Steeds meer invloed strafrecht op fiscaal boeterecht

Het fiscale recht is complex. De wijzigingen in (Europese) belastingwetgeving volgen elkaar in indrukwekkend tempo op. Het voldoen aan fiscale verplichtingen is daardoor niet eenvoudig. In haar bijdrage van 12 januari jl. schreef mijn kantoorgenote Marloes Rijksen ook al over dit onderwerp.

Ook voor een gespecialiseerd belastingadviseur is de onderliggende regelgeving niet altijd eenduidig. Bijgevolg wordt de belastingadviseur gedwongen bepaalde standpunten in de aangifte van de belastingplichtige op te nemen waarvan dikwijls niet met zekerheid kan worden vastgesteld of deze juist zijn.

Niettemin groeit de hoeveelheid normen waarvoor bij overtreding een fiscale boete kan worden opgelegd gestaag en is de boeterechtelijke aansprakelijkheid van de belastingadviseur met ingang van 1 januari 2014 aanzienlijk verruimd. Naast de bestaande deelnemingsvormen medeplegen en feitelijk leidinggegeven is het fiscale overtredingsbegrip op grond van artikel 67o AWR uitgebreid met de ‘doen pleger’, ‘uitlokker’ en de ‘medeplichtige’. Hiermee wordt in het fiscale recht, in afwijking van het algemene bestuursrecht, nadrukkelijk aansluiting gezocht bij het strafrecht en kan aan de belastingadviseur in meer gevallen zelfstandig een vergrijpboete worden opgelegd. In deze bijdrage besteed ik kort aandacht aan de toenemende invloed van strafrechtelijke leerstukken op het fiscale boeterecht. Deze ontwikkeling heeft tot gevolg dat de boeterechtelijke risico’s voor de belastingadviseur zijn toegenomen.

Er is in dit verband echter ook enig positief nieuws te melden. Daarover verderop in dit artikel meer.

Medeplichtig zonder pleger

Het fiscale delict is een kwaliteitsdelict, hetgeen betekent dat alleen de belastingplichtige zelf degene is die pleger kan zijn van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Dit neemt niet weg dat een derde via de deelnemingsvarianten boeterechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Medeplegen is één van de deelnemingsvormen die kan leiden tot een fiscale boete. Van medeplegen is sprake indien de plegers van de overtreding ‘bewust en nauw’ samenwerken. Dat impliceert een dubbele vorm van opzet. Medeplegen vereist derhalve zowel bewuste samenwerking als betrokkenheid bij het delict. Tot voor kort werd aangenomen dat de medepleger daarom alleen een boete kon belopen, indien ook de belastingplichtige opzet had op het doen van een onjuiste aangifte.

De strafkamer van de Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 maart 2012 evenwel geoordeeld dat het opzet van de verdachte centraal staat. Uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat de opzet van de verdachte gericht is geweest op het doen van een onjuiste aangifte. Uit de bewijsmiddelen hoeft aldus niet te kunnen worden afgeleid dat de medepleger eveneens opzet had op het gronddelict. Dit geldt ook indien die mededader de aangifteplichtige is (HR 6 maart 2012, nr. 09/04383, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596). Anders gezegd, de rechter mag zich volledig concentreren op de vraag of de belastingadviseur strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld; niet nodig is het dat de schuld van de belastingplichtige wordt vastgesteld. Overigens overweegt de strafkamer in genoemd arrest dat de omstandigheid dat de belastingadviseur de aangifte niet zelf heeft opgesteld, ondertekend of ingezonden, niet in de weg staat aan een veroordeling voor medeplegen. Een relevante rol in de adviesfase kan voldoende zijn om strafrechtelijk aansprakelijk te zijn op basis van medeplegen.

Hoewel de belastingkamer van de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag of bij de beoordeling van een fiscale boete voor medeplegen eenzelfde benadering moet worden gehanteerd, is de verwachting gerechtvaardigd dat de belastingkamer in navolging van de wetgever eveneens op dit punt aansluiting zoekt bij het strafrecht. Alsdan mag ook bij een fiscale boete de schuldvraag van de belastingplichtige buiten beschouwing worden gelaten. Een weinig prettig vooruitzicht, in aanmerking nemende dat medeplichtigheid nog minder betrokkenheid bij het beboetbaar feit vereist dan medeplegen en de belastingdienst steeds meer transparantie van de belastingadviseur vereist.

Pleitbaar standpunt: objectief of subjectief criterium?

In dit kader is van belang de vraag of de pleitbaarheid van een ingenomen standpunt naar objectieve maatstaven of naar subjectieve maatstaven moet worden beoordeeld.  Bij een objectieve benadering is van een pleitbaar standpunt in beginsel sprake, indien door een belanghebbende een standpunt is ingenomen dat redelijkerwijs verdedigbaar is. Anders dan bij een subjectieve benadering is hierbij niet relevant of de belanghebbende dat standpunt ook feitelijk voor ogen had bij het doen van de aangifte of pas op een later moment heeft ingenomen.

Het pleitbaar standpunt is tot ontwikkeling gekomen in het fiscale boeterecht. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in verschillende arresten beslist dat een pleitbaar standpunt aan het opleggen van een fiscale boete in de weg staat en naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld. In eerder genoemd arrest heeft de strafkamer van de Hoge Raad evenwel een andere lijn gekozen, door expliciet te refereren aan een pleitbaar standpunt op het moment dat de belastingplichtige de aangifte deed. Daarmee hanteert de strafkamer een restrictieve, subjectieve benadering ten opzichte van het pleitbaar standpunt.

Een recent arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad doet vermoeden dat deze subjectieve lijn thans ook voor het fiscale boeterecht opgaat (HR 19 april 2013, nr. 11/03757, ECLI:NL:HR:2013:BW7156). De belastingkamer overwoog namelijk in afwijking van zijn eerdere jurisprudentie het volgende: ‘Hoewel het middel terecht erover klaagt dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over belanghebbendes stelling dat hij een pleitbaar standpunt had, kan ook die klacht niet tot cassatie leiden, aangezien dat standpunt blijkens het middel geen betrekking had op belanghebbendes gedragingen bij het doen van de hiervoor vermelde aangiften, op grond van welke gedragingen het Hof het voor de boetes vereiste opzet heeft aangenomen.’

Niettemin is de objectieve benadering door de staatssecretaris van Financiën gecontinueerd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (‘BBBB’), zoals laatstelijk gewijzigd op 18 december 2013. Paragraaf 4 van het BBBB is duidelijk gestoeld op een toets waarbij de pleitbaarheid van een standpunt naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld en bepaalt dienaangaande: ‘Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de inspecteur de boete. Bij avas wordt geacht dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.’

Het BBBB is een ministeriële regeling die door de staatssecretaris van Financiën binnen zijn bestuursbevoegdheid is vastgesteld en als recht kwalificeert in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. De inspecteur is aan het BBBB gebonden op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, althans voor zover het BBBB ten voordele van de belanghebbende strekt. Derhalve kan de belastingadviseur langs deze weg nog altijd een beroep doen op een objectieve uitleg van het pleitbaar standpunt ingeval een fiscale boete dreigt.