Kansen en risico’s: de fiscale informatiebeschikking

De verplichting om te bewijzen dat een belastingaanslag klopt, rust als hoofdregel op de inspecteur. Wil hij die bewijslast omkeren en de belastingplichtige opzadelen met het uiterst lastige (zo niet onmogelijke) tegenbewijs, dan heeft de inspecteur sinds 2012 een informatiebeschikking nodig. Daarin wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Niet voor alles hoeft of kan echter een informatiebeschikking worden opgelegd en worden ‘geprofiteerd’ van de gevolgen. In de recente jurisprudentie zijn daarvan diverse illustratieve voorbeelden te vinden.

Het gerechtshof Den Bosch oordeelde op 13 november 2014 dat de inspecteur in de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking kan afgeven als hij dat vóór het opleggen van de aanslag niet heeft gedaan. Hij heeft daarvoor geen ‘nieuw feit’ nodig. Ook niet als hij in de voorgaande fase al wel om dezelfde informatie had gevraagd en daarvoor toen géén informatiebeschikking heeft afgegeven, aldus het hof.

Of het hof hier terecht concludeert dat in de bezwaarfase alles nog open ligt voor de inspecteur, is zeer de vraag. Diverse citaten uit de parlementaire geschiedenis haalt het hof aan, om tot de conclusie te komen dat het met invoering van de informatiebeschikking niet de bedoeling was om de bevoegdheid van de inspecteur in de bezwaarfase te beperken.

Er valt echter genoeg voor te zeggen dat de inspecteur wel degelijk zijn recht heeft verspeeld als hij voor de aanslag geen informatiebeschikking heeft opgelegd, wanneer hij bepaalde vragen eerder had kunnen stellen of zelfs al heeft gesteld. Dit is expliciet wél de bedoeling geweest van de auteurs van de wet, zo blijkt uit een verslag van de Eerste Kamer. Mevrouw Dezentjé Hamming merkt daarin op:

“Op de inspecteur rust het initiatief om zo’n beschikking te nemen, dat is de kern van het voorstel. Doet hij dat niet, om welke reden dan ook, dan is de zaak daarmee afgedaan. De belastingplichtige mag er dan van uitgaan dat er ofwel geen toereikende rechtsgrond bestond voor het verzoek, dat afdoende aan het verzoek tegemoet is gekomen of dat de inspecteur bij nader inzien de informatie toch niet echt nodig heeft.”

Er is dus veel voor te zeggen dat de inspecteur zijn beurt voorbij heeft laten gaan als hij vragen in een eerdere fase heeft kunnen stellen, maar dat niet heeft gedaan.

Een andere uitspraak van Hof Den Bosch, van 6 november 2014 betrof een informatiebeschikking voor onder andere het niet voldoen aan de aangifteverplichting. Het hof overweegt in die zaak terecht dat de wet de verplichting tot het doen van aangifte niet noemt als grond voor een informatiebeschikking. Dit geldt als helemaal geen aangifte is gedaan, maar ook als niet ‘de vereiste aangifte’ is gedaan doordat een aanzienlijk bedrag niet is aangegeven. Omkering van de bewijslast wordt in die gevallen direct toegepast, zonder dat een informatiebeschikking nodig is.

Tot slot een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2014 over de verschuiving van bewijslast. Omkering naar de belastingplichtige kan alleen plaatsvinden als de inspecteur eerst degene was die de juistheid van de aanslag moest bewijzen.

In deze zaak ging het echter om het rijden in Nederland in een auto met buitenlands kenteken. De bewijslast dat de heffing van bpm in dat geval toch niet terecht is, rust op de belastingplichtige. Dat betekent dat de bewijslast niet naar de belastingplichtige kan verschuiven (hij ligt er immers al) en dus niet kan worden omgekeerd.

In controleonderzoeken en de bezwaarfase is de fiscale informatiebeschikking een belangrijk middel dat de inspecteur kan inzetten en waartegen een belastingplichtige bezwaar kan maken. Zonder informatiebeschikking geen omkering van de bewijslast, tenzij het gaat om het doen van de vereiste aangifte. Het is belangrijk om in dergelijke situaties goed in kaart te hebben waar de kansen liggen, en waar de risico’s. Een deskundig fiscaal advocaat heeft alle kennis in huis om u ook dan terzijde te staan.

Reacties zijn gesloten.