Bestuurdersaansprakelijkheid:1+1=2 of toch niet?

Het leven van een bestuurder van een B.V. of een N.V. gaat niet altijd over rozen. Verkeert de vennootschap in financiële problemen en kan daardoor de loon- en/of omzetbelasting niet worden betaald, dan kan de ontvanger proberen de bestuurder daarvoor op te laten draaien. De ontvanger stelt de bestuurder dan bij beschikking aansprakelijk. Wat is voor u als bestuurder belangrijk: een rechtsgeldige melding betalingsonmacht! Zonder zo’n melding komt u in een lastige bewijspositie te verkeren. Wat is nog meer belangrijk? Een goed verweer tegen de aansprakelijkstelling. Daarover in dit blog meer.

Businessman in a blindfold stepping off a cliff ledge with giant hand drawing a bridge for a safe crossing concept for building bridges, risk, challenge, conquering adversity, ignorance and assistance

Melding betalingsonmacht

In artikel 36 Invorderingswet 1990 is de bepaling over de bestuurdersaansprakelijkheid opgenomen. De melding van betalingsonmacht neemt in deze regeling een centrale plaats in. Kort gezegd levert een niet tijdige melding een vorm van onbehoorlijk bestuur op die leidt tot onherroepelijke aansprakelijkheid, tenzij de bestuurder aannemelijk maakt dat de niet correcte melding niet aan hem is te wijten. Anderzijds leidt een tijdige melding van betalingsonmacht slechts tot aansprakelijkheid als de ontvanger aannemelijk maakt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur.

Zoals gezegd, is de tijdige melding van betalingsonmacht cruciaal. Uit de jurisprudentie volgt dat ook sprake is van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht als de ontvanger op grond van contacten met de bestuurders al op de hoogte is van de betalingsonmacht ondanks het feit dat geen formele al dan niet schriftelijke melding heeft plaatsgevonden. In zo’n geval is een formele melding overbodig omdat de ontvanger al op de hoogte is.

Onbehoorlijk bestuur

Uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, Invorderingswet 1990 pas kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – zou hebben gehandeld als de aansprakelijkgestelde bestuurder heeft gedaan. Dit is, aldus de Hoge Raad, onder meer het geval indien de aansprakelijkgestelde bestuurder van een lichaam heeft bewerkstelligd dat belastingschulden van dat lichaam onbetaald zijn gebleven terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat die belastingschulden onbetaald zouden blijven en hem te dezer zake persoonlijk een ernstig verwijt treft.

De bewijslast dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur rust op de schouders van de ontvanger. De praktijk wijst uit dat de ontvanger in de beschikking aansprakelijkstelling vaak niet verder komt dan het opsommen van het onderstaande rijtje:

  • U bent als (middellijk) bestuurder in de gelegenheid geweest invloed uit te oefenen op het aangifte- en betalingsgedrag van X B.V.;
  • U heeft er niet voor gezorgd dat de belasting op aangiften door X B.V. is voldaan;
  • X B.V. heeft de belastingaanslagen niet betaald;
  • U heeft geen zorg gedragen voor de betaling van de aanslagen binnen de betalingstermijnen die gelden na het opleggen van de naheffingsaanslagen.

Deze 4 punten komen in de kern eigenlijk op het zelfde neer namelijk dat X B.V. de verschuldigde belasting niet heeft betaald en dat de bestuurder daarop kennelijk invloed heeft kunnen uitoefenen. De feiten en omstandigheden waarop de ontvanger dit dan baseert, worden in het merendeel van de zaken niet vermeld. Dat is opmerkelijk omdat de bewijslast, zoals gezegd, wel op de ontvanger rust. De praktijk wijst helaas ook uit, dat rechters de ontvanger vaak de hand boven het hoofd houden en instemmen met slechts deze summiere punten als onderbouwing voor de beschikking aansprakelijkstelling.

