Hoge Raad laat exorbitante winstcorrectie na ontneming in stand

Op vrijdag 3 juni 2016 heeft de belastingkamer van de Hoge Raad het cassatieberoep in de ‘voetbaltoto-zaak’ ongegrond verklaard. De belastingplichtige in deze zaak was in 2010 onherroepelijk veroordeeld voor het illegaal aanbieden van kansspelen (voetbaltoto). Ondanks dat betrokkene strafrechtelijk was ontnomen voor het genoten voordeel van € 75.000, had de inspecteur voor ongeveer datzelfde bedrag aanslagen inkomstenbelasting opgelegd. De inspecteur stelde zich bovendien op het standpunt dat het uitbetaalde prijzengeld ad € 700.000, dat eerder ten laste van de winst was gebracht, bij de winst moet worden opgeteld omdat ‘criminele kosten’ van aftrek zijn uitgesloten. In dit blog wordt uiteengezet wat de achtergrond van de aftrekuitsluiting van criminele kosten is, hoe de toepassing ervan bestraffend uitwerkt en strijdigheid kan opleveren met het eigendomsrecht.

Concept For Corruption, Bankruptcy Court, Bail, Crime, Bribing, Fraud, Auction Bidding. Judges or Auctioneer Gavel And Bundle Of Euro Cash On The Rough Wooden Textured Table Background. Front View

Aftrekuitsluiting van criminele kosten

In het Nederlandse belastingrecht geldt het principe van de fiscale neutraliteit. Dit beginsel betekent onder meer dat het voor de belastingheffing geen verschil maakt of inkomsten op legale of illegale wijze zijn verkregen. Ook de kosten die met beide typen inkomsten samenhangen zijn in beginsel aftrekbaar. Dit wordt echter anders indien de kosten ‘verband houden met misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Nederlandse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld’. Deze kosten zijn niet aftrekbaar op grond van artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001 (hierna ook: de aftrekuitsluiting). Dit betekent dat meer dan het netto voordeel wordt belast. De aanleiding om (de voorganger) van artikel 3.14 van de Wet IB in te voeren was de publieke verontwaardiging die was ontstaan naar aanleiding van berichtgeving in landelijke dagbladen:[1]

Vragen van de leden Hirsch Ballin, Leers en Van der Linden (allen CDA) over fiscale aftrekbaarheid van criminele ‘bedrijfsactiviteiten’.

1 Zijn de berichten[2] waar, als zou voor criminelen, zoals handelaren in soft-drugs, de aanschaf van materieel, wapens en munitie alsmede het aanschaffen en verzorgen van waakhonden, waaronder pittbulls, bij de uitvoering van hun criminele ‘bedrijfsactiviteiten’, fiscaal aftrekbaar zijn?

2 Op welke gronden is deze fiscale aftrekbaarheid gebaseerd? Mag hieruit worden geconcludeerd dat de doelstellingen van de zgn. ‘Pluk-ze’-wetgeving onvoldoende doorwerken in de fiscale praktijk? Wordt onderkend dat de particulier, die zich om geheel wettige redenen beveiligt, geen aftrekmogelijkheden van deze soort heeft?

3 Deelt u de mening, dat deze gang van zaken het rechtsgevoel van de burger ondermijnt? Zo ja, hoe denkt u op de kortst mogelijke termijn aan deze praktijken een eind te maken?

Antwoord

Antwoord van staatssecretaris Vermeend (Financiën).

1 Zodra ik kennis had genomen van de berichten heb ik onmiddellijk opdracht gegeven tot een onderzoek naar de feiten en omstandigheden. (…)

Ondanks deze specifieke achtergrond heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ‘verband houden met een misdrijf’ ruim moet worden uitgelegd.[3] Deze ruime uitleg heeft ervoor gezorgd dat de inkomstenbelasting voor criminelen heeft te gelden als een omzetbelasting.

Is sprake van dubbele bestraffing?

Voorwaarde voor de inspecteur om kostenaftrek op grond van artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, Wet IB te mogen weigeren is een veroordelend vonnis van de strafrechter. In de regel legt de strafrechter daarbij ook een straf op. In dat geval moet worden bezien of de aftrekuitsluiting als een bestraffende sanctie is aan te merken. Op grond van het ne bis in idem-beginsel is dubbele bestraffing van hetzelfde feit namelijk niet toegestaan.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in het arrest Engel tegen Nederland drie criteria gegeven ter beoordeling of sprake is van een punitieve (bestraffende) regeling. Het eerste criterium is een kwalificatie naar nationaal recht, het tweede criterium is “the nature of the offence” en als derde stap: “the nature and degree of severity of the penalty.[4] Het derde criterium, ‘the degree of severity’, de onverbiddelijkheid of zwaarte van de straf, is in dit kader het meest interessant. Duidelijk is dat een te betalen bedrag aan belasting van ruim € 350.000 (51% van € 700.000) niet in verhouding staat tot een delict waarmee € 75.000 is verdiend.

Op basis van voornoemde de criteria kan de conclusie niet anders zijn dan dat de aftrekuitsluiting van criminele kosten als een extra boete fungeert, die door de inspecteur wordt opgelegd nadat de betrokkene ook al door de strafrechter is bestraft.[5] De aftrek wordt immers alleen geweigerd als sprake is van een misdrijf en kan grote financiële gevolgen voor de betrokkene. Dat van een groot fiscaal nadeel een afschrikwekkend en bestraffend karakter uitgaat is naar mijn idee moeilijk voor discussie vatbaar. Dat het een fiscale regeling betreft die ‘slechts’ beoogt te voorkomen dat misdrijven niet fiscaal worden gefaciliteerd, en het geen strafrechtelijke regeling is die beoogt te bestraffen, maakt het feitelijke effect niet anders.

Is sprake van schending van het eigendomsrecht?

De toepassing van de aftrekuitsluiting van criminele kosten leidt tot belastingheffing over inkomen dat er niet is. In het hiernavolgende wordt onderzocht of dit een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht kan opleveren.

Volgens de jurisprudentie van het EHRM is onder meer sprake van een schending van het eigendomsrecht als de toepassing van een wettelijke regeling disproportioneel uitwerkt.[6] De vraag is of er een ‘fair balance’ bestaat tussen de eisen van het algemeen belang en bescherming van de individuele rechten van het individu. De beoordelingsvrijheid van de wetgever wordt overschreden indien op iemand een ‘individual and excessive burden’[7] rust of de toepassing van een maatregel een ‘disproportionate burden’[8] tot gevolg heeft. Of sprake is van een ‘excessieve en individuele last’ zal van geval tot geval uitgemaakt moeten worden. Naar mijn idee kan in de ‘voetbaltoto-zaak’ bezwaarlijk worden volgehouden dat het hoge bedrag aan belastingheffing in relatie tot het beperkte voordeel dat is behaald – welk voordeel bovendien is ontnomen – geen ‘excessieve en individuele last’ oplevert. Mocht de belastingplichtige in de ‘voetbaltoto-zaak’ zijn weg vinden naar het Straatburgse Hof, dan is de kans naar mijn idee aanzienlijk dat het EHRM een streep haalt door de toepassing van artikel 3.14 Wet IB in zijn specifieke geval.

Conclusie

De aftrekuitsluiting van criminele kosten is ingevoerd om te voorkomen onder meer wapens en munitie ten laste van de winst worden gebracht. Dat de fiscale neutraliteit moet wijken voor maatschappelijke opvattingen is alleszins aanvaardbaar. Het komt mij echter voor dat de rechter ervoor moet waken dat goedbedoelde wetgeving onevenredig uitpakt. Het weigeren van kostenaftrek kan grote financiële gevolgen hebben en fungeert door zijn relatie met het strafbare feit de facto als een extra boete. Wanneer deze extra boete zo hoog is dat het niet meer in verhouding staat tot het voordeel dat is behaald, dan kan dit een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht opleveren.

[1]        Aanhangsel van de Handelingen II 1994/95, blz. 413–414, waarnaar de staatsecretaris verwijst in de memorie van toelichting bij de invoering van de aftrekuitsluiting van criminele kosten: Kamerstukken II 1996/97, 25 019, nr. 3 (MvT).
[2]        Verwijzing uit Kamerstukken II 1996/97, 25 019, nr. 3 (MvT): De Telegraaf en de Volkskrant van 23 november 1994.
[3]        HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5057, BNB 2004/171 en meer recent HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1259, BNB 2015/177
[4]        EHRM 8 juni 1976, NJ 1978, 223 (Engel e.a. tegen Nederland).
[5]        Zie voor een gelijkluidende conclusie: B.M. van der Sar, ‘Aftrekbeperking criminele kosten na ontnemingsvorderingen — een dubbele straf!’, WFR 2011/1538.
[6]        EHRM 5 januari 2000, nr. 33202/96, NJ 2000, 571 (Beyeler).
[7]        EHRM 23 september 1982, nrs. 7151/75, 7152/75, par. 73 (Sporrong en Lönnroth).
[8]        EHRM 12 oktober 2004, nr. 60669/00, FED 2005, 65, m.nt. Thomas (Asmundsson)

 

Over inkeer en belastingontwijking: de dubbele moraal van de staatssecretaris

Inkeren: “Hoe langer je wacht, hoe duurder het wordt’’

Nu de Britse premier Cameron in reactie op de ‘Panama Papers’ heeft aangekondigd belastingontduiking harder aan te pakken, laat ook staatssecretaris Wiebes zijn ‘spierballen’ zien: de inkeerboete gaat omhoog van 60% naar 120%. Ter vergelijking: tot 2010 en in 2013-2014 kon boetevrij worden ingekeerd en bij invoering van de inkeerboete werd gedacht aan een boete tot 15%. Duidelijk is dat de druk op zwartspaarders wordt opgevoerd.  Belastingontwijkers kunnen echter voorlopig nog rekenen op de onvoorwaardelijke steun van het kabinet.

school boy is standing with strong hands on blackboard behind him

Bankgegevens uit 100 landen: “het spel is klaar”

Een verklaring voor de hardere aanpak is dat Nederland met steeds meer landen een verdrag heeft gesloten waarin automatische uitwisseling van bankgegevens is geregeld. Vanaf 2018 krijgt de Belastingdienst financiële informatie uit bijna 100 landen. Zo wordt het steeds moeilijker om vermogen buiten het zicht van de fiscus te houden en lopen zwartspaarders “onherroepelijk tegen de lamp”, aldus de staatssecretaris.

Echt grote haast hoeft de zwartspaarder die door de woorden van Wiebes tot inkeer komt overigens niet te maken. Net als bij vorige aanscherpingen van het inkeerbeleid zal naar verwachting ook nu het hogere boetetarief kunnen worden voorkomen door vóór 1 juli 2016 een ‘inkeermelding’ te doen. De daadwerkelijke ‘afwikkeling’ van de inkeer kan dan na die datum geschieden.

Fiscus tegen (ex-)UBS’ers: ‘boetevrij inkeren? Dacht ’t niet’

In ‘inkeerland’ wordt al langer opgemerkt dat de Belastingdienst zich harder opstelt tegenover inkeerders. Zo neemt de fiscus ten aanzien van (ex-)rekeninghouders van de Zwitserse bank UBS recentelijk het standpunt in dat van vrijwillige inkeer geen sprake kan zijn als men is ingekeerd nadat door de bank is geïnformeerd dat Nederland om gegevens had verzocht.

Hoe twijfelachtig dat standpunt ook is – en hoe onrechtmatig ook de poging om bewijzen hiervan bij de belastingplichtige af te troggelen –, het geeft wel aan dat zwartspaarders de bijzondere aandacht hebben van de politiek en de Belastingdienst.

Nu alle ‘pijlen’ zijn gericht op buitenlandse rekeninghouders rijst de vraag welke maatregelen de staatssecretaris neemt om puur binnenlandse gevallen van belastingfraude aan te pakken. Aangezien de belastingcontrole een steeds schaarser fenomeen wordt – ‘aantal boekenonderzoeken gehalveerd’ -, is de kans dat de winst afromende ondernemer wordt gepakt, kleiner dan ooit.

Belastingontduiker onder vuur, belastingontwijker buiten schot

De hardere aanpak van de particulier met een buitenlandse bankrekening staat ook in schril contrast met de terughoudende houding van het kabinet om belastingontwijking door multinationale ondernemingen tegen te gaan. Ter verduidelijking: in tegenstelling tot belastingontduiking is het ontwijken van belasting in principe legaal. Ontwijking is immers het – binnen de grenzen van de wet – zodanig vormgeven van de winst dat de belastingdruk het meest gunstig uitvalt. Het wordt echter wel maatschappelijk onwenselijk geacht omdat het de belastingmoraal aantast en de overheidsfinanciën erdoor onder druk komen te staan.

De Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) schat in dat overheden jaarlijks minstens 100 miljard dollar mislopen door belastingontwijking door multinationals.

De Europese Commissie kwam eind januari met voorstellen voor het bestrijden van belastingontwijking door multinationals. Onder Nederlandse leiding hebben de EU-landen die van de scherpe kantjes ontdaan, zo bericht Trouw op 12 april 2016. Daags na dit bericht maakt het Financiële Dagblad bekend dat Nederland al jarenlang zijn kont tegen de krib gooit als het om het aanpakken van belastingontwijking in Europees verband gaat.

Dubbele moraal 

Dat het kabinet hard optreedt tegen particulieren, maar in de bres springt voor grote bedrijven viel ook in de Tweede Kamer op toen er onlangs werd gedebatteerd over de onrechtmatige verstrekking van inkomensgegevens door de Belastingdienst aan woningcorporaties om een zogenoemde ‘gluurverhoging’ mogelijk te maken. Kamerlid Bashir (SP) merkte op:

Er zijn namelijk jarenlang door de Belastingdienst inkomensgegevens van bijna 2 miljoen huurders onrechtmatig verstrekt aan verhuurders. Vervolgens hebben deze huurders hun huur zien exploderen, ook zonder een wettelijke basis.

en:

Hoe kan IKEA zo weinig belasting afdragen? Vandaag kregen we echter een brief van de staatssecretaris van Financiën. Hij wil de Kamer hierover niet informeren omdat IKEA recht heeft op privacy. De staatssecretaris wil de Kamer zelfs niet achter gesloten deuren informeren. Maar als het om huurders gaat, is er opeens geen privacy. Dan mogen verhuurders blijkbaar opeens alles over hen weten. Hoe kan de minister namens het kabinet verantwoorden dat hij deze 1,9 miljoen huurders in hun hemd heeft gezet? Waarom heeft IKEA wel recht op privacy en hebben huurders dat recht niet?

Conclusie

Als de ‘Panama Papers’ en de maatschappelijke en politieke reacties daarop ons één ding leren is dat zwartsparen anno 2016 ‘eigenlijk niet meer kan’. Zowel in feitelijke zin, gezien de alsmaar toenemende gegevensuitwisseling met andere landen, als in sociaal-maatschappelijke zin: de naming en shaming naar aanleiding van de onthullingen zijn ongekend en onverbiddelijk. Wie nog vermogen of inkomsten buiten het zicht van de fiscus in een buitenland heeft geparkeerd kan beter maar snel inkeren, want een boete tot 300% ligt op de loer. Inkeren na 1 juli 2016 gaat wat de fiscus betreft in ieder geval een boete van 120% opleveren. Bent u een groot bedrijf en wilt u ook liever geen belasting betalen? Geen probleem, Wiebes got your back.

 mr. N. (Nick) van den Hoek

Meer blogs over inkeer:

Zwartspaarders Credit Suisse keuze voor 24 maart: informatie aan fiscus tegenhouden?

Volgende week sluit de termijn om informatieverstrekking aan Nederland door de Zwitserse Federale Belastingdienst (FTA) tegen te houden. Na de UBS heeft nu ook Credit Suisse het verzoek gekregen om informatie te verstrekken over haar ‘zwartspaarders’. Hoewel de enig mogelijke conclusie naar mijn mening luidt dat dit een fishing-verzoek is en daarom op grond van het Verdrag niet toegestaan, zal informatie toch worden verstrekt als daartegen geen bezwaar of beroep wordt ingesteld. Als een spaarder (nog) niet fiscaal is ingekeerd in Nederland kunnen de belangen groot zijn.

Zurich, Switzerland - September 9, 2012: Main entrance of the Swiss bank's Credit Suisse headquarter on Zurich Paradeplatz.

Informatieuitwisseling Credit Suisse

Nadat eind vorig jaar bekend werd dat de Zwitserse bank UBS gegevens heeft verstrekt op verzoek van de Belastingdienst, heeft op 4 maart 2016 ook Credit Suisse haar Nederlandse ‘zwartspaarders’ aangeschreven dat – tenzij bezwaar wordt ingesteld – via de Zwitserse Federale Belastingdienst hun bankgegevens aan de Nederlandse fiscus zal verstrekken. Het gaat ook dit keer om een groepsverzoek, waarbij bankgegevens van alle Nederlanders worden verstrekt die tussen februari 2013 en eind 2014 een rekening hadden bij Credit Suisse met een saldo van minimaal 1500 euro. Ook gegevens van inmiddels opgeheven bankrekeningen zullen dus worden uitgewisseld.

Verwacht wordt dat soortgelijke groepsverzoeken na het eerste succes bij de UBS en Credit Suisse ook zullen worden gedaan aan de Zwitserse banken Julius Bär, UBP en Sarasin.

Termijn tot volgende week

Credit Suisse heeft nu ook aan een groep geïdentificeerde Nederlandse spaarders een brief verzonden met als bijlage het verzoek van de Zwitserse fiscus. Deze spaarders moeten binnen 20 dagen na de brief – dus voor donderdag 24 maart a.s. – reageren met opgave van ofwel een adres in Zwitserland, ofwel een Zwitserse gemachtigde.

Wordt hier niet op gereageerd, dan dreigt een ‘anonieme publicatie’ in het Bundesblatt aan – hierin zal het ‘eindbesluit’ worden gepubliceerd dat in zal houden:

  • dat volgens de Zwitserse fiscus aan de vereisten voor informatieverzoeken is voldaan;
  • dat het verzoek van Nederland kan worden uitgevoerd voor de periode 1 februari 2013 tot 31 december 2014;
  • dat de gegevens door de Zwitserse fiscus bij Credit Suisse zijn opgevraagd;
  • dat de betrokkene hiertegen bezwaar en beroep kan aantekenen.

Stilzitten is informatie verstrekken

Uit het eerdere groepsverzoek over de UBS is gebleken dat van spaarders die niet hebben gereageerd, daadwerkelijk informatie aan Nederland is verstrekt. Steeds meer (ex-)UBS-ers ontvangen post van de Belastingdienst waarin wordt vermeld ze als rekeninghouder zijn geïdentificeerd. Het lijkt erop dat (veel) meer informatie uit Zwitserland verstrekt dan de ‘ongeveer 100’ waarover tot nu toe is bericht.

Diverse bezwaarmakers die in Zwitserland hebben aangegeven dat de inkeerprocedure in Nederland is gestart, hebben informatieverstrekking met succes kunnen tegenhouden. De procedures waartegen beroep bij de Zwitserse rechtbank is ingesteld lopen nog en de uitkomsten daarvan moeten worden afgewacht. De race van de Nederlandse fiscus is dus nog niet gelopen. Gelet op de tekst van het Verdrag is mijn verwachting dat de (hoogste) rechter in Zwitserland uiteindelijk zal oordelen dat het ‘fishing’-groepsverzoek moet worden afgewezen.

 Gemotiveerd beroep

Na het eindbesluit – al dan niet gepubliceerd in het Bundesblatt – staat voor deze groep Credit Suisse-spaarders binnen 30 dagen beroep open. Daarbij moeten wel alle kaarten op tafel worden gelegd: alle redenen waarom de betrokkene het niet eens is met verstrekking aan Nederland moeten direct in het beroepschrift worden vermeld.

Om informatieverstrekking te voorkomen moet binnen die 30 dagen-termijn:

Verzoek ‘correspondentie bancaire instelling’

De laatste ontwikkeling in inkeerland is dat de Belastingdienst tegenwoordig standaard vraagt om de correspondentie van de buitenlandse bank. De Belastingdienst beweert daarbij bovendien dat verstrekking van deze brief of brieven verplicht zou zijn. Correspondentie waaruit zou blijken dat een spaarder weet van een mogelijke of voorgenomen informatieverstrekking, of waarin is gewezen op de verplichting om vermogen in Nederland fiscaal aan te geven, is echter niet van belang voor de heffing.

De te betalen belasting hangt immers niet af van de vraag wat uw bank heeft geschreven over fiscale verplichtingen of mogelijke informatieverstrekking aan de fiscus. De correspondentie kan wel belastend zijn: welke wetenschap betekent dat u niet meer op tijd bent met inkeren? Omdat het niet van belang is voor de hoogte van te betalen belasting zijn belastingplichtigen dus niet verplicht om dit te geven en zal de fiscus het ook niet kunnen afdwingen. De Belastingdienst maakt met dit verzoek naar mijn mening misbruik van zijn bevoegdheid.

Inkeer is nog mogelijk

Het belang dat de fiscus dus wél heeft (of denkt te hebben) is het boetebelang: met dit soort brieven zou kunnen worden aangetoond dat de inkeer te laat is. Dat is echter nog maar zeer de vraag. Wat het uiteindelijke oordeel zal zijn over de gegrondheid van het Nederlandse groepsverzoek, staat nog lang niet vast. Met andere woorden: ook wie wist dat hij of zij op ‘de lijst’ stond na het groepsverzoek, hoefde nog helemaal niet te verwachten dat informatie aan Nederland zou worden verstrekt en de fiscus hem dus sowieso op het spoor zou raken. Inkeer is dan dus nog mogelijk.

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Nederlandse (ex-)rekeninghouders gevraagd om belastende UBS-brief: heffingsbelang of boetebelang?

De Belastingdienst vraagt al dan niet ingekeerde (ex-)spaarders bij de Zwitserse bank UBS om een brief te verstrekken die de bank eind vorig jaar aan haar rekeninghouders verstuurde. Dit verzoek wordt gedaan onder druk van de vermelding van de verplichting om fiscale inlichtingen te verstrekken – hieraan niet voldoen vormt een strafbaar feit. Hiermee is de jacht op (ex-)UBS-spaarders in een nieuwe fase aanbeland. Maar valt die brief wel onder stukken die een belastingplichtige verplicht is te verstrekken?

UBS

UBS-brief

Dat de Belastingdienst aan inkeerders en ‘gesnapte’ buitenlandspaarders vraagt om stukken van hun (buitenlandse) bank is niet nieuw. Aan de hand van onder meer de jaarlijkse vermogensoverzichten en mutatieoverzichten kan immers worden vastgesteld hoeveel inkomstenbelasting er alsnog nog moet worden afgetikt.

Nieuw is echter dat de Belastingdienst ‘zwartspaarders’ tegenwoordig standaard vraagt om de brieven waaruit de blijkt dat de spaarder is geïnformeerd dat ook in het buitenland aangehouden vermogens fiscaal dienen te worden verantwoord. Ook verzoekt de fiscus (ex-)UBS-spaarders gericht om de brief te verstrekken die de bank diverse rekeninghouders eind vorig jaar stuurde. In die brief informeerde de UBS bank zijn klanten dat er vanuit Nederland middels een groepsverzoek om inlichtingen was verzocht, en dat de bank verplicht is om aan een dergelijk verzoek mee te werken.

Bij het verzoek deze UBS-brief te overleggen wijst de Belastingdienst fijntjes op de fiscale inlichtingenplicht van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), waaruit zou volgen dat de belastingplichtige verplicht is de UBS-brief te overleggen. Die verplichting bestaat echter alleen voor ‘heffingsvragen’ en niet voor een verzoek om inlichtingen of stukken die alleen voor het opleggen van een boete van belang zijn.

Fiscale inlichtingenplicht

Op grond van artikel 47 AWR is iedereen verplicht om op verzoek inlichten te verschaffen die “voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn”. Deze brede verplichting om de fiscus van informatie te voorzien wordt begrensd door de aanwezigheid van een heffingsbelang. Daarbij geldt dat de inspecteur van de Belastingdienst bij de uitoefening van zijn controlebevoegdheden is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Informatie die niet van belang ‘kan’ zijn mag de inspecteur in redelijkheid niet vragen. De vraag is dus: hoe is de belastingheffing gebaat bij het overleggen van de UBS-brief?

Heffingsbelang

Het ‘belang voor de heffing’ is heel breed. Dat sprake is van belastingplicht hoeft de inspecteur niet aan te tonen, wel dat daar vermoedens voor zijn.

In arresten uit 2003 en 2015 hanteert de Hoge Raad de maatstaf dat informatie verplicht moet worden verstrekt indien “de inspecteur zich redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing.” In die arresten ging het om in het buitenland gevestigde ondernemingen, waarvan vermoed werd dat ze (ook) in Nederland belastingplichtig waren. De Hoge Raad oordeelde dat, als er aanleiding is te vermoeden dat er Nederlandse belastingplicht bestaat, er om informatie mag worden verzocht. Er bestaat dan een heffingsbelang.

Als is vastgesteld – of als niet in geschil was – dát iemand in Nederland belastingplichtig is, is de volgende vraag die voor de belastingheffing van belang is: voor welk bedrag is sprake van belastingplicht? Deze informatie heeft betrekking op de hoogte van het inkomen en het vermogen.

In een andere zwartspaarders affaire (KB-lux) oordeelde de Hoge Raad dat bankafschriften mochten worden opgevraagd nu de belastingplichtige reeds was geïdentificeerd als rekeninghouder en de inspecteur “derhalve” mocht aannemen dat de betreffende – specifiek gevorderde – bankbescheiden bestonden.

Als we voorgaande toespitsen op de (ex-)spaarders bij de UBS bank, dan mag de Belastingdienst – mits geen sprake is van een fishing expedition –  vragen stellen als:

  • Had u een rekening bij UBS?;
  • Wat waren de saldi van de banktegoeden op uw rekening bij UBS?; en
  • Is er bronbelasting ingehouden op uw buitenlandse beleggingswinsten?

