Bewijs in belastingzaken

Als tussen de Belastingdienst en u een geschil ontstaat, dan is het aan de belastingrechter om dat geschil te beslechten. Gelijk hebben is daarbij iets anders dan gelijk krijgen. Wie uiteindelijk de fiscale procedure wint is afhankelijk van de vraag wie erin slaagt de voor het gelijk krijgen benodigde feiten te bewijzen.

mr. C.E. van Dijk, Jaeger Advocaten-belastingkundigen

In het belastingrecht geldt de vrije bewijsleer. Dat betekent dat u met alle mogelijke middelen het bewijs mag leveren van feiten die uw standpunt onderbouwen. Dit geldt uiteraard ook voor de Belastingdienst. Uit de rechtspraak kunnen regels worden afgeleid wie wat moet bewijzen (de verdeling van de bewijslast). De rechter moet vervolgens kiezen welk bewijs hij aannemelijk acht en als die keuze is gemaakt moet hij op de voor hem vaststaande feiten de rechtsregels toepassen en beslissen.

Als uitgangspunt is voldoende dat een partij een te bewijzen feit “aannemelijk maakt”. In sommige gevallen is echter zwaarder bewijs nodig. In die gevallen wordt verlangd dat het feit overtuigend wordt “aangetoond”.

Het kan ook voorkomen dat de bewijslast volledig op u komt te rusten, en dan ook nog eens in een verzwaarde vorm. Deze “omkering van de bewijslast” is een sanctie als u niet voldoet aan bepaalde wettelijke verplichtingen.

Verlies niet uw fiscale procedure! Weet u de antwoorden op de volgende vragen niet, lees dan verder in deze blog over “bewijs”.

(1) Wat is het verschil tussen feiten en rechtsregels en wat behoeft bewijs?   

(2) Welke regels kunnen we uit de jurisprudentie afleiden over de bewijslastverdeling?

(3) Wat is het verschil tussen aannemelijk maken, aantonen en doen blijken?

(4) Wanneer wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard en wat betekent dat eigenlijk? En tot slot:

(5) hoe zit het met leveren van bewijs bij boetes?

Feiten en rechtsregels: wat behoeft bewijs?

Voor het leveren van bewijs is het belangrijk om onderscheid te maken tussen feiten en rechtsregels. Feiten kun je bewijzen, rechtsregels daarentegen niet. Maar welke feiten moet je bewijzen als je een conflict hebt met de Belastingdienst?

Om te beginnen hebben feiten waarover je met de inspecteur niet van mening verschilt, geen bewijs nodig. Dus als u stelt dat een bepaald feit zich heeft voorgedaan en de inspecteur betwist dat niet, dan staat het feit vast. De rechter moet ervan uitgaan dat het feit is zoals door u gesteld. Dat geldt ook omgekeerd, dus let er op dat u feiten die de inspecteur stelt, weerspreekt als u meent dat die feiten zich niet of anders hebben voorgedaan.  

Feiten van algemene bekendheid en feiten die berusten op ervaringsregels hebben eveneens geen bewijs nodig.  

De rechter is voor de beoordeling van het geschil afhankelijk van de feiten die de partijen inbrengen (“stellen”). Dat betekent dat u zich goed moet realiseren welke feiten u moet stellen om de door u gewenste uitkomst te bereiken. Maar moet u dan alle feiten die van belang zijn voor die uitkomst stellen en bewijzen? Nee, door de rechter zijn regels ontwikkeld die een verdeling inhouden van de taak (“last”) om de feiten die in een geschil een rol spelen te stellen en te bewijzen.

5 regels omtrent de bewijslastverdeling

Het belastingrecht kent geen wettelijke bepaling zoals artikel 150 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering: “wie stelt, moet bewijzen”. Uit de belastingrechtspraak volgt dat de bewijslevering in belastinggeschillen in hoofdzaak langs de volgende (bewijs)regels verloopt: 