Verweer aansprakelijkstelling

De bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 36 Invorderingswet 1990 geldt – kort gezegd – voor de loonheffing en de omzetbelasting. Beperk ik mij even tot de loonbelasting, dan is dat een heffing van werknemers waarvoor de werkgever slechts als inhoudingsplichtige is aan te merken. De problematiek die is gemoeid met de inning van inkomstenbelasting over looninkomsten is voor het overgrote deel bij de werkgevers neergelegd en daarmee ligt deze op een plek waar deze niet thuishoort. Als vervolgens de inhoudingsplichtige zijn verplichting niet nakomt, schuift de fiscale rekening door naar een inlener of naar een bestuurder. Hiermee komen we, mijns inziens, ver af te staan van de oorspronkelijke bedoeling namelijk het heffen van belasting van werknemers over hun looninkomsten. Dat heeft de wetgever er echter niet van weerhouden een bestuurdersaansprakelijkheid en inlenersaansprakelijkheid in het leven te roepen. Deze aansprakelijkheidsbepalingen hebben al de nodige discussies en dus ook jurisprudentie opgeleverd.

Op 19 december 2008 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak waarin de inlenersaansprakelijkheid van artikel 34 Invorderingswet 1990 aan de orde kwam. De Hoge Raad overwoog – voor zover relevant – in r.o. 4.6.3:

Een zorgvuldig gebruik van de beleidsvrijheid die de Ontvanger heeft om aan de uitlener uitstel van betaling te verlenen en om daarbij zekerheid te verlangen, brengt mee dat hij daarbij in zoverre rekening dient te houden met de belangen van de inleners die op grond van artikel 34 van de Wet aansprakelijk zijn voor de desbetreffende belastingschuld, dat hij bij het verlenen van uitstel van betaling niet met minder zekerheid genoegen neemt dan hij bij een behoorlijke uitoefening van zijn taak van de uitlener zou hebben verlangd indien de Wet hem niet de mogelijkheid zou hebben geboden de inleners aan te spreken. Indien de Ontvanger in strijd met deze regel aan A uitstel van betaling heeft verleend voor de naheffingsaanslag van 5 december 2000, kan hij belanghebbende niet aansprakelijk houden voor die naheffingsaanslag voor zover A zekerheid had kunnen verschaffen.

De ontvanger moet, bij een inlenersaansprakelijkheid, dus rekening houden met de belangen van inleners en niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij bij een behoorlijke taakuitoefening zou hebben verlangd als er geen aan te spreken inleners zouden zijn. Vervolgens is in deze zaak geprocedeerd over de vraag wie de bewijslast draagt over het verschaffen van zekerheid door de belastingschuldige. Ook daarover heeft de Hoge Raad zich uitgelaten. In het arrest van 11 mei 2012 oordeelt de Hoge Raad dat een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat de ontvanger het bewijs levert dat, of in hoeverre, de belastingschuldige geen zekerheid kon bieden voor de betaling van de belastingschuld waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld.

Ik ben van mening dat deze rechtsregels niet alleen van belang zijn in de inlenersaansprakelijkheid maar ook bij de bestuurdersaansprakelijkheid. Ook de bestuurder wordt als derde aansprakelijk gehouden voor de loonbelastingschuld van een ander. Weliswaar staat de bestuurder dichter bij de betreffende vennootschap dan een inlener, maar ook een bestuurder moet mijns inziens als argument tegen de beschikking aansprakelijkstelling kunnen opwerpen dat de ontvanger zijn beurt voorbij heeft laten gaan door in zijn relatie met de belastingschuldige niet de behoorlijke uitoefening van zijn taak in acht te nemen.