Vragen die echter niet kunnen bijdragen aan het vaststellen van de belastingplicht of de hoogte daarvan, vallen daarmee niet onder de fiscale inlichtingenplicht van artikel 47 AWR, zoals:

  • Bent u door UBS geïnformeerd over de wijze waarop u uw banktegoeden fiscaal dient te verantwoorden?;
  • Bent u door UBS verzocht aan te tonen dat u fiscaal compliant bent? en
  • Heeft de UBS u geïnformeerd dat vanuit Nederland om informatie is verzocht?

Boetevrij inkeren

De belastingheffing is niet gebaat bij het overleggen van de UBS-brief. Wel duidelijk is waarom de fiscus toch om overlegging van de UBS-brief verzoekt. Namelijk in verband met de mogelijkheden tot het opleggen van een boete bij niet-tijdige inkeer. In de inkeerbepaling is geregeld dat de boete voor het niet of onjuist doen van aangifte wordt gematigd, en voor de laatste twee jaar helemaal niet wordt opgelegd, indien iemand inkeert “vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.” Met andere woorden: de boete wordt alleen gematigd als de inspecteur de belastingplichtige nog niet op het spoor is of sowieso zal komen, of de spaarder daarvan geen weet heeft, of redelijkerwijs moest hebben.

Indien u de UBS-brief verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat de inspecteur op grond daarvan de stelling inneemt dat u wist dat UBS uw bankgegevens zou gaan verstrekken, en u daarom niet boetevrij kunt inkeren.

Overigens is de vraag, zelfs als vaststaat dat een spaarder die UBS-brief heeft ontvangen, of inkeer daarmee een gepasseerd station was of is. Ten tijde van die brief stond en zelfs nu staat nog helemaal niet vast of de Zwitserse fiscus de gevraagde informatie over alle spaarders moet en zal verstrekken. De verwachting was oorspronkelijk dat Zwitserland de verstrekking daarvan op grond van het verdrag zou weigeren. Vervolgens kon en is in Zwitserland beroep ingesteld tegen de voorgenomen verstrekking, waarvan de uitkomst nog verre van vaststaat.

Meewerken aan uw eigen veroordeling

Niet voldoen aan een rechtmatig informatieverzoek ex artikel 47 AWR is een strafbaar feit, waarvoor een boete kan worden opgelegd. Iemand die voornoemde brief van de Belastingdienst heeft ontvangen, zal dus druk ervaren om tot overlegging van de UBS-brief over te gaan, terwijl een belang voor de heffing feitelijk ontbreekt. Als de UBS-brief vervolgens toch wordt verstrekt en gebruikt voor het opleggen van een boete, dan rijst de vraag hoe dit zich verhoudt met het recht dat niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen beboeting of strafvervolging.

De Hoge Raad heeft in 2007 bepaald dat artikel 47 AWR niet mag worden gebruikt om informatie los te krijgen die alleen voor het opleggen van een boete kan worden gebruikt. Het toch verstrekken van ‘boete-informatie’ betekent echter niet automatisch dat dit van bewijs voor een boete of strafzaak wordt uitgesloten. Door het verstrekken van dergelijke informatie, zoals de UBS-brief, loopt u dus een (onnodig) risico.

mr. N. (Nick) van den Hoek

 

 

 

 

 

(ex)UBS-spaarders deze week voor finale keuze: berusten of in beroep?

Deze week sluit de beroepstermijn tegen de voorgenomen uitwisseling van UBS-gegevens door de Zwitserse fiscus aan Nederland. Uitwisseling voor andere doeleinden dan belastingheffing is op dit moment nog niet mogelijk. Maar het is de vraag wat er gebeurt als de buitenlandse druk verder wordt opgevoerd.

Sparen wetboek weegschaal

Ook in Zwitserland blijft de dreigende uitwisseling van gegevens van Zwitserland aan Nederland een hot item. Het is volgens Swissblawg het eerste groepsverzoek dat door de Zwitserse fiscus is toegewezen, sinds het verzoek van de USA in 2013 over Julius Baer.

Gemotiveerd beroep

De termijn voor (alle) UBS-spaarders die zijn aangeschreven sluit als gevolg van de publicatie in het Bundesblatt van 27 oktober en de daar achterliggende (niet gepubliceerde) ‘eindbesluiten’ van 28 oktober na 30 dagen. Die termijn eindigt dus aanstaande vrijdag 27 november 2015. Om informatieverstrekking te voorkomen moet dan uiterlijk óf gemotiveerd beroep zijn ingesteld tegen het groepsverzoek/phishing expedition, óf aan de Zwitserse fiscus worden bericht dat in Nederland gebruik is gemaakt van de inkeerregeling. Dit zou nog als tijdige vrijwillige verbetering moeten gelden.

 Primeur

De ‘grootste blogsite voor Zwitsers ondernemingsrecht’ schrijft verder dat het Nederlandse verzoek de eerste is op basis van de nieuwe wet van 2014, die eist dat een groepsverzoek ter afbakening van een ‘fishing expeditie’ ten minste moet bevatten ‘een gedetailleerde beschrijving van de groep en van de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden’. De Zwitserse fiscus heeft de door Nederland gegeven “gedetailleerde beschrijving van de groep” in dit geval als voldoende beoordeeld.

Omschrijving groep beperkt tot ‘efficiënt minimum’

Met gevoel voor understatement voegt Swissblawg daaraan toe dat de ‘beperking’ van de groepsomschrijving ‘tot een efficiënt minimum is beperkt’: alle (oud)UBS-klanten die op verzoek niet hebben aangetoond dat zij in Nederland aan de belastingwet hebben voldaan, vallen in de prijzen. Het doet er niet toe of de rekening inmiddels is opgeheven. Maar dat iemand een Zwitserse bankrekening heeft (of had) en niet reageert op deze verzoeken van de UBS, betekent natuurlijk niet automatisch dat iemand ook zwartspaarder is.

Nog geen informatieuitwisseling voor ‘fiscale delicten’*

 Een ander heikel punt dat er mogelijk aan zit te komen, is de uitwisseling van gegevens voor een ander doel dan de heffing zelf. Op dit moment is het nog zo dat gegevens die Nederland van de Zwitserse fiscus verkrijgt, verdragsrechtelijk alleen voor belastingheffing mogen worden gebruikt. Dus niet voor strafrechtelijke vervolging van belastingfraude of het opleggen van een fiscale boete.

Verbod op uitwisseling voor fiscale fraude

Voorlopig is het bankgeheim nog in tact als het verzoek is gericht op informatie voor bestraffingsdoeleinden. De Neue Zürcher Zeitung (NZZ) schrijft dat ‘hoewel het bankgeheim niet meer zo onaantastbaar is als een non’, het ook zeker nog geen dode letter is. Dit ondervond Duitsland recent op een rechtshulpverzoek in een fiscale strafzaak. De Zwitserse rechter oordeelde dat het ontbrak aan vereiste dubbele strafbaarheid in Zwitserland en Duitsland. Dit is een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan voordat Zwitserland mag afwijken van het verbod op rechtshulpverlening in fiscale strafzaken.

Einde fiscaal bankgeheim in zicht?

Het voorstel om de wet op dit punt aan te passen, is al sinds 2009 aanhangig. Het voorstel heeft als doel om voor rechtshulpverzoeken het onderscheid tussen belastingontduiking en belastingfraude op te heffen. De uitwerking hiervan laat echter nog steeds op zich wachten. Eerst zou het wachten zijn op de herziening van het Zwitserse wetboek voor strafvordering en de nieuwe witwasvoorschriften. Vervolgens wordt nu eerst een referendum gehouden over de vraag of het bankgeheim juist in de Zwitserse grondwet zal worden opgenomen.

Het politieke verzet tegen uitbreiding van buitenlandse rechtshulp is waarschijnlijk gegroeid met de nieuwe machtsverhoudingen in het parlement, zo schrijft de NNZ. Het is echter maar de vraag wat er zal gebeuren als de buitenlandse druk verder wordt opgevoerd.

 (*bron vanaf hier: eigen vertaling artikel NZZ 16 november 2015, Rechtshilfe bei Steuerdelikten: Bankgeheimnis bietet nach wie vor Schutz)

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Lees verder

Nederlandse zwartspaarders deel 2: Groepsverzoek, mag dat toch?

