‘Delen’ via internetplatforms? Let op: de fiscus kijkt mee!

De deeleconomie is ‘hot’. Steeds meer mensen ontdekken de mogelijkheid om kosten te besparen of zelfs geld te verdienen door het tegen vergoeding delen van hun woning, auto e.d. Dat de deeleconomie een lucratieve vlucht heeft genomen is inmiddels ook bij de belastingdienst bekend. De fiscus is deze zomer onderzoeken gestart naar de belastingplicht van delers op huizenverhuursites als Airbnb. De deler aanmerken als belastingplichtige is echter nog niet zo eenvoudig.

inkomsten verhuur internet

Belastingplichtig over deelinkomsten

Dat over deelinkomsten vaak belasting moet worden betaald is bij weinig delers bekend. Dit kan voor problemen zorgen, want deelplatforms laten de belastingzaken over aan de delers. Dit is echter niet altijd eenvoudig. Op de sites van de verhuurders is veelal geen duidelijke informatie te vinden over de belastingplicht. Afgezien van een rekenvoorbeeld over de gevolgen voor de incidentele verhuur van een eigen woning via internet is hierover ook op de site van de Belastingdienst geen specifieke informatie te vinden.

Verschillende situaties

Kenmerkend voor de deeleconomie is dat het andere ‘deelnemers/actoren’ kent dan de traditionele economie. De deeleconomie kenmerkt zich door consumenten die aan elkaar zaken verhuren of overdragen (C2C). Dit in tegenstelling tot de traditionele economie waar de relatie veelal ondernemer – consument (B2C) is. De deelplatforms brengen de consumenten enkel bij elkaar. Het onderscheid tussen C2C en B2C is van belang voor de belastingplicht.

Belastingplicht

Btw-heffing is pas aan de orde als sprake is van “business”. Het onderscheid tussen B2C en C2C is echter niet altijd even makkelijk te maken. Wanneer passeert de ‘consumer’ de grens naar ‘business’?

Voor de heffing van de inkomstenbelasting is het relevant of de inkomsten uit deelactiviteiten moeten worden gezien als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden. Maar wanneer is iemand ondernemer? Btw-plichtig zijn betekent niet automatisch dat de inkomsten voor de inkomstenbelasting worden gezien als winst uit onderneming. Om als ondernemer voor de inkomstenbelasting aangemerkt te worden dient sprake te zijn van een deelneming aan het economische verkeer en moet de activiteit gericht zijn op het behalen van voordeel. Dit voordeel moet bovendien redelijkerwijs te verwachten zijn. Dit zijn voorwaarden waar discussie over mogelijk is.

In plaats van winst uit onderneming zal sneller heffing plaats kunnen vinden op basis van resultaat uit overige werkzaamheden. Resultaat uit overige werkzaamheden is de restcategorie van het inkomen uit werk in box 1. Onder een overige werkzaamheid wordt in het algemeen verstaan het verrichten van enige vorm van arbeid die is gericht op het behalen van geldelijk voordeel. Naast winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden is het ook mogelijk dat bij tijdelijke verhuur van een eigen woning sprake is van een voordeel uit eigen woning. Zie het rekenvoorbeeld van de belastingdienst.

Een andere vraag is hoe de deelactiviteiten beoordeeld moeten worden. Wat te doen als een particulier een aantal verschillende activiteiten verricht, zoals een paar keer per jaar zijn woning verhuurt via Airbnb, zijn auto deelt via Snappcar en spullen verkoopt via Marktplaats? Dient elke activiteit afzonderlijk te worden beoordeeld voor de vraag of sprake is van belastingplicht? Of moeten deze activiteiten gezamenlijk worden beoordeeld voor de vraag of sprake is van een belastingplicht? Allemaal punten die in het grijze gebied van de fiscaliteit vallen.

Fiscale gevolgen

De aanwezigheid van een belastingplicht zegt nog niet meteen iets over de fiscale gevolgen. Dit omdat voor verschillende gevallen verschillende vrijstellingen kunnen gelden. Als sprake is van een onderneming gelden strengere eisen van bedrijfsvoering, maar het voordeel is dat er meer fiscale aftrekmogelijkheden zijn. Zo geeft de kleineondernemersregeling recht op vermindering van de verschuldigde btw als het btw bedrag niet meer dan € 1.883 per jaar bedraagt.

