Wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst

Staatssecretaris Weekers van Financiën heeft op 2 september 2013 het wetsvoorstel “Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst” naar de Tweede Kamer gestuurd. Weekers wil hiermee enerzijds een grondslag geven aan het elektronisch berichtenverkeer van en met de Belastingdienst en anderzijds een nieuw heffingssysteem voor aanslagbelastingen invoeren. Dit nieuwe heffingssysteem gaat (vooralsnog) enkel gelden voor de inkomstenbelasting en erf- en schenkbelasting. Hoewel er vanuit diverse kanten veel kritiek is geuit op het wetsvoorstel (zowel vanuit de Belastingdienst zelf als vanuit de belastingadvieswereld), zal het voorstel – gezien het beperkt aantal vragen en de opmerkingen die door de vaste (kamer)commissie voor Financiën bij het wetvoorstel zijn geplaatst[2].- hoogstwaarschijnlijk ongeschonden door de kamer worden geloodst. Nu de geuite kritiek met name betrekking lijkt te hebben op het nieuwe heffingssysteem, volgt hieronder een overzicht van de vijf belangrijkste wijzigingsvoorstellen:
  1. De inspecteur streeft ernaar om binnen 3 maanden na de ontvangst van de aangifte de definitieve aanslag op te leggen. Indien de aanslag niet binnen 3 maanden kan worden opgelegd, ontvangt de belastingplichtige een bericht. Deze belastingplichtige ontvangt de aanslag uiterlijk 15 maanden na ontvangst van de aangifte door de inspecteur. Of deze verkorting van de aanslagtermijn ook betekent dat een belastingplichtige sneller (rechts)zekerheid verkrijgt, hangt af van de mate waarin vervolgens navordering mogelijk is (zie onder 4).
  2. Belastingplichtigen krijgen gedurende 18 maanden na indiening van de aangifte de mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen terzake van de definitieve aanslag. Pas wanneer het herzieningsverzoek (geheel of deels) wordt afgewezen, staat de mogelijkheid van bezwaar (en vervolgens beroep) open tegen de definitieve aanslag.
  3. Na verloop van de hiervoor genoemde herzieningstermijn wordt ambtshalve vermindering van een definitieve aanslag alleen nog verleend als sprake is van feiten en omstandigheden die de belastingplichtige na afloop van de herzieningstermijn bekend zijn geworden en hem redelijkerwijs niet eerder bekend hadden kunnen zijn.
  4. Voor navordering blijft een nieuw feit vereist. Daarnaast is navordering ook zonder nieuw feit mogelijk in de gevallen waarin een belastingplichtige ‘wist of behoorde te weten’ dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven. Hoe ruimer het criterium ‘wist of behoorde te weten’ in de praktijk zal worden uitgelegd, des te meer het ‘nieuwfeitvereiste’ aan betekenis zal inboeten. Uit de in de Memorie van Toelichting aangehaalde voorbeelden, blijkt dat het kabinet al vrij snel meent dat een belastingplichtige had moeten weten dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven.
  5. Net als de aanslagtermijn, wordt ook de navorderingstermijn behoorlijk beperkt, van (thans) 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak tot 3 jaar na ontvangst van de aangifte. Dat geldt alleen voor belastingplichtigen die te goeder trouw zijn. Bij kwaadwillende belastingplichtigen wordt de navorderingstermijn verlengd tot 12 jaar na ontvangst van de aangifte.

Het kabinet streeft er naar om het nieuwe heffingssysteem in werking te laten treden voor aanslagen en voorlopige aanslagen met betrekking tot tijdvakken die aanvangen op of met ingang van 1 januari 2016 en tijdstippen die zijn gelegen op of na 1 januari 2016. Voor navorderingsaanslagen treedt het nieuwe heffingssysteem direct in werking. Dit betekent dat goedwillende belastingplichtigen direct profiteren van de bekorting van de navorderingstermijn en dat kwaadwillende belastingplichtigen direct geconfronteerd worden met de verlenging van de navorderingstermijn. Zie voor een meer uitgebreide beschouwing op het onderdeel navordering het artikel “De nieuwe regels voor navordering” van mr. I.R.J. Thijssen en mr. A.A. Kan, 20 september 2013 (NTFR 2013/22).