Rentevergoeding: onbekend maakt onbemind?

Bij het belastingplan 2015 is artikel 28c aan de Invorderingswet 1990 toegevoegd. Op grond van dit artikel kan een belastingplichtige aanspraak maken op vergoeding van rente als hij een belastingteruggave krijgt omdat die belasting in eerste instantie in strijd met het EU-recht is geheven. Hoewel dit artikel al weer enige tijd in werking is, wijst de praktijk uit dat zowel belastingplichtigen als ontvangers deze rentevergoeding niet scherp op het netvlies hebben staan. Tijd voor verandering dus!

Rentevergoeding

De afgelopen jaren is er al veel te doen geweest over de regels omtrent het in rekening brengen van (belasting)rente en het vergoeden van rente door de Belastingdienst. In dit blog besteed ik aandacht aan een zeer specifieke bepaling over het toekennen van een rentevergoeding, die – mijns inziens – te vaak over het hoofd wordt gezien. Ik doel dan op artikel 28c Invorderingswet.

Heeft een belastingschuldige recht op een teruggave van belasting omdat die belasting in eerste instantie in strijd met het recht van de Europese Unie is geheven en geïnd, dan kan die teruggave gepaard gaan met een rentevergoeding. Deze rentevergoeding wordt ook wel de Irimie-rente genoemd. U vraagt zich wellicht af waar komt die naam vandaan? Van het gelijknamige arrest van het Europese Hof van Justitie. Op 18 april 2013 oordeelde het Hof in de zaak Irimie dat wanneer belasting door een lidstaat is geheven in strijd met het recht van de Europese Unie een passende rentevergoeding niet aan de belastingplichtige mag worden onthouden.

In navolging van dit arrest van het Hof heeft ook de Nederlandse Hoge Raad op 19 december 2014 geoordeeld dat een passende rentevergoeding moet worden toegekend. Daarbij neemt de Hoge Raad als uitgangspunt dat de rentevergoeding moet worden berekend vanaf de dag die volgt op de dag waarop onverschuldigd is betaald. Is de belasting bijvoorbeeld op 2 januari 2015 betaald, dan wordt vanaf 3 januari 2015 rente berekend. De rente wordt vervolgens berekend tot de datum van terugbetaling van de belasting.

Deze jurisprudentie is vervolgens gecodificeerd in artikel 28c Invorderingswet (opgenomen in het Belastingplan 2015).

Vereisten voor het toekennen van een rentevergoeding

Om in aanmerking te komen voor een rentevergoeding op grond van artikel 28c Invorderingswet 1990 is het van belang dat de heffing in eerste instantie in strijd met het Unierecht heeft plaatsgevonden. Indien die schending vaststaat, zou een rentevergoeding moeten worden toegekend. In Nederland werkt het – helaas – niet zo dat bij de teruggaafbeschikking automatisch de rente wordt bijgeschreven.

Artikel 28c Invorderingswet 1990 bepaalt namelijk dat de rentevergoeding slechts op verzoek van de belastingplichtige wordt toegekend: zonder verzoek dus geen vergoeding!

De termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek om vergoeding van rente eindigt zes weken na de dagtekening van de teruggaafbeschikking (artikel 28c, lid 3, Invorderingswet 1990). Het is dus belangrijk dat je als belastingplichtige en/of als adviseur deze termijn scherp op het netvlies hebt staan. Wordt het verzoek te laat ingediend, dan is het jammer maar helaas. Van belang daarnaast is ook dat het de ontvanger van de Belastingdienst is die tot het toekennen van deze rentevergoeding moet overgaan.

Onbekend maakt onbemind

Gelukkig wordt de soep niet altijd zo heet gegeten, als hij wordt opgediend. In het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 wordt een soort spoorboekje gegeven hoe moet worden omgegaan met deze Irimie-rente.

Uit het arrest volgt dat onder ogen moet worden gezien dat belastingplichtigen veelal niet bekend zijn met de inhoud van artikel 28c Invorderingswet 1990 en dat ook de kans bestaat dat belastingplichtigen niet bekend zijn met het feit dat zij uiteindelijk een teruggaaf van belasting krijgen omdat die in eerste instantie in strijd met het EU-recht was geheven. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt dan, aldus de Hoge Raad, met zich mee dat de belastingplichtige op deze mogelijkheid tot het verkrijgen van een rentevergoeding expliciet wordt gewezen. Deze taak ligt, aldus de Hoge Raad, bij de inspecteur die de teruggaafbeschikking afgeeft. Deze inspecteur dient de belastingplichtige dus expliciet te wijzen op de mogelijkheid om binnen zes weken na die beschikking een verzoek tot rentevergoeding in te dienen. Tevens moet daarbij door de inspecteur worden aangegeven dat de ontvanger vervolgens binnen zes weken op dat verzoek zal beslissen. Schort het aan deze informatieplicht van de zijde van de inspecteur, of met andere woorden heeft de inspecteur nagelaten deze informatie te verstrekken, dan kan de termijnoverschrijding niet aan de belastingplichtige worden tegengeworpen. Dit is slechts anders als aannemelijk is dat de belastingplichtige van deze regeling omtrent de Irimie-rente op de hoogte was of redelijkerwijs geacht mag worden op de hoogte te zijn van deze regeling. De vraag is vervolgens of eventuele kennis van de belastingadviseur of de accountant op dit punt aan de belastingplichtige kan worden toegerekend.

Doordat de inspecteur thans een actieve informatieplicht heeft op het punt van deze rentevergoeding zal het spreekwoord hopelijk snel ombuigen van onbekend maakt onbemind naar bekend maakt bemind!

Conclusie

Wordt belasting teruggeven omdat deze in eerste instantie in strijd met het Europese recht is geheven (en geïnd), dan kan de belastingplichtige aanspraak maken op een rentevergoeding (artikel 28c Invorderingswet 1990). Van belang daarbij is dat dit verzoek tijdig – binnen zes weken na de dagtekening van de teruggaafbeschikking – wordt ingediend bij de ontvanger van de Belastingdienst. De Hoge Raad heeft de inspecteur van de Belastingdienst op dit punt een actieve informatieplicht gegeven, zodat de belastingplichtige ook op de hoogte is van deze mogelijkheid om rente vergoed te krijgen. Laten we hopen dat de regeling van ‘onbekend maakt onbemind’ snel het predicaat ‘bekend maakt bemind’ krijgt.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers