Handhaving vakantieverhuur in Amsterdam flink opgevoerd

Het net sluit zich rond Airbnb in Amsterdam’ berichtte dagblad Parool eerder deze week over de voorgenomen invoering van een meldplicht voor vakantieverhuur. Eind vorig jaar eveneens dreigende taal (‘Alle wapens zijn inmiddels geoorloofd in de strijd tegen drukte in de stad) over de verhoging van de toeristenbelasting in Amsterdam. Dat het niet bij meer regelgeving blijft blijkt nu de gemeente overgaat tot het opleggen van forse boetes in gevallen waarin de Huisvestingswet zouden zijn overtreden. Wat u kunt doen tegen een navordering toeristenbelasting of een boete van de gemeente leest u in dit blog.

CHIANG MAI, THAILAND - SEP 04,2016 Apple iPhone 6s plus with Airbnb application on the screen. Airbnb is a website for people to list, find, and rent lodging.

Toeristenbelasting strop voor verhuurbedrijven

Particulieren die hun woning in Amsterdam via Airbnb verhuren hoeven niet direct te vrezen voor een navorderingsaanslag toeristenbelasting. Per 1 februari 2015 int AirBnB namelijk toeristenbelasting voor de verhuurder en draagt deze af aan de gemeente Amsterdam. Voor verhuurbedrijven kan de toeristenbelasting wel een financiële strop worden als blijkt dat expats, die dus geen toerist zijn, zich niet hebben ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Artikel 224 Gemeentewet geeft gemeenten namelijk de bevoegdheid om (toeristen)belasting te heffen ter zake van het verblijf van personen die niet in de gemeentelijke basisadministratie zijn opgenomen als ingezetene van de gemeente. Problematisch is dat slechts een beperkte club (semi-)overheidslichamen toegang heeft tot de gegevens in de GBA. Een verhuurder kan daarom contractueel vastleggen dat een huurder zich moet inschrijven, maar kan dit dus niet zelf controleren. Als later blijkt dat men zich niet heeft ingeschreven, kan van de verhuurder alsnog 5% toeristenbelasting worden nagevorderd over de totale huursom.

Is de bemiddelaar (ook) belastingplichtig?

Artikel 3 van de Verordening toeristenbelasting van de gemeente Amsterdam bepaalt dat belastingplichtig is degene is die ‘gelegenheid biedt tot verblijf’. Over de vraag wie belastingplichtig is (of zijn) kan onduidelijkheid bestaan als meerdere partijen betrokken zijn bij de verhuur. Dit speelde in een zaak die vorig jaar is beslecht door de Hoge Raad. De belanghebbende in die zaak verhuurde combinaties van tientallen door haar gemeubileerde appartementen aan bedrijven. Deze bedrijven stelde de appartementen voor ongeveer zes maanden ter beschikking aan hun werknemers die tijdelijk te werkzaam waren in Amsterdam (‘de expats’).

Advocaat-generaal IJzerman concludeerde in deze zaak dat de belanghebbende ten onrechte als belastingplichtige voor de toeristenbelasting was aangemerkt omdat zij geen contractuele relatie met de expats had. De Hoge Raad oordeelde echter dat de belanghebbende wel ‘verblijf bood’ en dat om deze reden de navorderingsaanslagen toeristenbelasting van in totaal meer dan € 150.000 terecht aan haar waren opgelegd. Dit oordeel houdt mede verband met de omstandigheid dat de belanghebbende ook bijkomende diensten verrichtte, zoals het in- en uitchecken van de expats en de schoonmaak van de appartementen. Een onwenselijk gevolg van deze uitleg van de belastingplicht voor de toeristenbelasting door de Hoge Raad, is dat deze ruimte laat voor gemeenten om één verblijf bij meerdere belastingplichtigen in rekening te brengen.

Bij de vraag of bemiddelingsbureaus ook onder deze ruime uitleg vallen, is van belang dat de gemeente enkel toeristenbelasting mag heffen indien de ‘verblijfbieder’ in redelijkheid de mogelijkheid heeft de toeristenbelasting te verhalen op degene die verblijf houdt. Daarvan zal bij de bemiddelaar, die doorgaans de financiële kant van de verhuur regelt, veelal sprake zijn.