  1. Feiten die ertoe leiden dat meer belasting moet worden betaald, moet de belastinginspecteur bewijzen (bijvoorbeeld de inspecteur meent dat u meer inkomen heeft genoten dan u heeft op gegeven);
  2. Feiten die ertoe leiden dat minder belasting moet worden betaald, moet de belastingplichtige bewijzen (bijvoorbeeld u claimt hypotheekrenteaftrek);
  3. Beroept een partij zich op een wettelijke bepaling die een uitzondering inhoudt op de hoofdbepaling, dan moet de partij die zich op de uitzondering beroept de daarvoor van belang zijnde feiten stellen en bewijzen (bijvoorbeeld u wilt, in afwijking van een wettelijke aftrekuitsluiting, toch de kosten van wapens in aftrek brengen op de winst. Dan rust de bewijslast dat u over een vergunning of ontheffing beschikt op u, zie artikel 3.14 lid 1 sub f Wet IB);
  4. Beroept een partij zich op feiten of omstandigheden die afwijken van wat gebruikelijk is, dan rust de bewijslast voor deze “afwijking” op die partij (bijvoorbeeld een betaling vormt in de regel de tegenwaarde voor een prestatie. Meent u dat dit anders is, dan moet u de daarvoor van belang zijnde feiten stellen en bewijzen);
  5. Beroept een partij zich op een veranderde situatie, dan rust de bewijslast voor deze “verandering” op die partij (bijvoorbeeld u heeft altijd een onderneming alleen gedreven, maar vanaf enig moment stelt u dat u de onderneming drijft in een VOF).

De rechter verdeelt de bewijslast over partijen uitgaande van een redelijkheidsconcept. Het komt voor dat op één partij de bewijslast rust, terwijl de andere partij beter in staat is bewijs te verschaffen. De rechter neemt dan vrij snel aan dat de partij op wie de bewijslast rust daaraan heeft voldaan en dat het aan de andere partij is om bewijs voor het tegendeel te leveren.

In het belastingrecht geldt de vrije bewijsleer. Dat betekent dat u met alle mogelijke middelen het bewijs mag leveren van feiten die uw standpunt onderbouwen. U kunt bijvoorbeeld denken aan het verstrekken van documenten zoals agenda’s, facturen of overeenkomsten, maar ook aan de mogelijkheid om een getuige een mondelinge of schriftelijke verklaring af te laten leggen over de feiten.

“Aannemelijk maken”, “aantonen” en “doen blijken”

In veel gevallen kan de partij op de wie de bewijslast rust volstaan met de gestelde feiten aannemelijk te maken. De rechter moet er dan van overtuigd worden dat het zeer waarschijnlijk is dat de feiten zijn zoals door die partij gesteld. Dat houdt in dat niet elke twijfel daarover uitgesloten moet zijn. Het is geen volledig bewijs, maar een lichtere vorm van bewijs.  

In de wet komt u soms ook het begrip “aantonen” tegen. Een zwaardere dan de normale bewijslast mag echter alleen worden aangenomen als duidelijk is dat de wetgever dat uitdrukkelijk heeft gewild. Dit is het geval indien in een artikel uit een belastingwet het begrip “doen blijken” wordt gebruikt. In dat geval moeten de daar van belang zijnde feiten volledig worden bewezen, dat wil zeggen dat ze overtuigend moeten worden aangetoond. Aan het woord “aantonen” mag niet, tenzij uit de wetsgeschiedenis anders blijkt, een andere betekenis worden gehecht dan “aannemelijk maken”.

Het Hof van Justitie gebruikt in meerdere arresten over btw-(carrousel)fraude overigens ook de term “aantonen” als het gaat om het leveren van bewijs door de inspecteur dat sprake is van fraude en de ondernemer dit wist of had moeten weten. Over dit onderwerp schreef ik eerder een blog. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat aansluiting moet worden gezocht bij de nationale regels over bewijs. Dit betekent dat de inspecteur de feiten die leiden tot het oordeel dat sprake is van fraude en de ondernemer dit wist of had moeten weten aannemelijk dient te maken.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

Met omkering en verzwaring van de bewijslast in fiscale procedures krijgt u te maken als u verzoeken om informatie van de inspecteur niet (voldoende) beantwoordt, als u bewust een te lage aangifte indient of als u helemaal geen aangifte indient. Voor een uitgebreide toelichting van de gevallen waarin omkering en verzwaring van de bewijslast plaatsvindt, verwijs ik naar de blog van mijn kantoorgenote Vanessa Huygen.

