdat de inspecteur dan te weinig ‘heeft’ om de boete te onderbouwen. Dat een fiscale boete niet ter behoud van rechten kan worden opgelegd is ook logisch omdat van een boeteling niet wordt verwacht dat hij (alsnog) openheid van zaken geeft over eventueel boetewaardig gedrag. Hij hoeft immers niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling, ook niet als het om een boete gaat. Voor de belastingheffing geldt wel een vergaande plicht om vragen van de inspecteur te beantwoorden.

Dubbel beboeten kan niet

Dat een boete niet ter behoud van rechten kan worden opgelegd komt naar voren in een recente uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarin komt de rechtbank eerst tot de conclusie dat de inspecteur het voordeel uit illegale handel volledig bij zowel belanghebbende als diens compagnon mocht belasten (de aanslag ter behoud van rechten, omdat belanghebbende geen inzicht gaf in de onderlinge verdeling). Voor de boete acht de rechtbank de inspecteur “er in geslaagd om aannemelijk te maken dat aan hem 50% van het totale voordeel is toegekomen, maar onvoldoende heeft bewezen dat dit meer is geweest.” Ik ben kritisch op deze benadering van de rechtbank. Als onvoldoende duidelijk is welke bedragen iemand niet heeft aangegeven, zeker als de mogelijkheid bestaat dat dit om weinig tot niets gaat, dan dient de onzekerheid daarover voor risico van de inspecteur te komen. Het gevolg daarvan is dat geen boete kan worden opgelegd.

Nader rapport bestuurlijke boetestelsels

Tot slot besteed ik nog aandacht aan het nader rapport bestuurlijke boetestelsels van Minister van Justitie van 26 april 2018. Dat nadere rapport is een reactie van op het een advies van de Raad van State aan de Minister over bestuurlijke boetes uit 2015. In dat rapport constateert de Minister dat “de maatschappelijke discussie zich vooral toespitst op het gebrek aan evenredigheid in de hoogte van (bepaalde) bestuurlijke boetes.” Om het draagvlak voor bestuurlijke boetes bij te sturen, stelt de Minister voor in de Algemene Wet bestuursrecht te verankeren dat een maximale bestuurlijke boete in ieder geval niet hoger kan zijn dan de maximale financiële strafbedreiging in het strafrecht voor overtreding van dezelfde norm. Ook is de Minister van plan bestaande boetestelsels waarvan de boetemaxima niet aansluiten op de strafrechtelijke boetecategorieën aan te passen. De Minister lijkt daarbij wel gelijk een voorbehoud te maken voor het belastingrecht: daarvoor geldt nu eenmaal dat de hoogte van de boete is gekoppeld aan de hoogte van het belastingnadeel. Die omstandigheid kan juist zorgen voor onevenredige hoge boetes. De vraag is ook of die analyse juist is.  Om weg te blijven van fiscaal technische beoordelingen leggen strafrechters regelmatig afgeronde bedragen op als boete die niet in verhouding staan tot het belastingnadeel. De praktijk leert daarom dat een fiscale fraudeur qua op te leggen boete in de regel beter de strafrechter kan treffen dan de inspecteur van de Belastingdienst. Wat mij betreft is de afweging fiscale vergrijpboetes niet te gaan hervormen mede daarom een gemiste kans.

Conclusie

Een fiscale boete kan niet, zoals een belastingaanslag, ter behoud van rechten worden opgelegd. De inspecteur moet eerst goed onderzoek doen en heeft daar zelfs een verlengde termijn voor – mocht de tijd te krap zijn om de boete tegelijkertijd met de aanslag op te leggen. Een fiscale vergrijpboete kan worden opgelegd als het bijvoorbeeld buiten redelijke twijfel staat dat iemand opzettelijk een te lage aangifte heeft ingediend. Vervolgens moet worden beoordeeld hoe hoog die boete dan moet zijn. Voor de hoogte van een fiscale boete wordt aangesloten bij de hoogte van de aanslag. Dat wringt omdat de juistheid van de aanslag slechts aannemelijk hoeft te zijn. Het zwaardere bewijscriterium voor het opleggen van een boete wordt daardoor grotendeels tenietgedaan. Naar mijn mening zou de belastingrechter bij het beoordelen van de hoogte van de boete rekening moeten houden met eventuele onzekerheid over de hoogte van de aanslag. Wat mij betreft zou dit aspect moeten worden meegenomen bij de evaluatie van het bestuursrechtelijke boetestelsel.

Zie ook:

mr. N. (Nick) van den Hoek

Zwart loon? Anoniementarief en brutering: niet voor de boete

Als blijkt dat een ondernemer zwart loon heeft uitbetaald, dan past de inspecteur in de regel het anoniementarief toe en bruteert hij het bedrag aan belasting. Het anoniementarief is een fictie, namelijk dat ervan moet worden uitgegaan dat de anonieme werknemers in de hoogste tariefschalen van de loonbelasting vallen. Bij brutering wordt ervan uitgegaan dat de ondernemer de loonbelasting voor zijn rekening neemt (waarover ook weer loonbelasting verschuldigd is). Hierdoor kan een verviervoudiging van het bedrag aan belasting optreden. In dit blog wordt besproken dat de voor de boete niet kan worden aangesloten bij het bedrag aan belasting dat op basis het anoniementarief is berekend of is gebruteerd.