Conclusie

Als bestuurder van een B.V. of een N.V. kunt u door de ontvanger van de Belastingdienst aansprakelijk worden gesteld voor de loon- en omzetbelastingschuld van de vennootschap. Tegen die aansprakelijkstelling kunt u in verweer komen. Daarbij is de melding betalingsonmacht cruciaal. Is de melding betalingsonmacht rechtsgeldig gedaan, dan moet de ontvanger bewijzen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Een van de verweren die u inhoudelijk tegen de beschikking kunt aanvoeren is dat de ontvanger zijn beurt voorbij heeft laten gaan omdat de ontvanger zijn taak niet behoorlijk heeft uitgeoefend in de relatie met de belastingschuldige.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers

 

Voorkom hoofdelijke aansprakelijkheid door te late of onjuiste melding betalingsonmacht

Wanneer een rechtspersoon een belastingschuld niet op tijd kan betalen, eist de Invorderingswet 1990 dat de bestuurders van de rechtspersoon een melding betalingsonmacht doen bij de Ontvanger van de belastingdienst. Als de melding niet of te laat wordt gedaan, zijn alle bestuurders hoofdelijk (privé) aansprakelijk voor de niet betaalde belastingschuld. Veelal zal het gaan om de loonbelasting en omzetbelasting van een onderneming.

Wie?

Bestuurders van commerciële ondernemingen met rechtspersoonlijkheid, zoals B.V.’s, N.V.’s, stichtingen en verenigingen (de laatste twee indien en voor zover zij een onderneming drijven). Indien een onderneming meerdere bestuurders heeft, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden bij niet tijdig of niet juist melden. Een strikte taakverdeling onder bestuursleden doet hieraan in de regel niet toe of af; fiscaliteit wordt gezien als de verantwoordelijkheid van elke bestuurder.

Wanneer melden?

De melding moet worden gedaan ‘onverwijld’ nadat is gebleken dat betaling van de belastingschuld niet mogelijk is. Onverwijld houdt in dit geval in: uiterlijk twee weken na de dag dat de belastingaanslag betaald had moeten worden (artikel 7, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet). Dit houdt bijvoorbeeld bij de (maandelijks) af te dragen loonbelasting over januari in, dat voor eind februari moet worden betaald en de melding van betalingsonmacht uiterlijk – twee weken later- op 14 maart moet plaatsvinden.

Bij te betalen naheffingsaanslagen geldt dat alleen een geldige melding kan worden gedaan als het niet aan opzet of grove schuld van de rechtspersoon te wijten is dat de nageheven belasting destijds niet is afgedragen. LET OP: er zijn situaties –buiten faillissement of surseance van betaling- waarbij de bestuurder ontslagen kan zijn van de meldingsplicht. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de ontvanger al op de hoogte was van de betalingsonmacht, doordat dit in eerdere communicatie of correspondentie al bekend is gemaakt of door contact met de deurwaarder.

Hoe?

U kunt de betalingsonmacht melden via het standaardformulier van de belastingdienst. De melding moet inzicht geven in de omstandigheden die er toe hebben geleid dat de belasting niet (tijdig) betaald kan worden. Dit kan bijvoorbeeld een tijdelijk liquiditeitstekort zijn, maar kan ook een meer structureel betalingsprobleem inhouden.

Gevolg niet melden: aansprakelijk voor de belastingschulden

Alle bestuurders kunnen hoofdelijk (privé) aansprakelijk worden gesteld indien de onderneming belastingen niet kan betalen en het aannemelijk is dat dit het gevolg is van onbehoorlijk bestuur dat aan hen te wijten is. Indien volledig én op tijd bij de ontvanger van de belastingdienst melding wordt gedaan van betalingsonmacht is de bestuurder ‘slechts’ aansprakelijk indien aannemelijk wordt dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van mededeling. Onder kennelijk onbehoorlijk bestuur vallen ernstige misslagen en wanbeleid, maar ook minder ernstige fouten zoals roekeloos of onverantwoordelijk bedrag van bestuurders. Bovendien leidt het nemen van bedrijfsrisico’s die veel groter zijn dan wat tot normaal ondernemersrisico mag worden gerekend, al snel tot kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Bij onvolledig en/of niet op tijd melden is de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden en wordt kennelijk onbehoorlijk bestuur aangenomen. Een bestuurder mag dit bewijsvermoeden pas weerleggen, wanneer hij aannemelijk kan maken dat het niet aan hem te wijten is dat niet (tijdig) is gemeld. De praktijk wijst uit dat een dergelijke situatie zich zelden voordoet. U kunt bijvoorbeeld denken aan het uitzonderlijke geval dat een bestuurder in coma lag op het moment dat de melding gedaan had moeten worden. Fiscaliteit wordt in de regel gezien als verantwoordelijkheid van alle bestuurders. Zodoende is er een zeer beperkte mogelijkheid voor bestuurders om überhaupt in de gelegenheid te worden gesteld om te weerspreken dat sprake zou zijn van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Melding te laat of onjuist? Schakel een advocaat in!