Waar eerst de inspecteur moest bewijzen, moet bij omkering van de bewijslast u maar bewijzen. Bovendien geldt alsdan een verzwaarde bewijslast: aannemelijk maken is niet meer voldoende, u moet doen blijken (overtuigend aantonen) dat de feiten liggen zoals u stelt. En dat is geen eenvoudige klus.

Is in uw procedure de bewijslast omgekeerd en verzwaard? Lees dan vooral ook het artikel van mijn kantoorgenoot Ludwijn Jaeger en de blog van mijn kantoorgenoot Nick van den Hoek. De situatie is wel zorgelijk maar zeker niet hopeloos, zoals in die publicaties overtuigend wordt aangetoond. De inspecteur mag dan uw inkomsten hebben geschat omdat u geen aangifte daarvan hebt gedaan, maar die schatting mag niet willekeurig (uit de lucht gegrepen) zijn. Het moet gaan om een redelijke schatting, op basis van de gegevens in het dossier. En dat biedt mogelijkheden voor u. Ook bij omkering en verzwaring van de bewijslast kan de inspecteur niet op zijn lauweren rusten, zoals mijn kantoorgenote Marloes Lammers in haar blog schreef.

Bewijs bij boetes

Het opleggen van een fiscale boete (verzuim- of vergrijpboete) is een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM. Dat houdt onder meer in dat u onschuldig bent tot het tegendeel is bewezen.

Dat beboeting Europeesrechtelijk als strafvervolging wordt aangemerkt, betekent niet dat alle bewijsregels van het strafrecht van toepassing zijn op de fiscale boete. Ook bij zo’n boete geldt de vrije bewijsleer. De inspecteur mag de te bewijzen (feitelijke) bestanddelen van het beboetbare feit op alle manieren aannemelijk maken. De hiervoor genoemde bewijsregels zijn dus ook op het fiscale boeterecht van toepassing.

Maar dat de belastingrechter oordeelt dat een correctie geheel of ten dele terecht is geweest, betekent niet automatisch dat sprake is van een beboetbare gedraging.

Bij het opleggen van een boete dient de inspecteur immers niet alleen te bewijzen dat u meer belasting verschuldigd bent dan u hebt aangegeven, maar ook dat dit aan opzet of grove schuld van u is te wijten. Althans, dat geldt bij de zwaardere boetes (vergrijpboetes). Bij verzuimboetes, bijvoorbeeld voor het te laat doen van aangifte, is dat niet het geval.

Wat nu als de inspecteur een hoger belastingbedrag dan werd aangegeven, heeft vastgesteld met toepassing van omkering van de bewijslast? Geldt dat hogere belastingbedrag dan als grondslag voor de berekening van de boete, die is uitgedrukt in een percentage van de meer verschuldigde belasting?

Uitgangspunt is dat de heffing doorwerkt in de boete, ook in het geval de beboete in een tegenbewijspositie is gedrukt. Volgens de Hoge Raad ontslaat dit de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een boete passend en geboden is. Daarbij moet hij ook in aanmerking nemen de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder de omstandigheid dat “omkering van de bewijslast” is toegepast. In de rechterlijke praktijk komt dat neer op een korting op de boete, liggend tussen 5 en 20 procent, afhankelijk van de mate waarin de inspecteur bewijs kon leveren zonder toepassing van de “omkering van de bewijslast”. Zie ook de blog van mijn kantoorgenote Vanessa Huygen over dit onderwerp.

Conclusie

In het fiscale recht zijn er geen wettelijke regels die bepalen welke procespartij wat moet bewijzen. Uit de belastingrechtspraak kunnen enkele bewijsregels worden afgeleid. In een notendop: de inspecteur moet belasting verhogende feiten aannemelijk te maken, u belasting verlagende feiten.  

“Aannemelijk maken” of “aantonen” is de regel. De rechter dient er dan van overtuigd te worden dat zeer waarschijnlijk is dat de feiten zijn zoals u stelt. Dat betekent niet dat elke twijfel dient te zijn uitgesloten. Dat ligt anders als de wet spreekt van “doen blijken”, in dat geval moeten de feiten volledig worden bewezen (“overtuigend aantonen”).

Heeft u niet voldaan aan uw verplichting de Belastingdienst te informeren, of is de aangifte niet of te laag ingediend, dan schrijft de wet voor dat de bewijslast die in beginsel bij de inspecteur lag, wordt verschoven naar u. Daarbij wordt de bewijslast ook nog eens verzwaard. U moet dan doen blijken dat u gelijk heeft. Maar ook in het geval van omkering van de bewijslast is nog niet alle hoop verloren.