Anoniementarief

Het belastingrecht kent verschillende wetsficties om de materieel verschuldigde belasting te bepalen in het geval formaliteiten niet zijn nageleefd. Een bekend voorbeeld hiervan is het anoniementarief. De belasting die een ondernemer over het loon van een onvoldoende geïdentificeerde werknemer moet afdragen, is in in veel gevallen substantieel hoger dan de belasting die hij bij correcte identificatie had moeten afdragen. In een bekritistieerd arrest uit 1996 heeft de Hoge Raad bepaald dat het anoniementarief eveneens van toepassing is in gevallen waarin geen sprake is van anoniemen, maar waarbij is nagelaten te administreren wat eenieder heeft ontvangen. Daar staat tegenover dat een dergelijke op een wetsfictie gebaseerde heffing niet mag worden gebruikt voor het opleggen van fiscale boetes.

Wetsfictie niet voor de grondslag van de boete

Dat de grondslag voor bestraffing niet kan worden gebaseerd op een met behulp van een wetsfictie bepaald bedrag is door de Hoge Raad onder meer bepaald in een arrest van 7 november 2014. In die zaak was de beboeting gebaseerd op een met het anoniementarief vergelijkbare wetsfictie, namelijk de zesmaandsfictie. De zesmaandsfictie regelt dat in het geval anoniemen werkzaam zijn in een onderzocht bedrijf, er voor de heffing vanuit mag worden gegaan dat deze anoniemen daar reeds zes maanden werkzaam zijn. De Hoge Raad heeft de toepassing van deze fictie voor de beboeting afgewezen. De Hoge Raad overwoog als volgt:

2.3.6. De zesmaandsfictie van artikel 30a Wet LB 1964 heeft dan ook niet tot gevolg dat zonder nadere bewijsvoering door de inspecteur kan worden aangenomen dat de inhoudingsplichtige het beboetbare feit van artikel 67f AWR heeft begaan met betrekking tot alle aangiftetijdvakken die zijn gelegen in de door die bepaling bedoelde periode van zes maanden. Een andere opvatting zou ook niet verenigbaar zijn met het door artikel 6, lid 2, EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld (…). De rechtspraak van het EHRM over die verdragsbepaling laat weliswaar de mogelijkheid open dat bij het bewijs van een beboetbaar feit binnen redelijke grenzen gebruik wordt gemaakt van (wettelijke) vermoedens, maar uit de enkele vaststelling dat een persoon bij de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking is en niet in de loonadministratie is opgenomen, vloeit geen vermoeden voort op grond waarvan bij gebreke van (overtuigend) tegenbewijs redelijkerwijs mag worden aangenomen dat die situatie al ten minste zes maanden bestaat.”

Boete slechts ‘voor zover’ opzet of grove schuld

Daarnaast heeft de Hoge Raad in een arrest van 4 januari 2013 geoordeeld dat voor het bepalen van de boetegrondslag niet moet worden aangesloten bij het bedrag van de aanslag, maar het bedrag waar de opzet of de grove schuld van de boeteling op gericht was. In die zaak was na het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting – conform aangifte – een boekenonderzoek ingesteld. In de loop van dat onderzoek deed de belanghebbende een ‘herziene aangifte’, waarin hij – anders dan in de oorspronkelijke aangifte – melding maakte van winst uit onderneming en waarin hij aanspraak maakte op zelfstandigenaftrek. De inspecteur vorderde vervolgens het in de ‘herziene aangifte’ vermelde bedrag aan winst uit onderneming na, zonder toepassing van de zelfstandigenaftrek. Ook had de inspecteur een vergrijpboete opgelegd over het gehele nagevorderde bedrag. Hof Amsterdam oordeelde dat de boetegrondslag moest worden verminderd met het bedrag aan zelfstandigenaftrek. De Hoge Raad oordeelde hierover als volgt:

3.3.2. Met zijn hiervoor in 3.3.1 weergegeven overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het (voorwaardelijk) opzet dat belanghebbende bij het doen van zijn hiervoor in 3.1.1 genoemde aangifte had, slechts was gericht op het ontgaan van belastingheffing over de door hem genoten winst uit onderneming verminderd met het bedrag van de zelfstandigenaftrek en niet tevens op het ontgaan van belastingheffing over het bedrag aan winst dat correspondeerde met het bedrag van de zelfstandigenaftrek.

Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel faalt derhalve.”

Uit dit arrest volgt dat voor het bepalen van de hoogte van de boete niet moet worden aangesloten bij het bedrag van de aanslag, maar bij het bedrag waar het opzet op gericht was. Het opzet van een vermeend frauderende ondernemer is niet gericht op de toepassing van het anoniementarief of brutering, maar op het ontgaan van de enkelvoudige belasting tegen het geldende tarief. Dit betekent dat de inspecteur voor de boete moet nagaan welk bedrag aan loonbelasting verschuldigd zou zijn als de ondernemer in zijn optiek wel juiste aangiften loonbelasting zou hebben gedaan.

Conclusie

De toepassing van het anoniementarief en brutering leidt in de regel tot een veel hoger bedrag aan belasting dan in werkelijkheid verschuldigd is. Voor de heffing van de belasting lijkt deze ‘overkill’ te worden geaccepteerd vanuit de gedachte dat niet-compliant gedrag moet worden bestraft. Bij het opleggen van fiscale boetes mag daarentegen niet worden aangesloten bij het bedrag aan belasting dat is berekend met behulp van een fictie zoals het anoniementarief of is gebruteerd.

Mr. N. van den Hoek

 

 

Gerelateerd

Is het in fiscale zaken horen van de anonieme getuige mogelijk of toch niet?