Update 12-11-2015

In de Zwitserse media is 12 november jl. een artikel gepubliceerd waarin wordt geschreven dat de Zwitserse fiscus heeft ingestemd met het verzoek van de Nederlandse Belastingdienst om gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de UBS aan de Nederlandse Belastingdienst af te dragen. Nog niet duidelijk is over hoeveel rekeninghouders het gaat en of de fiscus op dit moment al over de informatie beschikt. Zodra de gegevens bij de fiscus bekend zijn, is inkeer niet meer mogelijk. De vermeende zwartspaarder kan dan worden beboet en kan ook strafrechtelijk worden vervolgd.

______________________________________________________________________

11-11-2015

Naar aanleiding van mijn blog ‘Nederlandse zwartspaarders in Zwitserland onder druk: bangmakerij?’ kreeg ik verschillende reacties. Enkelen merkten op dat dat ‘groepsvragen’ door Nederland aan Zwitserland misschien toch mogelijk zijn, ondanks dat dit (nog) niet in het verdrag is opgenomen.

Kaart+pasjes

Dit standpunt wordt gebaseerd op de gewijzigde toelichting op informatie-uitwisseling in het modelverdrag. In deze wijziging wordt het begrip groepsverzoeken geïntroduceerd – maar ook direct beperkt. Bovendien blijft staan dat het verdrag Nederland-Zwitserland daarna niet is aangepast. Mijn conclusie blijft daarom dat de informatie die nu gevraagd is over de UBS niet door Zwitserland hoeft te worden verstrekt.

In de toelichting worden voorbeelden gegeven van groepsverzoeken die onvoldoende zijn. Bijvoorbeeld onvoldoende specifiek is:

  • een vraag naar een groep van Nederlandse belastingbetalers in Zwitserland met de mogelijkheid dat zij in Nederland hun vermogen niet hebben opgegeven;
  • diezelfde vraag, met als opmerking dat de betreffende bank erom bekend staat veel Nederlandse zwartspaarders te hebben.

Deze informatie hoeft door de aangezochte Staat (bijvoorbeeld Zwitserland) dus niet te worden gegeven. Dit soort verzoeken kwalificeren als fishing expeditie (of ‘sleepnetverzoek’).

Wat doet Zwitserland?

Toch stuurt Zwitserland nu aan de UBS-spaarders met een Zwitserse gemachtigde – en kondigt voor de anderen een ‘anonieme publicatie’ in het Bundesblatt aan – een ‘eindbesluit’, waarin wordt vermeld dat:

  • volgens de Zwitserse fiscus aan de vereisten voor informatieverzoeken is voldaan;
  • dat het verzoek van Nederland kan worden uitgevoerd voor de periode 1 februari 2013 tot 31 december 2014;
  • dat de gegevens al door de UBS aan de Zwitserse fiscus zijn verstrekt;
  • dat de betrokkene hiertegen beroep kan aantekenen.

Het is afwachten wat er uiteindelijk gaat gebeuren – gaat Zwitserland echt (en direct) informatie geven van personen die niet reageren? Of zullen eerst de – massaal hiertegen ingestelde – beroepen van Nederlanders worden afgewacht? Tegen het eindbesluit kunnen alle bevraagde spaarders binnen 30 dagen in beroep bij de Zwitserse rechtbank. Daarbij moeten wel alle kaarten op tafel worden gelegd: alle redenen waarom de betrokkene het niet eens is met verstrekking aan Nederland moeten direct in het beroepschrift worden vermeld.

Lees verder

Voor mijn oorspronkelijke blog over dit onderwerp zie Nederlandse zwartspaarders in Zwitserland onder druk: bangmakerij?

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Zie ook de publicatie hierover van 12 november 2015 in de Zwitserse Handelszeitung:

 

Nederlandse zwartspaarders in Zwitserland onder druk: bangmakerij?

Zwartspaarders met een rekening in Zwitserland voelen de druk toenemen. De Nederlandse fiscus vraagt aan Zwitserse banken informatie over (bijna) alle Nederlandse zwartspaarders. Nu zijn groepsvragen gesteld aan de UBS. Zelfs als die vragen te ruim zijn gesteld en Zwitserland ze daarom niet gaat beantwoorden, bestaat een risico dat informatie over de zwartspaarder via een omweg toch op het bordje van de fiscus terecht komt. Van buitenlandse (niet Zwitserse) spaarders kunnen namelijk naam en toenaam in het Bundesblatt worden gepubliceerd. Is er dan echt geen andere uitweg meer mogelijk dan zo snel mogelijk alsnog inkeren?

Zurich, Switzerland - September 9, 2012: Main entrance of the Swiss bank's Credit Suisse headquarter on Zurich Paradeplatz.

Fiscus vraagt informatie aan Zwitserland en dreigt zwartspaarders

De Nederlandse Belastingdienst heeft over een grote groep spaarders aan de Zwitserse UBS informatie gevraagd. De Belastingdienst weet niet over wie het gaat. De gevraagde informatie betreft iedereen die meer dan €1.500 heeft of heeft gehad. Dat is dus extreem ruim en ruikt naar een fishing expeditie: te vaag. Nederland baseert dit verzoek op een verdrag met Zwitserland over fiscale gegevensuitwisseling uit 2011. Maar in dat verdrag is niets over groepsverzoeken geregeld. De fiscus dreigt dat wie niet alsnog zichzelf ‘vrijwillig’ meldt, een boete van 300% boven het hoofd hangt. Zolang de naam van een individuele zwartspaarder nog niet bij de Belastingdienst bekend is – althans hij of zij dat nog niet hoeft te weten – is in principe inkeer nog mogelijk.

Mag dat?

In 2014 is het met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2013 op grond van de Zwitserse wet over ‘internationale Amtshilfe in Steuersachen’ mogelijk voor buitenlandse fiscale autoriteiten om een ‘groepsverzoek’ te doen aan Zwitserse banken. Een nadere Zwitserse regeling bepaalt dat het wel om een ‘gedetailleerd omschreven’ groep moet gaan. Daarvóór was alleen een individueel informatieverzoek mogelijk over identificeerbare personen. Qua periode zou de als ‘groepsverzoek’ gevraagde informatie dus kunnen worden verstrekt.

Een groepsverzoek zou dan echter wel in ieder geval de volgende informatie moeten bevatten:

  • een gedetailleerde beschrijving van de groep;
  • een gedetailleerde beschrijving van de feiten en omstandigheden op basis waarvan het verzoek wordt gedaan;
  • een duidelijke en bewijsbare veronderstelling dat de spaarders binnen de groep hun vermogen niet in hun Nederlandse belastingaangifte hebben opgegeven.

Geldt niet voor Nederland

Hoewel de Zwitserse wet het dus mogelijk maakt om groepsverzoeken te doen, is dit niet mogelijk op basis van het verdrag met Nederland. In dat verdrag is uitsluitend nog geregeld dat individuele informatieverzoeken kunnen worden gedaan. Een nieuw verdrag of aanvullend protocol van ná Zwitserse wetswijziging is niet gesloten. Pas na invoering, vermoedelijk per 2018, van de overeenkomst tussen Zwitserland en de Europese Unie, gaat de nieuwe mogelijkheid om groepsverzoeken ook voor Nederland gelden.

Vissen mag niet

Zwitserland hoeft informatie niet te verstrekken als het verzoek te ruim is en daarom als ‘hengelen’ (fishing) wordt aangemerkt. De Zwitserse wet bepaalt uitdrukkelijk dat een informatieverzoek dat fishing inhoudt (‘Beweisausforschung’) niet wordt ingewilligd. Vissend ontvangt de Nederlandse fiscus dus geen informatie.

Maar waar ligt de grens tussen een ‘groepsverzoek’ en vissen? Voor het antwoord daarop kan worden gekeken waar Nederland – op dit moment – verdragsrechtelijk recht op heeft:

  • wel op informatie op verzoek,
  • niet op spontane informatieuitwisseling.

Als het verzoek zodanig ruim wordt geformuleerd dat eigenlijk wordt gevraagd: geef ons ‘spontaan’ gegevens over alle Nederlandse zwartspaarders, dan is een grens bereikt.

De door Nederland gevraagde informatie is zodanig breed dat – als een groepsverzoek wel mogelijk was geweest – dit zou moeten afstuiten op het visverbod. Nederland vraagt informatie over iedereen die:

  • een rekening had bij de UBS;
  • ergens in de jaren 2013-2014 meer dan € 1.500 op zijn rekening heeft gehad;
  • in Nederland woonde;
  • een brief heeft gehad van de UBS met de mededeling dat de rekening gesloten zal worden tenzij het vermogen netjes is opgegeven;
  • en daarop niet heeft gereageerd.

Oftewel: alle resterende zwartspaarders.

Publicatie in Zwitserse staatsblad dreigt?

De UBS heeft zijn rekeninghouders eerst zelf benaderd. De Belastingdienst wacht die informatie af. De Zwitserse overheid heeft vervolgens besloten dat die procedure openbaar moet worden gemaakt: dat kan leiden tot het met naam en toenaam vermelden van de individuele Nederlandse spaarders in de Zwitserse staatsblad (Bundesblatt). Dat zou niet voor het eerst zijn.