Lastig voor delers maakt het dat naast de ingewikkelde fiscale regelgeving er ook gespeculeerd wordt over gedoogbeleid. Zo zou volgens autodeelplatforms de Belastingdienst gedogen dat inkomsten tot € 6.000 niet als belastbare inkomsten worden opgegeven. Of dit daadwerkelijk het huidige gedoogbeleid is, bevestigt de belastingdienst niet.

Een ander verschil tussen particulieren en ondernemers is de wettelijke bewaarplicht. Particulieren zijn niet wettelijk verplicht hun administratieve gegevens te bewaren. Ondernemers moeten daarentegen hun administratie zeven jaar bewaren. Dit is wettelijk geregeld. Dit kan voor de deler bewijstechnische problemen opleveren als hij tegen verwachting als ondernemer in plaats van particulier wordt aangemerkt.

Conclusie

Duidelijk is dat met het ‘delen’ van spullen behoorlijke (neven)inkomsten zijn te verdienen. Let hierbij dus wel op dat ook de fiscale kant is geregeld. Geef je de opbrengsten niet aan dan riskeer je navorderings- en naheffingsaanslagen met hoge boetes. Dit risico is groot nu blijkt dat door al het gedeel veel belastinginkomsten weglekken en de belastingdienst daarom is gestart met controles. De kans is aanzienlijk dat de belastingdienst komend jaar de controle op de deeleconomie uitbreidt en als een van zijn speerpunten aanmerkt. Belangrijk is dat de belastingautoriteiten bij deze controles de privacybescherming van particulieren niet uit het oog verliezen. De overgang van particulier naar ondernemer en het vraagstuk van de belastingplicht is en blijft complex. Tegen eventuele navorderingen en boetes naar aanleiding van een onderzoek naar deelactiviteiten is dus vaak nog het een en ander in het geding te brengen!

 

De jacht op “zwarte” debet- en creditcards

Op 13 juli jl. stond de eerste verdachte in een grootschalig onderzoek naar zwartspaarders voor de rechter. De Belastingdienst, FIOD en het OM werken al drie jaar nauw samen in dit grootschalige onderzoek naar vermeende zwartspaarders; het zogenaamde “project debet- en creditcards”. Het project heeft inmiddels geleid tot diverse lopende onderzoeken van de FIOD en het OM naar fiscale fraude en witwassen. Het is echter de vraag of de onderzoeksmethode houdbaar is en of nog gebruik kan worden gemaakt van de inkeerregeling.

Project debet- en creditcards

De Belastingdienst heeft de afgelopen drie jaren gegevens verzameld van alle opnames en betalingen die in Nederland zijn gedaan met buitenlandse bankpassen. De gegevens van de kaarteigenaren die niet voor langere tijd in Nederland verbleven, zoals toeristen, zijn er uitgefilterd. Door Nederlandse transactiegegevens te gebruiken wordt het bankgeheim omzeild.

Directeur Hans van der Vlist van de FIOD heeft onlangs in het NRC Handelsblad laten weten dat onder de duizend geselecteerde kaarten zich Nederlanders bevinden die bij de aangifte van hun belastingen hebben aangegeven geen buitenlands vermogen te bezitten. Volgens de directeur van de FIOD zijn er met deze buitenlandse kaarten wel grote aankopen gedaan.

Onderzoeken

Het project heeft inmiddels geleid tot diverse lopende onderzoeken van de FIOD en het Openbaar Ministerie naar fiscale fraude en witwassen. Zo heeft de FIOD eind juni doorzoekingen verricht bij twee personen die ervan verdacht worden dat zij inkomsten of vermogen niet hebben opgegeven bij de Belastingdienst.

Directeur Hans van der Vlist van de FIOD verwacht dat een team van de opsporingsdienst de rest van het jaar met de onderzoeken bezig is. Nu het onderzoek al een aantal jaren loopt kan de FIOD nagaan wat iemand door de jaren heen heeft uitgegeven. Het spoor is niet weg als de bankrekening wordt opgezegd of het saldo op nul staat.