In de ‘tipgeverszaak’ leek de Hoge Raad ruimte te bieden om in een fiscale zaak een getuige (de tipgever) op anonieme basis te horen. Ik gebruik met opzet het woord ‘leek’ omdat de Hoge Raad op 24 november 2017 vrij resoluut oordeelt dat die mogelijkheid wettelijk niet bestaat en de Hoge Raad zich ook niet geroepen voelt om die ruimte te gaan bieden. De Hoge Raad oordeelt dat als het horen van anonieme getuigen noodzakelijk is, het aan de wetgever is om die ruimte te creëren. Mijns inziens een onnodig formalistisch standpunt. Waarbij bovendien van belang is dat het in deze zaak niet zo zeer gaat om de anonimiteit van de getuige, maar veel meer over het bewijs dat een belastingplichtige wil leveren en dat niet lukt omdat de getuigen niet met naam en toenaam willen verklaren. Daarover in deze blog meer.

Hoge Raad over anonieme getuige

In het belastingrecht kennen we de vrije bewijsleer. Dat betekent dat een belastingplichtige of een inspecteur met alle mogelijke middelen bewijs kan leveren voor zijn of haar standpunt. Daarbij kun je denken aan het verstrekken van overeenkomsten, akten, agenda’s, etc. maar een andere mogelijkheid is om een getuige een mondelinge of schriftelijke verklaring af te laten leggen over de feiten. De vraag die daarbij kan worden gesteld is of die getuige in het belastingrecht ook anoniem zijn verklaring kan afleggen. De Hoge Raad heeft daarover vrij recent een oordeel geveld (Hoge Raad 24 november 2017, nr. 16/04810, ECLI:NL:HR:2017:2986). Kort gezegd oordeelt de Hoge Raad dat de belastingrechter niet de mogelijkheid heeft om getuigen anoniem te horen, dat het aan de wetgever is om daarin verandering aan te brengen en dat als de wetgever dat dan doet deze mogelijkheid sterk moet zijn begrensd conform de in Nederland geldende regels.

Met dit antwoord benadert de Hoge Raad het geschil vrij formalistisch. Als er iets moet gebeuren op dit vlak, dan moet de wetgever dat maar doen is de gedachte van de Hoge Raad. Dat lijkt een kromme redenering omdat een van de taken van de Hoge Raad toch ook is om te zorgen voor rechtsbescherming. In het strafrecht heeft de Hoge Raad die handschoen ook opgepakt toen in dat rechtsgebied de vraag aan de orde kwam of getuigen op anonieme basis konden worden gehoord. Waarom dan nu in het belastingrecht niet?

Daarnaast vraag ik me af of we met het oordeel in deze zaak niet om de kern van het probleem heen draaien. Het echte probleem is dat bewijs beschikbaar is om het standpunt van de belastingplichtige te onderbouwen, maar dat hij dit bewijs niet boven tafel krijgt. De getuigen die de belastingplichtige kunnen helpen, willen dat nu niet doen omdat ze vrezen dan ook geconfronteerd te worden met naheffingsaanslagen. Ligt het dan niet meer voor de hand om te bezien hoe dit ontlastende bewijsmateriaal wel aan het dossier had kunnen worden toegevoegd? Had dit niet het uitgangspunt en dus het toetsingskader in cassatie moeten zijn?

Toetsingskader

Uit de cassatiemiddelen volgt dat de belastingplichtige uitdrukkelijk een bewijsaanbod heeft gedaan inhoudende het horen van (vertegenwoordigers van) bedrijven als getuigen. Deze bedrijven zouden in dezelfde omstandigheden verkeren als de belastingplichtige. Met het horen van deze bedrijven wil de belastingplichtige haar beroep op het gelijkheidsbeginsel onderbouwen. Ook is door de belastingplichtige expliciet aangegeven dat als ze de getuigen zelf zou oproepen, deze niet zullen verschijnen omdat deze bedrijven dan ernstig rekening moeten houden met naheffingsaanslagen en vergrijpboeten.

Het gerechtshof doet dit bewijsaanbod af met het korte oordeel dat de belastingplichtige de getuigen zelf maar had moeten meenemen naar de zitting. Daarmee oordeelt het gerechtshof weliswaar in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, nr. 38.831, ECLI:NL:HR:2017:AR7741 over een getuigenbewijsaanbod, maar gaat daarbij in feite volledig voorbij aan de kern van het standpunt van de belastingplichtige. De kern is dat de getuigen niet uit zichzelf zullen komen.

Het is ook de vraag of het oordeel van het gerechtshof wel in lijn is met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Gillissen (EHRM 15 maart 2016, n. 39966/09). Het EHRM oordeelde (r.o. 54) dat een rechter op grond van artikel 6 EVRM verplicht is om, na een adequaat bewijsaanbod, de daarin opgenomen getuigen op te roepen als daarmee te bewijzen feiten tot een andere beslissing zouden kunnen leiden.

De eerste stap in het oordeel van het gerechtshof had, mijns inziens, dus moeten zijn dat gelet op het adequate bewijsaanbod van de belastingplichtige de getuigen moeten worden opgeroepen. De vervolgstap is dan of deze getuigen op anonieme basis kunnen worden gehoord.

Dit onderscheid wordt door de Hoge Raad ook niet gemaakt aangezien die direct beoordeelt of het op anonieme basis horen van getuigen mogelijk is. Mogelijk is dit ingegeven door de ingediende cassatiemiddelen. Maar kort en krachtig zegt de Hoge Raad ‘dat kan niet’. Waar de Hoge Raad met enige regelmaat het heft in eigen hand neemt om de rechtsbescherming van een belastingplichtige te vergroten, laat de Hoge Raad dat in deze zaak liggen. De Hoge Raad vindt het op de weg van de wetgever liggen om een wettelijke basis aan te bieden voor het op anonieme basis horen van getuigen in belastingzaken.