Indien de melding betalingsonmacht niet of te laat is gedaan, zult u als hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor de niet betaalde belastingschulden. Zoals hierboven aangegeven, zal in dat geval kennelijk onbehoorlijk bestuur worden aangenomen. Dit is een lastig te weerleggen bewijsvermoeden. Schakel een deskundige advocaat in en leg uw zaak voor om de mogelijkheden te bespreken en om deze discussie eventueel uit handen te geven. Bovendien kan de situatie zich voordoen dat u ontslagen bent van uw wettelijke meldingsplicht. U kunt vrijblijvend contact met Jaeger Advocaten- Belastingkundigen opnemen om uw specifieke situatie te bespreken.

Big Brother Belastingdienst

door Martin Muller, advocaat-belastingkundige

Deze bijdrage beschrijft hoever overheidsinstanties soms willen gaan in hun honger naar informatie over burgers, maar ook hoe de rechter daar af en toe paal en perk aan stelt. 

De titel van deze blog allitereert misschien mooi, maar klinkt veel mensen toch niet lekker in de oren. Tot die bevolkingsgroep behoort in elk geval de kortgedingrechter die onlangs met zoveel woorden oordeelde dat de belastingdienst geen big brother-positie behoort te ambiëren.

Waar ging het over? SMSParking biedt aan haar klanten diensten aan voor betaald parkeren via SMS, internet, smartphone en apps. Zij beschikt daarom over grote hoeveelheden data: kentekens die aan haar cliënten kunnen worden gelinkt en plaatsen, data en tijdstippen waarop de auto’s met die kentekens hebben geparkeerd. Dit klinkt allemaal niet zo heel spannend, maar toch heeft de belastingdienst interesse in dit soort gegevens. Hij kan bijvoorbeeld aan de hand van deze data gemakkelijk toetsen of de kilometeradministraties die werknemers met een auto van de zaak bijhouden, wel juist zijn. De zakelijke rijder die volgens zijn rittenadministratie op een bepaalde plek was, maar volgens data van bijvoorbeeld een parkeerintermediair op een heel andere plek was, heeft aan de inspecteur iets uit te leggen. Daarnaast kunnen de gegevens ook voor bijvoorbeeld de omzetbelasting, motorrijtuigenbelasting en de BPM relevant zijn.

Hoewel de desbetreffende bepaling al in de wet stond toen parkeren overal waarschijnlijk nog gratis was en ‘mobiel parkeren’ in elk geval nog onvoorstelbaar was, biedt de wet wel een grondslag voor de belastingdienst om van derden gegevens zoals hier aan de orde te vorderen. De wet voorziet er namelijk in dat (huiselijk gezegd) iedere ondernemer verplicht is desgevraagd gegevens aan de belastingdienst te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van een ander (artikel 53 AWR). We spreken dan van een derdenonderzoek.

Dat parkeergegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, valt moeilijk te betwisten. Toch voelt het niet goed dat de belastingdienst een enorme hoeveelheid data zou mogen vorderen waarmee hij kan controleren wie, waar en wanneer was, en dan ook nog zonder zijn vordering toe te spitsen op bepaalde personen. De belastingdienst vorderde bijvoorbeeld de data van alle klanten van SMSParking, dus ook degenen bij wie fiscale consequenties absoluut geen enkele rol kunnen spelen.