De inspecteur dient in het geval van het opleggen van een boete niet alleen de feiten voor de correctie te bewijzen, maar ook de feiten die ertoe leiden dat de correctie aan opzet of grove schuld van u is te wijten. Als de rechter heeft vastgesteld dat een correctie geheel of ten dele terecht is geweest, betekent dit dus niet automatisch dat ook de beboetbare gedraging is bewezen. Wees er in een fiscale procedure alert op wie welk bewijs moet leveren: alleen dan kunt u gelijk hebben én krijgen!

Omkering bewijslast (niet) voor de boete

Als vast komt te staan dat een belastingaangifte aanzienlijk te laag is ingediend, geldt de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat betekent een inbreuk op het uitgangspunt dat de inspecteur bewijs moet leveren bijvoorbeeld van (meer) belastbaar inkomen. Bij een dergelijke aanslag kan ook een boete worden opgelegd als percentage van de belasting. Uitgangspunt is daarbij dat de heffing ‘zomaar’ doorwerkt in de boete, ook al is de beboete in een tegenbewijspositie gedrukt. Doet dit wel recht aan het uitgangspunt dat iemand voor onschuldig wordt gehouden tenzij bewijs van het tegendeel kan worden geleverd? Maar houd moed: hoop gloort aan de horizon.

Omkering bewijslast – en verzwaring

Als de belastinginspecteur meer wil belasten dan is aangegeven, dan moet hij bewijzen dat u meer inkomsten hebt gehad. In het fiscale jargon uitgedrukt: de inspecteur moet aannemelijk maken dat meer inkomsten zijn genoten. Maar als bijvoorbeeld komt vast te staan dat u aanzienlijk meer inkomen hebt gehad dan u hebt aangegeven dan verandert die bewijspositie (dit geldt ook bij een te late aangifte, of na een onherroepelijke informatiebeschikking).

Niet de inspecteur, maar u moet dan bewijzen dat u het beweerdelijke inkomen niet hebt genoten. Weer in het jargon: op u rust de bewijslast dat u de inkomsten, waarvan de inspecteur stelt dat u ze hebt genoten, niet hebt genoten. De bewijslast wordt dus omgekeerd. En daarmee is het drama voor u nog niet ten einde. De bewijslast wordt ook nog eens verzwaard. Normaal geldt voor bewijzen dat aannemelijk moet worden gemaakt. Maar bij de omgekeerde bewijslast moet overtuigend worden aangetoond. Dat is niet een geringe opgave.

Géén omkering voor bewijs van ‘opzet’ ..

En als bij de aanslag ook een boete is opgelegd, geldt die omkering dan ook voor de boete? Dat is gelukkig niet het geval. De Hoge Raad heeft in 2011 beslist[1] dat de omkering van de bewijslast niet inhoudt dat u zou moeten bewijzen dat u geen opzet of grove schuld had toen u te weinig inkomsten aangaf. Dat vloeit volgens de Hoge Raad voort uit het onschuldvermoeden (artikel 6 EVRM): zolang schuld niet bewezen is staat deze niet vast.[2] Dus niet: het aannemen van schuld, tenzij de beschuldigde dit kan weerleggen. Bij het opleggen van een boete moet de inspecteur dus beargumenteren waarom u opzettelijk of ‘grofschuldig’ te weinig inkomsten hebt aangegeven en eventueel moet hij dat bewijzen (gewoon aannemelijk maken).

..Maar bewijs van ‘iets’ is nog geen bewijs ‘hoeveel’

Maar de omkering van de bewijslast is hiermee niet volledig uit het boetebeeld verdwenen. De wet bepaalt namelijk de (maximale) hoogte van de boete op een percentage van de over de niet aangegeven inkomsten (meer) verschuldigde belasting. En die niet aangegeven inkomsten kunnen zijn vastgesteld op grond van een schatting, waarbij de inspecteur zich op het standpunt stelt dat de bewijslast is omgekeerd. 

Dus toch omkering bewijs voor de boete?