 De Zwitserse autoriteiten hebben nu de spaarders geïnformeerd dat over hen informatie is gevraagd. Spaarders kunnen met een formuliertje ermee instemmen dat de gegevens over hen aan de Nederlandse Belastingdienst wordt verstrekt.

Catch-22?

Publicatie is zogenaamd niet bedoeld om mensen te plagen, maar om de betrokkenen in staat te stellen bezwaar te maken tegen informatieverstrekking aan Nederland. Dat is onnodig voor degenen van wie het adres bekend is. Wie niet in Zwitserland woont kan via publicatie in het Bundesblatt erop gewezen worden dat hij of zij bezwaar kan maken tegen informatieverstrekking. Maar dan weet ook de Nederlandse fiscus met naam en toenaam om wie het gaat.

 Die publicatie in het Bundesblatt zal echter alleen plaatsvinden als de zwartspaarder én geen gemachtigde heeft in Zwitserland, én bovendien niet op andere manier niet bereikt kan worden door de Zwitserse autoriteiten. De betreffende zwartspaarders hebben een brief gehad van de UBS, dus kennelijk zijn ze in ieder geval voor de UBS vindbaar. De UBS vraagt ze hierin om alsnog een gemachtigde te kiezen of een actueel adres in Zwitserland door te geven. Dit zal een risico op publicatie uitsluiten. De UBS waarschuwt dat als niet op zijn brief wordt gereageerd, rekening moet worden gehouden met publicatie ‘op anonieme basis’.

Alleen uitstel, geen afstel

 De UBS zou ontkennen dat het zwartspaarders gaat verklikken aan de fiscus. Wie niets doet, zal ‘alleen maar’ zijn rekening opgeheven zien per eind 2015: dan raakt de spaarder zijn geld kwijt.

De Europese Unie en Zwitserland hebben bovendien in mei van dit jaar een overeenkomst gesloten over het automatisch uitwisseling uiterlijk per 2018. Zwitserland gaat vanaf dan automatisch, dus zonder verzoek, gegevens uitwisselen over spaarders. Deze afspraken gaan volgens de huidige stand van zaken tot één jaar terug. De informatie die in dat kader gaat worden uitgewisseld gaat dus over de periode vanaf 2017. Als de rekening er in 2017 nog steeds is, dan ligt die informatie in ieder geval alsnog bij de Nederlandse Belastingdienst ‘op straat’.

De door de Nederlandse Belastingdienst aan de UBS gevraagde informatie lijkt veel te ruim en te vaag. De kans is zeer reëel dat het informatieverstrekking als vissen zal worden aangemerkt en om die reden uiteindelijk niet aan Nederland zal worden verstrekt. Het risico van openbare publicatie in het Bundesblatt is misschien wel groter maar kan worden voorkomen door tijdig een gemachtigde in Zwitserland aan te wijzen. Maar uiteindelijk zal Zwitserland vanaf in ieder geval 2017 automatisch gegevens gaan uitwisselen en lijkt op termijn inkeer – of ontdekking door de fiscus – onontkoombaar. 

Mr. V.S. (Vanessa) Huygen van Dyck-Jagersma

Vermindering van de verzuimboete: hoe te bereiken?

Inleiding

Jaarlijks ontvangen miljoenen Nederlanders van de Belastingdienst het verzoek om aangifte te doen voor de inkomstenbelasting. Deze aangifte moet binnen een door de inspecteur gestelde termijn (meestal 1 april) worden ingediend. Een belastingplichtige kan vragen om uitstel.

Komt de aangifte niet op tijd binnen, dan stuurt de inspecteur een aanmaning. Reageert de belastingplichtige dan nog niet of te laat, dan kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Die verzuimboete kan aardig in de papieren lopen. Heeft u of uw klant een verzuimboete gekregen, lees dan hier – onder welke voorwaarden – die boete aanzienlijk kan worden verminderd.

Aangifteverplichting

Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geldt dat een belastingplichtige door de inspecteur wordt uitgenodigd voor het doen van aangifte. De belastingplichtige is vervolgens verplicht (artikel 8 AWR) hierop te reageren. De termijn daarvoor bedraagt tenminste één maand. In de praktijk betekent dit dat de aangifte inkomstenbelasting voor 1 april moet zijn ingediend. Dit jaar werden belastingplichtigen meer tijd gegund, namelijk tot 1 mei. Een aangifte vennootschapsbelasting moet in de regel voor 1 juni zijn ingediend. Een belastingplichtige en/of zijn belastingadviseur kan de inspecteur vragen om uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting en/of vennootschapsbelasting (artikel 10 AWR).

Heeft de inspecteur de aangifte niet voor afloop van de termijn ontvangen, dan stuurt hij de belastingplichtige een aanmaning (artikel 9 AWR). In die aanmaning geeft de inspecteur de belastingplichtige een aanvullende termijn voor het indienen van de aangifte. Levert de belastingplichtige het aangiftebiljet dan alsnog niet of niet op tijd in, dan kan hij een boete van de inspecteur krijgen. Die boete kan een verzuimboete of een vergrijpboete zijn.

Een verzuimboete wordt opgelegd als niet of niet op tijd aangifte wordt gedaan. Wordt opzettelijk geen aangifte gedaan, dan kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen. In deze blog wordt de verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte nader bekeken.

Verzuimboete

Wordt de aangifte niet of niet op tijd ingediend dan kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Om dat te kunnen doen, moet de inspecteur, zoals hiervoor al is aangegeven, de belastingplichtige eerst hebben aangemaand om tot het indienen van de aangifte over te gaan. Legt de belastingplichtige die aanmaning ook naast zich neer, dan is hij in verzuim.

Artikel 67a AWR bepaalt dat de verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte maximaal € 5.278 bedraagt. De verdere eisen die zijn verbonden aan het opleggen van een verzuimboete, zijn uitgewerkt in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).

Paragraaf 21 BBBB regelt dat de inspecteur een verzuimboete van 7% van het maximum, dus € 369,46 oplegt als de belastingplichtige de aangifte inkomstenbelasting niet of niet tijdig heeft ingediend. Gaat het om een vennootschap die de aangifte vennootschapsbelasting niet of niet tijdig heeft ingediend, dan bedraagt de verzuimboete 50% van het maximum, ofwel € 2.639.

Afwezigheid van alle schuld

De inspecteur kan en mag geen verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen schuldverwijt kan worden gemaakt (paragraaf 4 BBBB). Komt de inspecteur daar pas in de bezwaarfase achter, dan vernietigt hij de opgelegde verzuimboete. Redenatie daarachter is dat als de belastingplichtige geen schuld kan worden verweten, hij ook niet in verzuim is geweest. Wanneer treft de belastingplichtige geen blaam? Wie moet dat bewijzen?

De bewijslast, in de zin van aannemelijk maken, dat sprake is van ‘afwezigheid van alle schuld’ rust op de belastingplichtige. Hij moet de feiten en omstandigheden naar voren brengen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij alle, in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid, te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat de aangifte tijdig werd ingediend (HR 15 juni 2007, nr. 42687, ECLI:NL:HR:2007:BA7184).

Uit de jurisprudentie volgt dat deze bewijslast voor een belastingplichtige lastig is te tackelen. In de meerderheid van de zaken wordt een beroep van de belastingplichtige op ‘afwezigheid van alle schuld’ door de belastingrechter afgewezen.

Een voorbeeld waarin het beroep wel is toegewezen betrof een belastingplichtige die tijdens zijn ziekbed er niet aan had gedacht dat aangifte moest worden gedaan. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de belastingplichtige geen verwijt kon worden gemaakt van het te laat indienen van de aangifte. Dit oordeel zag zowel op de omstandigheid dat de belastingplichtige niet aan het indienen van de aangifte had gedacht als op de omstandigheid dat hij voorafgaand aan zijn ziekbed niet voor ‘vervanging’ had gezorgd. Bij dit laatste was van belang dat de belastingplichtige in feite was overvallen door de hernia, de operaties die hij daarvoor moest ondergaan en de duur van zijn ziekbed.