Bestuurlijke boete voor woonfraude

Een andere manier waarmee toeristische verhuur wordt bestreden is het opleggen van boetes vanwege overtreding van de Huisvestingswet. Artikel 21 van de Huisvestingswet bepaalt dat het verboden is zonder vergunning woningen te onttrekken aan de woningvoorraad, waarvan onder meer sprake is bij doorlopende toeristische verhuur.  Daarbij geldt dat de (gemeentelijke) toezichthouders bevoegd zijn een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. Het wettelijk boetemaximum is gesteld op € 20.500, waarbij de Amsterdamse Huisvestingsverordening de boetes op dit bedrag heeft gefixeerd. Dit betekent in beginsel dat geen onderscheid wordt gemaakt naar ernst van de overtreding, maar dat standaard de maximum boete wordt opgelegd. Deze praktijk staat op gespannen voet met artikel 5:46 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is vastgelegd dat het bestuursorgaan een bestuurlijke boete afstemt op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Ook op grond van artikel 6 EVRM dient de rechter een indringende of ‘volle’ toetsing te verrichten van de evenredigheid tussen de hoogte van de bestraffende sanctie aan de ene kant, en de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid aan de andere kant. Het gefixeerde systeem van boete oplegging brengt wel mee dat de boeteling zelf (uitdrukkelijk) feiten en omstandigheden naar voren dient te brengen die matiging van de boete rechtvaardigen, zoals de onmogelijkheid te kunnen controleren of huurders zijn ingeschreven in de GBA.

Zo matigde rechtbank Amsterdam een boete voor toeristische verhuur omdat de leefbaarheid in de buurt jarenlang flink onder druk stond als gevolg van bouwwerkzaamheden. De rechtbank overwoog: “Dit komt omdat de leefbaarheid van de buurt voor verweerder een belangrijk argument vormt om boetes op te leggen in geval van toeristische verhuur.”  In een geval waarin een woningeigenaar zich erop beriep te hebben vertrouwd in het naleven van de regels door de exploitant/bemiddelaar oordeelde de Raad van State echter “dat van de eigenaar van een pand die dat verhuurt, mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt.”

Conclusie

Mede door de opkomst van verhuurplatform Airbnb is het aantal toeristen in de grote steden de afgelopen jaren flink toegenomen. Om de groei te beteugelen en overlast te beperken pakt de gemeente deze branche hard aan, onder meer door het opleggen van hoge boetes. Daarbij maakt de gemeente geen onderscheid naar de aard en de ernst van de overtreding of de mate van verwijtbaarheid. Daardoor ontstaat willekeur en liggen onevenredig hoge boetes op de loer liggen. Een gang naar de rechter, die de evenredigheid van boetes ‘vol’ toetst, kan dan uitkomst bieden. Ook wordt de toeristenbelasting ingezet als middel om verhuurbedrijven onder druk te zetten als blijkt dat ‘longstay’ huurders zich niet hebben ingeschreven in de GBA.

Mr. N. (Nick) van den Hoek

Zie ook het blog ‘Delen via internetplatforms? Let op: de fiscus kijkt mee

 

‘Delen’ via internetplatforms? Let op: de fiscus kijkt mee!

De deeleconomie is ‘hot’. Steeds meer mensen ontdekken de mogelijkheid om kosten te besparen of zelfs geld te verdienen door het tegen vergoeding delen van hun woning, auto e.d. Dat de deeleconomie een lucratieve vlucht heeft genomen is inmiddels ook bij de belastingdienst bekend. De fiscus is deze zomer onderzoeken gestart naar de belastingplicht van delers op huizenverhuursites als Airbnb. De deler aanmerken als belastingplichtige is echter nog niet zo eenvoudig.

inkomsten verhuur internet

Belastingplichtig over deelinkomsten

Dat over deelinkomsten vaak belasting moet worden betaald is bij weinig delers bekend. Dit kan voor problemen zorgen, want deelplatforms laten de belastingzaken over aan de delers. Dit is echter niet altijd eenvoudig. Op de sites van de verhuurders is veelal geen duidelijke informatie te vinden over de belastingplicht. Afgezien van een rekenvoorbeeld over de gevolgen voor de incidentele verhuur van een eigen woning via internet is hierover ook op de site van de Belastingdienst geen specifieke informatie te vinden.

Verschillende situaties

Kenmerkend voor de deeleconomie is dat het andere ‘deelnemers/actoren’ kent dan de traditionele economie. De deeleconomie kenmerkt zich door consumenten die aan elkaar zaken verhuren of overdragen (C2C). Dit in tegenstelling tot de traditionele economie waar de relatie veelal ondernemer – consument (B2C) is. De deelplatforms brengen de consumenten enkel bij elkaar. Het onderscheid tussen C2C en B2C is van belang voor de belastingplicht.