Je kunt je afvragen of op die manier bij de beboeting niet een schuldvermoeden wordt binnengesmokkeld. De boete wordt immers qua hoogte bepaald door een belastingschuld die berust op een schatting van de inspecteur en die schatting kan de belastingplichtige/’verdachte’ alleen aanvechten via een verzwaard tegenbewijs: overtuigend aantonen.

  • Vergelijking met het strafrecht

Een officier van justitie eist tegen de verdachte een boete als hij het vindt dat het strafbare feit is bewezen. De onafhankelijke rechter oordeelt vervolgens of het feit is bewezen en welke straf hij voor het bewezen geachte feit “passend en geboden” vindt. De boete die de inspecteur oplegt kan worden vergeleken met de straf die de officier van justitie eist. Dan is toch ook van belang hoe de ‘geëiste’ boete tot stand kwam. Het onschuldvermoeden wordt gediend door de onafhankelijke rechter die zelfstandig beslist welke boete hij passend en geboden acht.

Compensatie van de omkering: boetematiging?

Toch heeft de Hoge Raad op dit punt een stukje rechtsbescherming geboden. In dezelfde uitspraak(arrest) van 2011 overwoog de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de omkering van de bewijslast een oorzaak is van de belastingschuld waarmee (hoogte van) de door de inspecteur opgelegde boete is gekoppeld, door de rechter moet worden “meegewogen”.  De Hoge Raad redeneert daarbij als volgt. De rechter moet beoordelen welke straf passend en geboden is. Bij die beoordeling moet de rechter ook bezien of de straf – de op te leggen boete – in goede verhouding staat tot (“proportioneel is aan”) de ernst van het gepleegde feit.

Bij de beoordeling van de ernst van het gepleegde feit moet de rechter ook rekening houden met de wijze waarop de verschuldigde belasting is komen vast te staan. Daar hoort bij de omstandigheid dat die belasting kwam vast te staan onder toepassing van de omkering van de bewijslast. Dat is een begrijpelijke redenering. Voor bestraffing is de ernst van het gepleegde feit natuurlijk een heel belangrijke factor. Je zou kunnen zeggen dat vanuit het bestraffingsperspectief van de rechter de ernst van het gepleegde feit de straf qua maximale hoogte vastpint. Het kan alleen nog maar minder worden, bijvoorbeeld door persoonlijke omstandigheden van de dader.

Korting in % van de boete geen adequate oplossing

Nu komt het springende punt aan de orde. Hoe moet de werking van de omkering van de bewijslast worden verdisconteerd in de ernst van het gepleegde feit? Anno 2019 valt in de rechtspraak van de rechtbanken en de hoven grofweg als lijn te onderkennen dat voor die werking een korting wordt gegeven op de door de inspecteur vastgestelde boete van 5% tot 20%.

Aannemelijk is dat als de inspecteur volgens de normale bewijsregel een groot deel van de aangebrachte correctie aannemelijk heeft gemaakt een lage korting wordt verleend. Heeft de inspecteur de aangebrachte correctie krap aannemelijk gemaakt, maar voldoende om de bewijslast te doen omkeren, dan wordt een hoge korting verleend.

Zo kan het wel: zelfstandig oordeel rechter over bewijs boetegrondslag

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant deed het op 23 mei 2018 anders en naar mijn mening beter. De rechtbank benaderde onder toepassing van de normale bewijsregel (aannemelijk maken) het voordeel waarvan de inspecteur had bewezen dat het door de belastingplichtige was genoten. Het op die manier bepaalde voordeel was de grondslag voor de door de rechter vast te stellen boete. De rechtbank baseerde die aanpak kennelijk op artikel 6 EVRM. Maar ook als dat artikel niet van toepassing zou zijn, is de uitspraak naar mijn mening juist.

  • Rechter moet ‘passend en geboden’ sanctie bepalen

Ik ben namelijk van mening dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 2011 de taak van de belastingrechter bij boeteoplegging helder in kaart heeft gebracht. De Raad stelt voorop dat de rechter zelfstandig oordeelt welke straf passend en geboden is. Daarbij dient hij de ernst van het gepleegde feit vast te stellen en daarbij moet hij rekening houden met de toegepaste omkering van de bewijslast.

  • Geen boete over slechts denkbeeldig nadeel

Bij de beoordeling van de ernst van het gepleegde feit is de omvang van het (potentieel) veroorzaakte nadeel een gezichtspunt. Maar dan moet het natuurlijk gaan om het daadwerkelijke nadeel en niet om een fictief of denkbeeldig nadeel, louter uitkomst van een schatting en in stand gebleven door toepassing van de omkering van de bewijslast.