Een ander voorbeeld waarin een beroep op afwezigheid van schuld slaagde is de vennootschap die een adviseur had ingeschakeld voor het tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting. Die adviseur had, aan de hand van een nieuw softwarepakket, aan de inspecteur verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. Daarbij bleek, achteraf, dat een onjuist fiscaal nummer was gebruikt. Na ontvangst van de herinnering (voorheen werd eerst een herinnering gestuurd) en de aanmaning heeft de vennootschap contact opgenomen met zijn adviseur. Die adviseur heeft op zijn beurt gebeld met de belastingtelefoon. De medewerker van de belastingtelefoon deelde daarop de adviseur mee dat zij zonder tegenbericht ervan mocht uitgaan dat de aanmaning ten onrechte was verzonden. Desalniettemin werd bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting een verzuimboete opgelegd. Daartegen maakt de vennootschap bezwaar. De rechtbank en het gerechtshof zijn van oordeel dat de vennootschap er, gelet op de antwoorden van zijn adviseur, vanuit mocht gaan dat de herinnering en de aanmaning ten onrechte waren verzonden. Doordat de vennootschap doortastend heeft gereageerd op de ontvangst van de herinnering en de aanmaning zijn de rechtbank en het gerechtshof van oordeel dat de vennootschap voldaan heeft aan de in redelijkheid van hem te verlangen zorg. De vennootschap hoefde, aldus de rechtbank en het gerechtshof, niet zo ver te gaan dat hij de uitlatingen van zijn adviseur controleerde. De verzuimboete werd vernietigd.

Het opleggen van een verzuimboete moet maatwerk zijn

De toets dat sprake is van ‘afwezigheid van alle schuld’ is streng. In de praktijk is dan ook te zien dat belastingplichtigen met grote regelmaat hierop vergeefs een beroep doen. Desalniettemin moet het opleggen van een verzuimboete maatwerk zijn. Het BBBB geeft de inspecteur enige vrijheid bij het vaststellen van de hoogte van de verzuimboete. Die vrijheid kan in het voordeel maar ook in het nadeel van de belastingplichtige uitpakken.

Verzuimt een belastingplichtige keer op keer (stelselmatig) om tijdig de aangifte in te dienen, dan kan de inspecteur de verzuimboete verhogen tot het maximum van € 5.278 (paragraaf 21, lid 6, BBBB). Deze verhoging is voor de inkomstenbelasting forser dan voor de vennootschapsbelasting omdat de startpunten voor beide belastingen anders liggen.

De belastingplichtige die door de inspecteur is aangemaand om alsnog de aangifte in te dienen, kan: tijdig reageren of niet (tijdig) reageren. Dient de belastingplichtige buiten de aanvullende termijn de aangifte in, maar voordat de inspecteur de aanslag vaststelt of uitspraak op bezwaar doet, dan vermindert de inspecteur de verzuimboete (paragraaf 21, lid 8, BBBB). De belastingplichtige krijgt dan een verzuimboete voor de inkomstenbelasting van 1% van het maximum (€ 52,78) en voor de vennootschapsbelasting van 5% van het maximum (€ 263,90).

Werkafspraken

Inmiddels is gebleken dat door de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën andere afspraken zijn gemaakt dan in het BBBB zijn vastgelegd. Deze werkafspraken zijn in eerste instantie niet bekend gemaakt. Om deze bekenmaking af te dwingen is, met succes, een WOB-verzoek ingediend. Dit WOB-verzoek zorgt ervoor dat de overheid, in dit geval de Belastingdienst, de werkafspraken omtrent de vermindering van verzuimboeten bekend moet maken. Daartoe is de Belastingdienst ook overgegaan.

Deze werkafspraken zien op de situatie dat een belastingplichtige niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting en/of de vennootschapsbelasting.

Heeft de belastingplichtige de aangifte niet ingediend en ontvangt hij vervolgens een ambtshalve aanslag, dan kan hij daar op twee manieren op reageren. In de eerste plaats kan hij bezwaar maken tegen deze ambtshalve aanslag. Dat bezwaarschrift wordt dan door de inspecteur in behandeling genomen. De tweede mogelijkheid is dat de belastingplichtige alsnog het aangiftebiljet indient. Die handeling zal door de inspecteur ook als ‘bezwaar maken’ worden aangemerkt.

In de eerste situatie (bezwaar maken) zal de inspecteur de belastingplichtige vragen om alsnog de aangifte in te vullen en in te dienen. Daarvoor krijgt de belastingplichtige zes weken de tijd. Voldoet de belastingplichtige aan dit verzoek, dan gaat de inspecteur ervan uit dat de belastingplichtige zijn aangiftegedrag (in de toekomst) verbetert. De opgelegde verzuimboete bij de aangifte inkomstenbelasting (in principe € 369,46) wordt dan verminderd tot € 49. Gaat het om een vennootschapsbelastingkwestie dan wordt de verzuimboete (in principe € 2.639) verminderd tot € 246.

In de tweede situatie (alsnog indienen van de aangifte) wordt de verzuimboete direct gematigd tot € 49 (inkomstenbelasting) en € 246 (vennootschapsbelasting).

Daarmee lijkt een belastingplichtige die pas in de bezwaarfase de aangifte indient, gunstiger te worden behandeld dan de belastingplichtige die voordat de ambtshalve aanslag wordt vastgesteld, alsnog (weliswaar te laat) aangifte doet. In paragraaf 21, lid 8, BBBB is immers bepaald dat in die situatie een verzuimboete van 1%, ofwel € 52,78 (inkomstenbelasting) of 5%, ofwel € 263,90 (vennootschapsbelasting) wordt opgelegd.

Om deze ongelijke behandeling tegen te gaan, is in de werkafspraken opgenomen dat ook in deze situatie de verzuimboete wordt gematigd tot € 49 (inkomstenbelasting) en € 246 (vennootschapsbelasting). Het systeem van de Belastingdienst zou dit automatisch moeten verwerken.

Door alsnog aangifte inkomstenbelasting en/of vennootschapsbelasting te doen kan een belastingplichtige de opgelegde verzuimboete aanzienlijk verminderen. Een ‘kleine’ moeite met een groot financieel voordeel dus.

Conclusie

Een belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte moet die aangifte tijdig indienen. Doet de belastingplichtige dat niet, dan ontvangt hij een aanmaning om alsnog de aangifte te doen. Geeft de belastingplichtige ook dan niet thuis, dan kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Die verzuimboete bedraagt in de hoofdregel € 369,46 (inkomstenbelasting) of € 2.639 (vennootschapsbelasting).

Indien de belastingplichtige geen verwijt kan worden gemaakt van het niet (tijdig) doen van de aangifte, dan kan geen verzuimboete worden opgelegd of moet de opgelegde verzuimboete worden vernietigd. De bewijslast van deze ‘afwezigheid van alle schuld’ is lastig. Dat maakt de zaak voor de belastingplichtige echter niet hopeloos. Op een vrij eenvoudige manier kan namelijk de verzuimboete aanzienlijk worden gematigd. Hoe dan? Door het alsnog indienen van het aangiftebiljet. De inspecteur gaat er dan vanuit dat de belastingplichtige zijn aangiftegedrag heeft verbeterd en als beloning daarvoor wordt de verzuimboete verminderd tot € 49 (inkomstenbelasting) of € 246 (vennootschapsbelasting).

Informatieverplichtingen belastingplichtigen: gelijkheid der wapenen sinds 1988

Een op het eerste oog niet erg recent onderwerp betreft de uitsluiting van informatiebevoegdheden voor de inspecteur als een zaak ‘sub iudice’ is: onder de rechter. Al in 1988 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat zodra een zaak aan de rechter wordt voorgelegd, sprake moet zijn van gelijke partijen. Dat betekent dat de inspecteur niet langer bevoegd is om ten bewijze van zijn eigen standpunt buiten de rechter om informatie af te dwingen van de belastingplichtige. Met de recente en weer in aantocht zijnde stroom van kort geding procedures door de fiscus om informatie van weigerachtige ‘zwartspaarders’ af te dwingen, is dit vraagstuk weer zeer actueel.  

Vorderen niet maar afdwingen wel toegestaan?

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde recent in een bestuursrechtelijke kort geding procedure dat de inspecteur wel degelijk bevoegd is informatie bij de belastingplichtige af te dwingen wanneer een zaak onder de rechter is. Hoewel de inspecteur niet bevoegd is buiten de rechter van de belastingplichtige informatie af te dwingen, zou hij diezelfde informatie wel middels een kort geding onder dreiging van dwangsommen mogen afdwingen. Want, zo redeneert het hof, in het geval een kort geding procedure aanhangig wordt gemaakt bij de civiele rechter “kan immers niet worden gezegd dat hij belanghebbende buiten de rechter om dwingt om aan bewijsvoering te zijnen laste mee te werken. Integendeel.”