De Hoge Raad wil zich op dit moment dus niet branden aan een oordeel, maar meent wel alvast handvaten c.q. uitgangspunten aan te moeten geven waarmee de wetgever rekening moet houden. Die handvaten/uitgangspunten zijn vrij eenvoudig naar voren te brengen aangezien in de jurisprudentie uit de strafrechtpraktijk al het nodige voortvloeit over ‘anonieme getuigen’. Het horen van anonieme getuigen in een strafzaak is mogelijk als met het oog op de af te leggen verklaring voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaaleconomische bestaan van die getuige of van een andere persoon moet worden gevreesd.

Daarbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat uit de jurisprudentie in het strafrecht volgt dat het horen van getuigen op anonieme basis niet alleen is voorbehouden aan overheidsinstanties. Bij de invoering van artikel 226a Sv. leek de wetgever er vanuit te gaan dat het verzoek om een getuige op anonieme basis te horen vooral door het Openbaar Ministerie zou worden gedaan. Het Openbaar Ministerie was dan ook vooral verbaasd dat in het onderzoek Passage door de verdediging een beroep werd gedaan op de toepassing van het op anonieme basis horen van een getuige. Desalniettemin heeft de rechtbank Amsterdam het verzoek van de verdediging gehonoreerd. Vertaal ik dit oordeel naar het belastingrecht dan betekent dit dat ook een belastingplichtige, als de wetgever de aanwijzing van de Hoge Raad ter harte neemt, een beroep kan doen op het op anonieme basis horen van een van zijn getuigen.

Nog opmerkelijker is dat de Hoge Raad in het arrest wel ‘even’ uitgaat van de ‘Stel dat-situatie’ in die zin stel dat het horen van ‘anonieme getuigen’ wel mogelijk was. In die, voor de Hoge Raad, hypothetische situatie oordeelt de Hoge Raad dat een confrontatie met naheffingsaanslagen en vergrijpboeten niet voldoet aan de criteria voor het horen als anonieme getuige. Een toelichting op dit oordeel geeft de Hoge Raad niet. Ondanks dat de Hoge Raad het hoogste rechtscollege in ons land is, vraag ik me af of dit oordeel wel correct is. Naheffingsaanslagen en vergrijpboeten kunnen dermate mythische proporties aannemen dat het niet onmogelijk is dat dat zij het sociaaleconomische bestaan van de (rechts)persoon kunnen ontwrichten. Uit de literatuur over artikel 226a Sv. volgt dat bij ontwrichting van het sociaaleconomische bestaan moet worden gedacht aan bijvoorbeeld vernieling of beschadiging van een bedrijf, kantoor of winkel of op stelselmatige intimidatie van clientèle dan wel op openbaarmaking van gegevens die een ontslag uit de dienstbetrekking tot gevolg kunnen hebben.

Niet duidelijk is hoe letterlijk ‘beschadiging van een bedrijf, kantoor of winkel’ moet worden genomen. Betekent dit alleen als daadwerkelijke schade aan het pand wordt verwacht of ook als de schade bestaat uit een faillissement van het bedrijf, het kantoor of de winkel omdat het de vastgestelde naheffingsaanslagen en vergrijpboeten niet kan betalen? Mijns inziens kan ook hierdoor het sociaaleconomische bestaan worden ontwricht en kan dit dus aanleiding zijn om een getuige op anonieme basis te horen.

Als de Hoge Raad zo’n duidelijke visie heeft op het op anonieme basis horen van getuigen in belastingzaken, waarom heeft de Hoge Raad er dan niet voor gekozen om zelf aan de slag te gaan in plaats van te wachten op de wetgever. Zoals gezegd is ook in het strafrecht eerst jurisprudentie verschenen over het horen van anonieme getuigen en is pas later daarvoor een wettelijke basis gecreëerd. Waarom dan nu niet?

Meten met twee maten?

Maar als we dit alles toch als uitgangspunt nemen. Hoe moeten we dan het oordeel van de Hoge Raad in de tipgeverszaak in dit kader plaatsen?

In het tipgeversarrest leek de Hoge Raad ruimte te bieden voor het horen van de tipgever op anonieme basis. In dit arrest wees de Hoge Raad namelijk op de toezegging van de inspecteur mee te willen werken aan een verhoor van de tipgever op een zodanige wijze dat zijn identiteit niet wordt onthuld. Deze toezegging heeft de Hoge Raad meegewogen in het oordeel in deze zaak. Daaruit zou je toch af kunnen leiden dat de tipgever als ‘anonieme getuige’ kon worden gehoord.

Aangezien de raadsheren in beide beslissingen van de Hoge Raad nagenoeg (1 verschil) dezelfde zijn, zou je kunnen zeggen dat de Hoge Raad die ruimte nooit heeft willen bieden en dat het meer ‘de wens is de vader van de gedachte is’ ofwel je gelooft iets omdat je graag wil dat het zo is.

Maar dat zou dan ook moeten betekenen dat in de tipgeverszaak de betreffende tipgever niet op anonieme basis mag worden gehoord. Dat biedt weer perspectief voor belastingplichtigen die worden geconfronteerd met deze en/of een andere tipgever. Als tot het horen van deze getuige wordt besloten, zal de identiteit van de tipgever moeten worden onthuld.