  • Beoordeling boete zonder omkering

De rechtbank Zeeland-West-Brabant benadert met haar werkwijze dan ook terecht – zelfstandig – het reële nadeel. En daarbij speelt de omkering van de bewijslast natuurlijk geen rol.

Conclusie

De rechterlijke praktijk waarbij in gevallen waarin sprake is van omkering van de bewijslast, voor de boete een (veelal niet nader gemotiveerde) percentuele  korting wordt toegepast, is in mijn ogen niet juist.

De Hoge Raad heeft in 2011 immers duidelijk gemaakt dat de rechter het bewijs voor de boete zelfstandig dient te beoordelen, zonder dat daarbij omkering van de bewijslast moet worden toegepast. Een andere uitleg is ‘niet verenigbaar’ met artikel 6 EVRM. Ook heeft de Hoge Raad daarin bepaald dat voor de proportionaliteit (of de boete ‘passend en geboden’ is), rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat – voor de heffing – omkering is toegepast.

De rechter moet er dus voor waken dat een virtueel bedrag in de heffing doorwerkt in de hoogte van de boete. Dit is met andere woorden een oproep aan de rechter om geen procentuele kortingen toe te passen maar zelfstandig tot een boetevaststelling te komen. Kortom: straf zelfstandig, belastingrechter!



[1] Voor de liefhebber: zie met name overweging 4.6.3., tweede alinea, en 4.5.2. van datzelfde arrest.

[2] het vermoeden van onschuld wordt gewaarborgd door artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

Fiscus: “U woont in Nederland, betalen!”

De aanpak van belastingontwijking (en –ontduiking) is een beleidsspeerpunt van het nieuwe kabinet, zo blijkt uit de recente brief van de staatssecretaris van financiën aan de Tweede Kamer. Wie na het lezen van deze brief denkt dat het kabinet slechts zijn pijlen heeft gericht op de multinationaal-opererende-belastingontwijkende giganten van deze aarde, heeft het echter mis. Het beleid van de Belastingdienst is erop gericht om ook belastingontwijking op kleinere schaal hard aan te pakken. Zo is een tendens te onderkennen waarin de Belastingdienst in een toenemende mate de woonplaats van natuurlijke personen ter discussie stelt.

Waar woont u?

In een woonplaatsonderzoek wordt door de fiscus onderzocht of iemand (fiscaal) inwoner van Nederland is: de binnenlandse belastingplicht. De kwalificatie van de belastingplicht is van groot belang. Een binnenlandse belastingplichtige wordt in beginsel over het wereldinkomen belast, een inwoner van een andere staat wordt daarentegen ‘slechts’ in de Nederlandse belastingheffing betrokken, indien en voor zover sprake is van inkomen uit een Nederlandse bron. Op grond van de Nederlandse fiscale wetgeving wordt de plaats waar iemand woont, en daarmee ook de staat waarvan een persoon fiscaal inwoner is, “naar de omstandigheden beoordeeld”. Uit de zeer omvangrijke jurisprudentie met betrekking tot woonplaatsgeschillen volgt dat de beoordeling geschiedt door te kijken naar alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval, die kunnen duiden op ‘een duurzame betrekking van persoonlijke aard met Nederland’. Overigens hoeft deze niet sterker te zijn dan de band met een andere staat, zoals de geboorte-, emigratie-, werk- en/of verblijfstaat. Zelfs als het middelpunt van iemands levensbelangen zich elders dan in Nederland bevindt, kan worden geacht dat die persoon (ook) inwoner van Nederland is.

In die context wordt duidelijk dat de fiscale woonplaats kan verschillen van de plaats waar iemand feitelijk woont. In veel gevallen is men zich niet ervan bewust dat hun handelingen aanleiding kunnen zijn voor de fiscus om te stellen dat een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aanwezig is. Zo kan een reeds als in het buitenland vastgestelde woonplaats van kleur verschieten bij vaak en/of langdurig verblijf in Nederland. Een schrijnend voorbeeld is het geval waarin meneer X na 15 jaar verblijf in het buitenland, door frequenter verblijf in Nederland in verband met de ziekenzorg van een naaste, in het desbetreffende jaar als binnenlandse belastingplichtige werd aangemerkt.