Waar het hof in deze zaak echter aan voorbij gaat is dat de ‘1988-doctrine’[1] niet (sec) zegt dat alles mag, als het maar aan ‘een’ rechter wordt voorgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat in de tweede fase, gevormd door de rechtsstrijd tegenover de rechter, partijen als gelijken tegenover elkaar staan. Het toezicht op procesorde en de waarheidsvinding zijn vanaf dan voorbehouden aan de rechter. Om die reden kan niet worden aanvaard dat buiten de rechter (in die bestuursrechtelijke procedure) om de ene partij de andere dwingt om bewijs te zijnen laste te verstrekken. Daarmee strookt niet dat die ene partij via een willekeurige andere rechter dan die over de zaak beslist, vraagt om de andere partij tot verstrekking van bewijs onder druk te zetten.[2]

Wattel: schending sub iudice leidt tot integrale bewijsuitsluiting

In zijn conclusie van 19 december 2014[3] concludeerde A-G Wattel dat in strijd met de sub iudice-regel afgedwongen bewijsmateriaal ertoe zou moeten leiden dat dit bewijs van gebruik wordt uitgesloten, ook als het mede ziet op andere belastingaanslagen die nog niet onder de rechter zijn.[4] De rechter dient om die reden bij toewijzing van een vordering van de inspecteur in kort geding een gebruiksrestrictie voor lopende zaken te verbinden.[5]

Deze (tweede) rechterlijke garantie die de A-G voor ogen heeft betreft uitsluiting van gebruik voor de heffing voor zover het aanslagen betreft die al wel onder de rechter waren, ongeacht de vraag of sprake is van wilsafhankelijk, of wilsonafhankelijk bewijsmateriaal. Die garantie staat dus los van de eerste restrictie, voor punitief gebruik in een latere boete- of strafzaak voor afgedwongen wilsafhankelijk materiaal. Zie over die discussie mijn recente bijdrage.[6]

De essentie wordt mooi verwoord wanneer Wattel opmerkt: “het is niet goed denkbaar dat bevoegdheden, voor zover zij principieel niet bestaan, desondanks rechtmatig worden uitgeoefend“.[7] Dat impliceert (dus) ook dat niet bestaande bevoegdheden ook niet via een (andere) rechter kunnen worden afgedwongen. Wordt bewijs in strijd met deze gebruiksrestrictie toch ingebracht in lopende belastinggeschillen, dan dient dit integraal van gebruik te worden uitgesloten zodat geen sprake is van “wassen neuzen of dode mussen“, aldus de A-G. [8]

Tot slot

Met instemming citeer ik de A-G waar hij refererend aan de beroemde uitspraak van de Romeinse senator Cato opmerkt: “Ceterum censeo dat het gewenst is dat de fiscus, voordat hij de civiele dwangsom-rechter adieert, een informatiebeschikking neemt en zo mogelijk het resultaat van daartegen ingestelde bestuursrechtelijke rechtsmiddelen c.q. de onherroepelijkheid ervan afwacht.”

Het zou van behoorlijke procesorde getuigen wanneer de fiscus zijn ‘Carthago’, het afdwingen van informatieverplichtingen onder dwangsom, pas inzet wanneer de noodzaak hiertoe bestaat en de middelen die voor de rechtsbescherming van belastingplichtigen zijn ingevoerd, zijn uitgeput.

[1] Hoge Raad 10-02-1988, nr. 23925, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761, BNB 1988/160

[2] Hoge Raad 10-02-1988, rov. 4.4-4.5

[3] AG Wattel 19-12-2014, nrs. 14/02416 en 14/02686, ECLI:NL:PHR:2014:2347

[4] AG Wattel onder 14.6

[5] AG Wattel onder 15.1

[6] Drieluik nemo tenetur: de rechterlijke garantie voor afgedwongen ‘wilsafhankelijk’ bewijs

[7] AG Wattel onder 15.2

[8] AG Wattel onder 15.5

Drieluik nemo tenetur: de rechterlijke garantie voor afgedwongen ‘wilsafhankelijk’ bewijs

Drie advocaten-generaal trekken ten strijde tegen de huidige opvatting van de Hoge Raad over van belastingplichtigen afgedwongen bewijsmateriaal. Zij concluderen dat het recht om niet aan de eigen veroordeling mee te werken ook op onder dwangsom verstrekte documenten van toepassing is. De Hoge Raad heeft tot dusverre deze vraag ontweken door geen uitspraak te doen over wat wel of niet als ‘wilsafhankelijk bewijsmateriaal’ moet worden aangemerkt.

Inleiding zwijgrecht in brede zin: nemo tenetur

Het EVRM waarborgt onder meer het recht op een eerlijk proces. Een van de kernwaarden binnen dit kader is het zwijgrecht van de verdachte. In bredere zin houdt dit in dat niemand kan worden gedwongen actief mee te werken aan de eigen veroordeling: dit wordt het ‘nemo tenetur’-beginsel genoemd. Nemo tenetur ziet op ‘echte’ verklaringen, maar ook op het verklaren waar bewijs tegen hem zou moeten worden gezocht, dus óók op documenten die justitie niet anders kan verkrijgen dan door de verdachte te dwingen ze af te geven. Dit is tenminste de uitleg (door velen) van de jurisprudentie van het EHRM, laatstelijk in de zaak Chambaz versus Zwitserland.

De Hoge Raad heeft deze uitleg tot nu toe nog niet aangedurfd. Recent zijn conclusies van drie advocaten-generaal gepubliceerd, waarin zij één voor allen, allen voor één concluderen dat ‘nemo tenetur’ toch echt ook documenten treft die onder dwangsom bij belastingplichtige worden afgedwongen, zonder garantie ‘dat het verstrekte materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing’, zoals door de Hoge Raad geformuleerd. Bovendien moet volgens de A-G’s voorafgaand aan het gedwongen verstrekken duidelijk worden gemaakt welk bewijs als ‘wilsafhankelijk’ moet worden aangemerkt.

A-G Wattel: EHRM eist (wettelijke) waarborg vóór afdwingen, ongeacht latere boete

Deze zaak gaat over twee vragen, aldus Wattel:

  1. welke informatie is wilsafhankelijk, en
  2. wie geeft duidelijkheid op welke (dus wilsafhankelijke) informatie de garantie betrekking heeft: de dwangsomrechter of de (eventueel) later oordelende boete-/strafrechter?

Wattel concludeert dat als de Staat bepaalde documenten niet kan of wil achterhalen zónder dwang(som) van de belastingplichtige, het dan gaat om wilsafhankelijk materiaal. Volgens de A-G blijkt uit een arrest in een faillissementszaak van januari 2014 dat ook de Hoge Raad van oordeel is dat duidelijk moet zijn op welk bewijsmateriaal de garantie betrekking heeft.

A-G Langemeijer: kort gedingrechter moet kwalificeren wat ‘wilsafhankelijk’ is

Langemeijer overweegt dat voor een ‘practicial and effective’ bescherming tegen gedwongen zelfincriminatie – het zichzelf belasten door de verdachte – nodig is dat iemand voorafgaand aan de verstrekking weet of dit bewijsmateriaal later wel of niet tegen hem kan worden gebruikt. Als op dit punt ten tijde van het bevel géén onderscheid zou worden gemaakt, dan moet alles wat onder dwangsom is verstrekt, worden behandeld ‘als ware het wilsafhankelijk’ en kan dit dus in zijn geheel niet voor een latere bestraffing worden gebruikt, aldus de A-G.

Daarnaast blijft echter onzekerheid bestaan voor de (latere) verdachte: wat gebeurt er met indirect verkregen bewijs op basis van het afgedwongen materiaal. Over dit gebruik kan de dwangsomrechter geen uitspraak doen, aldus de A-G: zijn oordeel treft uitsluitend het toekomstige gebruik van de direct gevorderde informatie.

A-G Niessen: bewijsuitsluiting documenten verkregen door dwangsom

De conclusie van Niessen betreft een zaak waarin documenten al zíjn afgedwongen onder dreiging van dwangsommen, zónder dat een garantie is gegeven ten aanzien van het gebruik. Ook Niessen concludeert dat het nemo tenetur-beginsel uitdrukkelijk niet alleen van toepassing is op verklaringen, maar ook op het afdwingen van bestaande documenten zoals bankafschriften.

Omdat voor de boete gebruik is gemaakt van deze afgedwongen documenten, kan de boete niet in stand blijven. De A-G concludeert dan ook dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en een ander Hof moet beslissen op basis van het eventueel resterende bewijs zonder de uitgesloten documenten.

Conclusie

Het is te hopen dat de Hoge Raad de drie A-G’s volgt en duidelijkheid verschaft in de vraag wat als ‘wilsafhankelijk’ bewijs kwalificeert en daarmee (iets) meer waarborg biedt tegen oneigenlijke bewijsvergaring. Als de advocaten-generaal in hun eensluidende conclusies worden gevolgd, vallen voortaan ook documenten die niet direct een verklaring van de betrokkene bevatten, onder de regel dat deze niet garantieloos mogen worden afgedwongen. Dwang voor heffingsdoeleinden is toegestaan, maar alleen als de waarborg bestaat dat deze niet later als belastend bewijs voor een straf of boete worden gebruikt.