Conclusie

Op grond van de fiscale wet- en regelgeving kunnen partijen hun standpunten onderbouwen op basis van de vrije bewijsleer. Dat betekent dat partijen niet alleen schriftelijke stukken naar voren kunnen brengen, maar bijvoorbeeld ook verklaringen van getuigen. Thans loopt een discussie over de vraag of die getuigen in fiscale zaken ook op anonieme basis zouden moeten kunnen verklaren. De Hoge Raad is daarin vrij resoluut. De wet biedt daarvoor geen basis, dus het kan niet. Ook oordeelt de Hoge Raad dat als er wel een basis zou zijn, het dan nog niet kan omdat niet wordt voldaan aan de criteria voor een anonieme verklaring. Met die uitleg van de Hoge Raad ben ik het niet eens. Het gevaar dat een belastingaanslag wordt opgelegd naar aanleiding van een getuigenverklaring kan mijns inziens wel voldoen aan het criterium dat het sociaaleconomische bestaan van de getuige wordt ontwricht. Op dit punt zullen we de degens met de Hoge Raad dus moeten blijven kruisen.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers

 

 

 

Suppletieplicht van art. 10a AWR geldt ook voor accountants en adviseurs

Met enige regelmaat komt het voor dat een belastingplichtige na afloop van de aangifte- en betalingstermijn ontdekt dat hij te weinig omzetbelasting op aangifte heeft betaald. In het verleden deden veel belastingplichtigen vervolgens een zogenoemd suppletieaangifte met bijbehorende betaling om alsnog de verschuldigde omzetbelasting te voldoen. In het verleden werden suppletieaangifte op vrijwillige basis ingediend, maar sinds 1 januari 2012 is art. 10a AWR (en art. 15 Uitv. Besl. OB 1968) ingevoerd waarmee een suppletieplicht is gecreëerd op straffe van een vergrijpboete van maximaal 100% (ex art. 10a, lid 3, AWR).

Stressed and tired senior businessman leaning against office wall

Gezien het feit dat ook het ‘niet tijdig’ doen van een suppletieaangifte omzetbelasting als een beboetbare overtreding kan worden aangemerkt, is het de vraag wanneer nog sprake is van een tijdig ingediende suppletieaangifte. In de eerste drie leden van art. 15 Uitv. Besl. OB 1968 worden daarvoor namelijk verschillende tijdstippen genoemd. Het eerste en derde lid bepalen dat suppletie “zo spoedig mogelijk” moet worden gedaan zodra de belastingplichtige constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Het tweede lid bepaalt daarentegen dat suppletie moet worden gedaan voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de betreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Het tweede lid (dat gelijkenis vertoond met de inkeerbepaling van art. 67n AWR) is dus te beschouwen als het uiterste moment waarop een belastingplichtige nog kan worden voldaan aan de suppletieplicht.

De onjuistheid of onvolledigheid van een ingediende aangifte omzetbelasting komt veelal aan het licht bij het opmaken van de jaarrekening (uit de post ‘nog te betalen omzetbelasting’). Wanneer deze jaarrekening vervolgens wordt gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel of aan de fiscus wordt vertrekt bij de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting dan kan betoogd worden dat het vanaf dat moment niet meer mogelijk is om nog tijdig een suppletieaangifte te doen. Dit omdat de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten vermoeden dat daardoor de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend zal worden.

Inmiddels is bekend dat door de Belastingdienst – in het kader van het landelijke project Actie balansschulden omzetbelasting – een plan van aanpak is geformuleerd om nakoming van juist aangiftegedrag en de tijdige betaling van omzetbelasting te bewerkstelligen. Jaarlijks vergelijkt de belastingdienst de aangifte(n) omzetbelasting met de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting. Als er een onverklaarbaar verschil wordt geconstateerd van meer dan € 50.000 dan wordt per definitie een (boeken)onderzoek ingesteld naar het grofschuldig of opzettelijk niet, te weinig of te laat betalen van omzetbelasting (beboetbaar op grond van art. 67f AWR). Daarnaast wordt in dat geval tevens een onderzoek ingesteld naar het grofschuldig of opzettelijk niet naleven van de suppletieplicht (beboetbaar ex art. 10a, lid 3, AWR).

Gezien het geïntensiveerde toezicht van de belastingdienst op het tijdig suppleren van balansschulden omzetbelasting, zal een belastingplichtige uiterlijk bij het opmaken van de jaarrekening (waaruit een omzetbelastingschuld blijkt) moeten voldoen aan de suppletieplicht om een vergrijpboete ex art. 10a, lid 3, AWR van maximaal 100% te voorkomen. In de praktijk komt het echter voor dat belastingplichtigen – veelal vanwege liquiditeitsproblemen – niet tot suppletie willen overgaan en de vraag is dan of dat gevolgen heeft voor de accountant die de jaarrekening heeft opgesteld waaruit een omzetbelastingschuld naar voren komt.

Wanneer de accountant er bij zijn cliënt op aandringt om te suppleren, maar diens cliënt vervolgens niet bereid is om (tijdig) de suppletieaangifte te doen, dan heeft de accountant in feite geen andere keuze dan zich te distantiëren van zijn cliënt en zijn dienstverlening te beëindigen (nog afgezien van de eventuele meldplichten die voortvloeien uit de Wta en Wwft). Doet de accountant dat niet dan zou hij bovendien als (passief) medepleger in de zin van art. 5:1 Awb kunnen worden aangemerkt en zelf geconfronteerd kunnen worden met een vergrijpboete ex art. 10a, lid 3 AWR. Zo bezien richt de suppletieplicht zich niet alleen op de belastingplichtige, maar tevens op diens accountant of adviseur. Om te voorkomen dat een accountant (of adviseur) in een dergelijke spagaat terecht komt, zou hij kunnen overwegen om met zijn cliënten op voorhand overeen te komen dat hij zelfstandig bevoegd is om te voldoen aan de suppletieplicht van zijn cliënt.

Mr. I.R.J. Thijssen

Staat de Hoge Raad voor rechtsbescherming of toch niet?