Belastingplicht

Btw-heffing is pas aan de orde als sprake is van “business”. Het onderscheid tussen B2C en C2C is echter niet altijd even makkelijk te maken. Wanneer passeert de ‘consumer’ de grens naar ‘business’?

Voor de heffing van de inkomstenbelasting is het relevant of de inkomsten uit deelactiviteiten moeten worden gezien als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden. Maar wanneer is iemand ondernemer? Btw-plichtig zijn betekent niet automatisch dat de inkomsten voor de inkomstenbelasting worden gezien als winst uit onderneming. Om als ondernemer voor de inkomstenbelasting aangemerkt te worden dient sprake te zijn van een deelneming aan het economische verkeer en moet de activiteit gericht zijn op het behalen van voordeel. Dit voordeel moet bovendien redelijkerwijs te verwachten zijn. Dit zijn voorwaarden waar discussie over mogelijk is.

In plaats van winst uit onderneming zal sneller heffing plaats kunnen vinden op basis van resultaat uit overige werkzaamheden. Resultaat uit overige werkzaamheden is de restcategorie van het inkomen uit werk in box 1. Onder een overige werkzaamheid wordt in het algemeen verstaan het verrichten van enige vorm van arbeid die is gericht op het behalen van geldelijk voordeel. Naast winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden is het ook mogelijk dat bij tijdelijke verhuur van een eigen woning sprake is van een voordeel uit eigen woning. Zie het rekenvoorbeeld van de belastingdienst.

Een andere vraag is hoe de deelactiviteiten beoordeeld moeten worden. Wat te doen als een particulier een aantal verschillende activiteiten verricht, zoals een paar keer per jaar zijn woning verhuurt via Airbnb, zijn auto deelt via Snappcar en spullen verkoopt via Marktplaats? Dient elke activiteit afzonderlijk te worden beoordeeld voor de vraag of sprake is van belastingplicht? Of moeten deze activiteiten gezamenlijk worden beoordeeld voor de vraag of sprake is van een belastingplicht? Allemaal punten die in het grijze gebied van de fiscaliteit vallen.

Fiscale gevolgen

De aanwezigheid van een belastingplicht zegt nog niet meteen iets over de fiscale gevolgen. Dit omdat voor verschillende gevallen verschillende vrijstellingen kunnen gelden. Als sprake is van een onderneming gelden strengere eisen van bedrijfsvoering, maar het voordeel is dat er meer fiscale aftrekmogelijkheden zijn. Zo geeft de kleineondernemersregeling recht op vermindering van de verschuldigde btw als het btw bedrag niet meer dan € 1.883 per jaar bedraagt.

Lastig voor delers maakt het dat naast de ingewikkelde fiscale regelgeving er ook gespeculeerd wordt over gedoogbeleid. Zo zou volgens autodeelplatforms de Belastingdienst gedogen dat inkomsten tot € 6.000 niet als belastbare inkomsten worden opgegeven. Of dit daadwerkelijk het huidige gedoogbeleid is, bevestigt de belastingdienst niet.

Een ander verschil tussen particulieren en ondernemers is de wettelijke bewaarplicht. Particulieren zijn niet wettelijk verplicht hun administratieve gegevens te bewaren. Ondernemers moeten daarentegen hun administratie zeven jaar bewaren. Dit is wettelijk geregeld. Dit kan voor de deler bewijstechnische problemen opleveren als hij tegen verwachting als ondernemer in plaats van particulier wordt aangemerkt.

Conclusie

Duidelijk is dat met het ‘delen’ van spullen behoorlijke (neven)inkomsten zijn te verdienen. Let hierbij dus wel op dat ook de fiscale kant is geregeld. Geef je de opbrengsten niet aan dan riskeer je navorderings- en naheffingsaanslagen met hoge boetes. Dit risico is groot nu blijkt dat door al het gedeel veel belastinginkomsten weglekken en de belastingdienst daarom is gestart met controles. De kans is aanzienlijk dat de belastingdienst komend jaar de controle op de deeleconomie uitbreidt en als een van zijn speerpunten aanmerkt. Belangrijk is dat de belastingautoriteiten bij deze controles de privacybescherming van particulieren niet uit het oog verliezen. De overgang van particulier naar ondernemer en het vraagstuk van de belastingplicht is en blijft complex. Tegen eventuele navorderingen en boetes naar aanleiding van een onderzoek naar deelactiviteiten is dus vaak nog het een en ander in het geding te brengen!