In de clinch met de fiscus

Wat te doen als u vragen krijgt over het reilen en zeilen van uw persoonlijke leven, het niet eens bent met de stelling van de inspecteur of zelfs verwikkeld dreigt te raken in een fiscale procedure tegen de Belastingdienst? En vooral, wat hoeft u niét te doen? In de fiscaliteit geldt het uitgangspunt “wie stelt moet bewijzen”. In het geval waarin de inspecteur een persoon als binnenlandse belastingplichtige aanmerkt, dient hij daartoe feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat die persoon in Nederland woont. Slaagt hij daarin, dan is het aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk in het buitenland woont.

Om, bij betwisting, zijn stelling aannemelijk te maken kan de inspecteur in de bezwaarfase verzoeken – en is eenieder desgevraagd verplicht – om gegevens, inlichtingen en administratie te verstrekken. Deze bevoegdheid van de inspecteur is echter niet onbeperkt, het inlichtingenverzoek ziet alleen op informatie die voor belastingheffing van die persoon van belang kan zijn. Desgevraagd is een persoon dus niet verplicht om antwoord te geven op vragen of gegevens over te dragen, als niet is gebleken dat dit relevant is voor de belastingheffing ‘te zijnen aanzien’.

In dat kader moet ervoor worden gewaakt dat het beantwoorden van dergelijke vragen ertoe leidt dat de inspecteur een lijstje, met voor de vaststelling van de woonplaats van belang geachte feiten en omstandigheden, gaat afvinken. Het gevaar schuilt erin dat de binnenlandse belastingplicht wordt vastgesteld zonder dat gedegen onderzoek plaatsvindt naar die feiten en omstandigheden. Zie in dat verband in het onderstaande overzicht (overigens zonder volledig te zijn) een greep van elementen die in de jurisprudentie van betekenis worden geacht:

  • de plaats waar een duurzame (ingerichte) woning ter beschikking staat;
  • de plaats van gewoonlijk of regelmatig verblijf (woonplaats, plaats van arbeid en/of scholing);
  • de plaats waar het gezins- en/of familieleven zich afspeelt;
  • de plaats waar het gas-, water- en lichtverbruik plaatsvindt;
  • de plaats waar bankrekeningen, verzekeringen, abonnementen & lidmaatschappen worden gehouden;
  • de plaats waar gewoonlijk geld wordt opgenomen en wordt uitgegeven;
  • de plaats waar medische behandeling wordt ondergaan (huisarts, tandarts en/of fysiotherapeut).

De informatiebeschikking

Het niet of niet volledig voldoen aan de verplichtingen die kleven aan het inlichtingenverzoek (het verstrekken van voor de belastingheffing relevante informatie) kan vergaande consequenties hebben. De inspecteur stelt het verzuim vast door het nemen van een (voor bezwaar en beroep vatbare) informatiebeschikking. In de beschikking wordt vermeld om welke informatie is verzocht, in welke mate niet aan het verzoek is voldaan en waarom deze informatie relevant is voor de belastingheffing van die persoon. Als een informatiebeschikking onherroepelijk is geworden (lees: vast is komen te staan dat iemand na de geboden mogelijkheid tot herstel alsnog niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen) kan omkering en verzwaring van bewijslast plaatsvinden. De inspecteur zal de aanslag dan op basis van een redelijke schatting vaststellen en is het aan die persoon om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de aanslag onjuist is.

Conclusie

Bij een geschil over de fiscale woonplaats is het in eerste instantie aan de inspecteur om zijn stelling aannemelijk te maken. Daartoe kan hij zijn fiscale gereedschapskist aanwenden en, alleen in de bezwaarfase, om inlichtingen verzoeken. Wees u ervan bewust dat u zowel rechten als plichten heeft. Het is in het belang van de (veronderstelde) binnenlandse belastingplichtige dat het onderzoek naar de feiten en omstandigheden zo adequaat mogelijk geschiedt en onnodige misverstanden worden voorkomen. Indien u van mening bent te hebben voldaan aan uw verplichtingen en toch een informatiebeschikking krijgt opgelegd, dan kunt u daartegen bezwaar en beroep aantekenen.

mr. W.G.G. (Woody) Jansen de Lannoy