Per 1 juli 2011 is de informatiebeschikking opgenomen in artikel 52a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Doel hiervan is de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij onder andere een informatieverzoek van de inspecteur te verbeteren. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van dit artikel is uitdrukkelijk opgemerkt dat een inspecteur die verzaakt een informatiebeschikking af te geven in de aanslagregelende fase, dit niet kan herstellen in de bezwaarfase. De Hoge Raad heeft ‘lak’ aan deze parlementaire geschiedenis en biedt de ‘lakse’ inspecteur de helpende hand. De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur in deze situatie ook in de bezwaarfase nog een informatiebeschikking mag afgeven, tenzij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten.

Hamer wetboek

Verbetering rechtsbescherming door invoering informatiebeschikking

Tot 1 juli 2011 riskeerde de belastingplichtige die niet voldeed aan een informatieverzoek van de inspecteur over zijn eigen belastingplicht de omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze ‘sanctie’ volgde toen automatisch uit de wet. De vraag of het informatieverzoek van de inspecteur gerechtvaardigd was, kon de belastingplichtige niet aan de belastingrechter voorleggen. De enige mogelijkheid om een toetsing te krijgen was door de civiele rechter als restrechter in te schakelen.

Met de rechtsbescherming van informatieverzoeken van de inspecteur aan de belastingplichtige was dan ook het nodige mis. Voor Tweede Kamerleden Dezentjé Hamming-Bluemink en Crone in 2006 reden om een initiatiefwetsvoorstel ter verbetering van de rechtsbescherming in te dienen. Dat wetsvoorstel kon niet direct op veel enthousiasme vanuit de regering rekenen omdat de regering bang was dat de aanslagregeling door de inspecteur van de Belastingdienst bemoeilijkt zou worden. Reden voor Hamming en Crone om het wetsvoorstel aan te passen.

In het uiteindelijke wetsvoorstel en later ook in de wet (artikel 52a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) zijn twee vormen van rechtsbescherming opgenomen, te weten:

  • de informatiebeschikking (eigen belastingplicht) en
  • de kostenvergoedingsbeschikking (belastingplicht van derden en administratieplicht).

Met name over de eerste vorm van rechtsbescherming, de informatiebeschikking, is in de lagere rechtspraak al het nodige te doen geweest. De Hoge Raad wordt pas recent geconfronteerd met rechtsvragen op dit gebied.

Rechtsvragen in het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015

Op vrijdag 2 oktober 2015, nr. 14/06080, ECLI:NL:HR:2015:2895 oordeelde de Hoge Raad over de twee rechtsvragen die samenhangen met de informatiebeschikking, te weten:

  1. Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven?
  2. Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven voor inlichtingen die al zijn gevraagd in de aanslagregelende fase?

De beantwoording van de tweede vraag door de Hoge Raad zorgt met name voor het optrekken van de wenkbrauwen. Daarover later meer.

Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven?

Als eerste de vraag of in de bezwaarfase een informatiebeschikking kan worden afgegeven. Het oordeel van de Hoge Raad is op dat punt vrij kort en bondig; dat kan. Uit de parlementaire geschiedenis leidt de Hoge Raad af dat het begrip ‘beschikking’ in artikel 52a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen nieuw is, maar dat geen wijziging is beoogd, zodat een uitspraak op bezwaar onder de kreet ‘beschikking’ valt.

Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven voor inlichtingen die al zijn gevraagd in de aanslagregelende fase?

Bij de tweede vraag trekt de Hoge Raad zich een stuk minder aan van hetgeen in de parlementaire geschiedenis is opgenomen. Of zou de Hoge Raad de Handelingen van de Eerste Kamer van 12 april 2011, EK 24-6-23 over het hoofd hebben gezien? In deze Handelingen wordt uitdrukkelijk ingegaan op de situatie waarin de inspecteur (onbewust) geen informatiebeschikking heeft genomen en daar later (mogelijk) op terug wil komen.

“Op de inspecteur rust het initiatief om zo’n beschikking te nemen, dat is de kern van het voorstel. Doet hij dat niet, om welke reden dan ook, dan is de zaak daarmee afgedaan. De belastingplichtige mag er dan van uitgaan dat er ofwel geen toereikende rechtsgrond bestond voor het verzoek, dat afdoende aan het verzoek tegemoet is gekomen of dat de inspecteur bij nader inzien de informatie toch niet echt nodig heeft. Het voorstel betekent dus wel dat de inspecteur attent moet zijn. Dat zijn inspecteurs doorgaans ook. Komt de inspecteur er later achter bijvoorbeeld bij de aanslagregeling of tijdens bezwaar tegen de aanslag, dat hij bepaalde informatie in retroperspectief toch nodig heeft, dan kan hij zich niet meer op het standpunt stellen dat de omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde zijn. Dit geldt ook na de fase van de aanslagregeling bijvoorbeeld als de inspecteur wil navorderen. Dat is terecht. Als de overheid gebruikmaakt van de bevoegdheid om verplichtingen aan burgers op te leggen, is het redelijk dat erop wordt toegezien dat de verplichtingen deugdelijk worden nagekomen. Laat de Belastingdienst het er zelf bij zitten, dan moet dat voor zijn rekening komen en moet dit niet de belastingplichtigen voor de voeten worden geworpen.”