Deze omstandigheid bracht de kortgedingrechter ertoe de bescherming van de privacy zoals die is vastgelegd in artikel 8 EVRM zwaarder te laten wegen dan het belang van de belastingdienst. Hij overwoog uitdrukkelijk dat het uitgangspunt niet is dat iemand die niets te verbergen heeft ook niets te vrezen heeft, maar dat het dagelijkse doen en laten van de burgers de overheid niets aan gaat. Dat is volkomen juist, maar de rechter had ook zonder het belang van de privacybescherming in te roepen tot hetzelfde eindoordeel kunnen komen. Een vergaande, algemeen geformuleerde bevoegdheid als die waarop de belastingdienst zich beriep, wordt van nature namelijk sterk gereguleerd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die verhouden zich slecht met fishing expeditions zoals hier aan de orde. Zij staan er naar mijn idee ook aan in de weg dat de belastingdienst bij een grote aanbieder van mobiel parkeren informatie opvraagt over al haar afnemers. Zoiets kan namelijk veel klanten kosten. Je kunt zeggen dat SMSParking pech heeft als haar klanten uit angst voor de fiscus voortaan weer gewone kaartjes gaan kopen, maar zij kan er ook niets aan doen dat belastingplichtigen om welke reden dan ook creatief hun ritten administreren, of daar domweg fouten bij maken.

Toen ik het vonnis van de kortgedingrechter las moest ik onwillekeurig denken aan een dappere dierenarts uit Rotterdam, die werd geconfronteerd met een derdenonderzoek naar zijn klanten en het lef had die fiscale nieuwsgierigheid te trotseren. Om de juiste heffing van hondenbelasting te controleren had de gemeentelijke belastingdienst aan de dierenartsen in en rondom de stad verzocht aan te geven wie van hun klanten een hond had. Op die manier hoopte men op het spoor te komen van hondenbezitters die geen hondenbelasting betaalden. De dierenarts had hier ethische bezwaren tegen. Hij vreesde dat hondenbelasting-ontduikende hondenbezitters medische zorg aan hun hond zouden ontzeggen uit angst voor dierenartsen die gedwongen werden te klikken. De controleurs vonden dit het probleem van de hondenbezitters (en de honden) en de rechtbank ging hierin mee. Pas in hoger beroep wist de dierenarts te winnen, maar alleen door een onderbelicht gebleven detail uit het formele belastingrecht aan te voeren. Waar het om gaat is dat ook hier bij de belastingambtenaren het besef ontbrak dat men niet alles zou moeten willen weten, kortom dat er redelijke grenzen moeten zijn.

Over het voorval met de hondenbelasting werd de Staatssecretaris van Financiën aan de tand gevoeld. Deze onttrok zich aan de kwestie door erop te wijzen dat de hondenbelasting op gemeentelijk niveau wordt geheven, zodat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk was, waarop deze laatste het erop hield dat de gemeenteraad maar moet afwegen of de fiscale belangen van een derdenonderzoek opwegen tegen de nadelen voor degene waarvan gegevens worden gevorderd.

Ter zake van de parkeergegevens die werden gevorderd is de belastingdienst wel zelf bevoegd, en is dus de Staatssecretaris verantwoordelijk. Ik ben benieuwd of hij een deugdelijke afweging heeft gemaakt, en ben met name benieuwd of naar aanleiding van het vonnis een debat op gang komt over – om met de woorden van de kortgedingrechter te spreken – de balans tussen hetgeen technisch mogelijk is en hetgeen aanvaardbaar is.

Bent u een ondernemer van wie medewerking aan een derdenonderzoek wordt verwacht? Misschien bent u daar helemaal niet toe verplicht. Of wordt u als belastingplichtige aangeslagen op grond van informatie die uit een derdenonderzoek afkomstig is? Als die informatie onrechtmatig is verkregen, kan dat ingrijpende consequenties hebben. In al die gevallen kunnen de advocaten-belastingkundigen van Jaeger u helpen.