Volgens de parlementaire geschiedenis is het antwoord op de tweede vraag dus helder; nee dat kan niet. De Hoge Raad ziet dat op de een of andere manier toch anders. De Hoge Raad oordeelt dat de tekst van de wet de inspecteur er niet toe noopt om direct als hij de schending constateert een informatiebeschikking af te geven. Ook overweegt de Hoge Raad dat de indieners van het wetsvoorstel de bevoegdheden van de inspecteur in de bezwaarfase niet hebben willen inperken. Conclusie van de Hoge Raad is dan ook; ja dat kan. De enige restrictie die hieraan door de Hoge Raad wordt verbonden is dat het niet in strijd mag komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Zou de Hoge Raad bij het komen tot dit oordeel het hiervoor aangehaalde belangrijke onderdeel van de parlementaire geschiedenis over het hoofd hebben gezien of hecht de Hoge Raad thans – omdat dat beter uitkomt? – minder belang aan de parlementaire geschiedenis dan bij het beantwoorden van de eerste vraag?

De eerste optie is een praktisch onmogelijke optie, omdat A-G IJzerman in r.o. 5.16 van de conclusie in de zaak met nr. 14/02811, ECLI:NL:PHR:2015:192 aan de opmerkingen in de parlementaire geschiedenis aandacht schenkt. Blijft dus over de tweede optie. Een dergelijke optie is de Hoge Raad niet vreemd. In het verleden heeft de Hoge Raad al eens eerder laten zien ‘lak’ te hebben aan de parlementaire geschiedenis.

Hoge Raad over vergrijpboete bij primitieve aanslag (artikel 67d AWR)

De situatie waarin de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis ook ter zijde schoof was in de zaak over de vraag of op grond van artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bij de primitieve aanslag terecht een vergrijpboete aan de belastingplichtige was opgelegd.

Op grond van artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen kan een vergrijpboete aan de belastingplichtige worden opgelegd indien hij opzettelijk de aangifte niet, onjuist of onvolledig heeft gedaan. Over de uitleg van het begrip ‘opzet’ bij de primitieve aanslag is in de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk gesproken. Ook dit keer in de Handelingen van de Eerste Kamer. De leden van de Eerste Kamer vreesden dat goedwillende burgers ten onrechte een vergrijpboete bij de primitieve aanslag opgelegd zouden krijgen. Om dit risico weg te nemen werd in de nota van wijziging (Kamerstukken II, 1996-1997, 24 800, nr. 5, pagina 5) opgemerkt dat de vergrijpboete uitsluitend zal worden opgelegd als sprake is van opzet, fraude of zwendel. Daarmee werd beoogd om de context en de situatie waarin het opleggen van een vergrijpboete bij de primitieve aanslag duidelijk en helder te schetsen. Omdat de terminologie ‘opzet, fraude of zwendel’ voor de leden van de Eerste Kamer nog niet duidelijk was, is dit in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 1997-1998, 24 800, nr. 154b, pagina 1) nader toegelicht: van fraude en zwendel is met name sprake in geval van ‘listigheid, valsheid of samenspanning’.

De Hoge Raad had echter ‘lak’ aan deze parlementaire toelichting en oordeelde in het arrest van 22 juni 2007, nr. 42.013, ECLI:NL:HR:2007:BA7728, dat het begrip ‘opzet’ in artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het begrip ‘opzet’ in het fiscale boeterecht. Daarmee veegt de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis en het doel van de vergrijpboete van artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen met één veeg van tafel.

Strijd gestreden?

De informatiebeschikking is per 1 juli 2011 ingevoerd met als doel de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van de belastingplichtige te verbeteren en dus te versterken. Het oordeel van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 lijkt dat deels terug te draaien. De Hoge Raad biedt de lakse inspecteur immers de helpende hand door de inspecteur de gelegenheid te bieden om in de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking af te geven voor iets dat zich in de aanslagregelende fase heeft afgespeeld. Is daarmee de strijd van de belastingplichtige gestreden? Niet in alle gevallen zal de soep van de Hoge Raad zo heet worden gegeten.

De way out die de Hoge Raad de belastingplichtige biedt, is een beroep te doen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een van deze beginselen is bijvoorbeeld het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt door de rechter – bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden – alleen gehonoreerd als inlichtingen zijn gegeven of toezeggingen zijn gedaan door of namens de bevoegde inspecteur. Een beroep op dit vertrouwensbeginsel is dus nog niet zo eenvoudig als het lijkt. De Hoge Raad onderkent dat zelf ook al direct door in het arrest van 2 oktober 2015 te overwegen dat in deze zaak de inspecteur in de aanslagregelende fase inlichtingen heeft gevraagd, vervolgens de aanslag heeft vastgesteld zonder een informatiebeschikking af te geven en daarmee niet het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat geen informatiebeschikking komt. Daarvoor zijn, aldus de Hoge Raad, bijkomstige omstandigheden nodig. Zo’n bijkomstige omstandigheid zou kunnen zijn dat de inspecteur mededeelt dat niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting, maar dat hij die schending niet dermate ernstig acht dat hij een informatiebeschikking wil afgeven. Later kan de inspecteur daar dan niet op terugkomen.

Een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur waarop de belastingplichtige en beroep zou kunnen doen is het gelijkheidsbeginsel. De belastingplichtige zal dan aannemelijk moeten maken dat de inspecteur in vergelijkbare gevallen niet is overgegaan tot het afgeven van een informatiebeschikking. Voor de belastingplichtige een lastige bewijslast.

Tot slot zou de belastingplichtige een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel kunnen doen. Artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de inspecteur bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Een informatiebeschikking is ook een besluit in de zin van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de beoordeling of een informatiebeschikking moet worden vastgesteld zal de inspecteur nauwkeurig te werk moeten gaan. De beslissing om al dan niet tot het vaststellen van een informatiebeschikking te komen moet dus zorgvuldig worden genomen. Doet de inspecteur dit niet, dan kan hij het zorgvuldigheidsbeginsel hebben geschonden. Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1990/1991, 21 221, nr. 5, pagina 54) volgt dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan leiden tot de conclusie dat een genomen besluit onrechtmatig tot stand is gekomen en om die reden moet komen te vervallen.

Conclusie

De informatiebeschikking is ingevoerd om de rechtsbescherming en de rechtszekerheid van de belastingplichtige te verbeteren. Vraagt de inspecteur bijvoorbeeld om informatie en vindt hij dat de belastingplichtige die informatie niet of niet voldoende heeft verstrekt, dan moet de inspecteur daaraan direct consequenties verbinden. Die consequentie zal dan zijn dat de inspecteur een informatiebeschikking afgeeft. De belastingplichtige kan daartegen bezwaar maken en een onafhankelijke derde de rechtmatigheid van het informatieverzoek en de reactie daarop laten beoordelen.

Handelt de inspecteur niet adequaat in die zin dat hij in deze fase geen informatiebeschikking afgaf, dan werd algemeen aangenomen – gelet op de parlementaire geschiedenis – dat de inspecteur zijn rechten daarmee had verspeeld. De Hoge Raad reikt deze ‘lakse’ inspecteur in het arrest van 2 oktober jl. ten onrechte de helpende hand toe door aan te geven dat ook in de latere bezwaarfase de inspecteur de informatiebeschikking nog mag afgeven. De belastingplichtige staat door dit oordeel van de Hoge Raad in feite met 1-0 achter. Daarmee lijkt de Hoge Raad dus niet voor de rechtsbescherming van de belastingplichtige te staan, maar eerder voor die van de inspecteur. De belastingplichtige kan de wedstrijd nog in zijn voordeel keren door een beroep te doen op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat het uitreiken van een informatiebeschikking in de bezwaarfase kan afstuiten op schending van deze beginselen.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers

Medeplegen: boekhouders en ander gespuis opgelet!

Het verstrekken van adviezen aan een ondernemer is voor een fiscale dienstverlener of boekhouder aan de orde van de dag. Het kan voorkomen dat zo’n advies ‘op het randje’ is. Als een belastingplichtige door het volgen van dit advies naar de mening van de inspecteur van de belastingdienst aan de verkeerde kant van de rand is beland, wordt de aangifte gecorrigeerd. Daarbij kan een vergrijpboete worden opgelegd aan de belastingplichtige of kan de zaak zelfs voor strafrechtelijke vervolging worden overgedragen aan het Openbaar Ministerie.

Ook adviseur loopt risico

Niet alleen de belastingplichtige maar ook de dienstverlener loopt met ‘het advies over het randje’ een risico. Hij of zij kan als medepleger of als medeplichtige medeverantwoordelijk worden gehouden. Voor de invulling van deze deelnemersbegrippen wordt in het fiscale boeterecht verwezen naar de uitleg daarvan in het commune strafrecht.

Medeplegen en medeplichtig: de checklist van de Hoge Raad

Daarom is het voor fiscale dienstverleners en boekhouders van groot belang om kennis te nemen van het beschouwende overzichtsarrest van de Hoge Raad van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474).

Samengevat oordeelt de Hoge Raad, mede op basis van zijn eerdere uitspraken, het volgende over de invulling van de altijd ingewikkelde begrippen medeplegen en medeplichtigheid:

Voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid via medeplegen is dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of met anderen.

Wie de feitelijke strafbare handelingen (uiteindelijk) heeft verricht, is van minder belang: het accent ligt op de samenwerking.

De bijdrage door een medepleger wordt meestal geleverd tijdens het (gezamenlijk) begaan van het strafbare feit. Dit is echter niet noodzakelijk. De bijdrage kan ook zijn geleverd voor en/of tijdens en/of zelfs na het strafbare feit.

Of sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen niet worden gegeven. Mede gelet op eerdere uitspraken geeft de Hoge Raad wel de volgende aandachtspunten:

  • De intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict moet van voldoende gewicht zijn. De Hoge Raad verwijst ter illustratie naar het in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “in vereniging plegen”. Hiervan is sprake als een verdachte “een voldoende significante of wezenlijke bijdrage” heeft geleverd, waarbij deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn geweest.
  • Een bijdrage van minder gewicht kan tot de deelnemingsvorm ‘medeplichtigheid’ leiden als de inbreng van de deelnemer bestond uit (niet meer dan) “het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf”. Medeplichtigheid is alleen strafbaar bij een misdrijf (en dus niet bij overtredingen) en kent een lager strafmaximum (artikel 49, eerste lid, Sr).

Indien het medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die – als de bijdrage van minder ‘gewicht’ zou zijn geweest – tot de kwalificatie medeplichtigheid zou kunnen leiden, dient een rechter nauwkeurig te motiveren waarom toch sprake is van medeplegen. Bij de afweging of sprake is van een (voldoende) nauwe en bewuste samenwerking om tot medeplegen te komen, kan rekening worden gehouden met:

  • de intensiteit van de samenwerking;
  • de onderlinge taakverdeling;
  • de rol in de voorbereiding;
  • de uitvoering of de afhandeling van het delict;
  • het belang van de rol van de verdachte;
  • de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten;
  • in mindere mate: het niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Fiscaal adviseur: soms medeplichtig of medepleger

Voor de (fiscale) adviespraktijk is het van groot belang dat adviezen ‘op het randje’ de adviseur een risico doen lopen om als medepleger dan wel als medeplichtige medeverantwoordelijk te worden gehouden.

Uitdrukkelijk dus ook indien de fiscale dienstverlener bij de uitvoering van zijn advies op geen enkele wijze (meer) is betrokken!