Rechtmatigheid onderzoeken

Afgaande op de tot nu toe bekende berichten omtrent het project debet- en creditcards heeft de Belastingdienst de gegevens van de kaarten waarschijnlijk verkregen door middel van een derdenonderzoek. Een derdenonderzoek houdt – kort gezegd – in dat iedere ondernemer verplicht is desgevraagd gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van een ander. Dat de gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing valt moeilijk te betwisten. Echter vordert de Belastingdienst in onderhavig geval via het derdenonderzoek een enorme hoeveelheid data waarmee hij kan controleren wie, waar en wanneer was. Dit gebeurt in onderhavig geval zonder de vordering toe te spitsen op bepaalde personen. Nu deze wijze van onderzoeken zo weinig concreet is toegepast op specifieke personen heeft het onderzoek veel weg van een zogenaamde fishing expedition.

Doelstelling van het recht op privacy ex art 8 EVRM is het individu te beschermen tegen willekeurige inmenging door de overheid in zijn privéleven. Dat iemand die niets te verbergen heeft ook niets te vrezen heeft, doet hier niet aan af. Een beperking van het recht op privacy moet worden gerechtvaardigd door een ‘pressing social need’, en in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het opvragen van de grote hoeveelheid niet gespecificeerde gegevens kan worden aangemerkt als een inbreuk op het recht op privacy. Uit het oordeel van de rechtbank in de eerste aanhangige procedure betreffende “project debet- en creditcards” zal moeten blijken of, indien aangevoerd, deze inbreuk in onderhavig geval al dan niet gerechtvaardigd is en of de onderzoekmethode houdbaar is.

Gevolgen en inkeren

Het verbergen van inkomsten en vermogen in het buitenland kan leiden tot navorderingsaanslagen en boetes van de Belastingdienst. De maximale boetes voor zwartspaarders die tegen de lamp lopen bedragen 300% over de alsnog verschuldigde belasting. Zwartsparen kan echter niet alleen leiden tot navorderingsaanslagen en boetes van de Belastingdienst, maar ook tot strafrechtelijk onderzoek en vervolging door het OM.

Zwartspaarders kunnen nog steeds gebruik maken van de zogenoemde ‘inkeerregeling’. De inkeerregeling houdt in dat mensen tegen een lagere boete hun tot nu toe niet gemelde inkomen of vermogen bij de Belastingdienst kunnen aangeven. De boete bij inkeer bedraagt vanaf 1 juli 2015 60% van de na te vorderen inkomstenbelasting.

Het is belangrijk dat het inkeertraject zorgvuldig, discreet en op de juiste wijze wordt begeleid. Daarmee kan de verschuldigde belasting, beboeting en bestraffing zoveel mogelijk worden beperkt. Neem contact met Jaeger Advocaten – Belastingkundigen op als u meer informatie wenst. Wij helpen u graag!

 

 

 

 

 

 

 

Hof vernietigt navorderingsaanslagen zwartspaarders

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in een procedure van vermeende zwartspaarders dat de door de belastingdienst vastgestelde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting worden vernietigd. Het Hof beslist dit – kort gezegd – omdat de Belastingdienst ten onrechte een eerdere beslissing in de procedure van rechtbank Arnhem omtrent het bekendmaken van de identiteit van de tipgever naast zich neer heeft gelegd.

Anonieme tip

De vermeende zwartspaarders waren bij de belastingdienst bekend geworden door een tip van een anonieme tipgever. In januari 2009 heeft de tipgever zich gemeld bij de FIOD. Hij stelde over informatie te beschikken met betrekking tot Nederlandse belastingplichtigen die geheime Luxemburgse spaarrekeningen aanhielden. Deze tipgever heeft informatie aan de belastingdienst verstrekt in ruil voor een deel van de opbrengst van de navorderingsaanslagen. Een en ander is vastgelegd in een overeenkomst tussen de tipgever en de belastingdienst. De belastingdienst heeft hierbij aan de tipgever beloofd dat zijn identiteit niet openbaar zou worden gemaakt.

Naam tipgever moet openbaar

De geheimhoudingskamer van de rechtbank Arnhem heeft echter geoordeeld dat de gehele inhoud van de met de tipgever gesloten overeenkomst, waaronder de naam van de tipgever, relevant is voor de inhoudelijke beoordeling van de belastingaanslagen en boetes. De naam van de tipgever dient dus openbaar gemaakt te worden, aldus de rechtbank.

De Inspecteur heeft desondanks geweigerd de naam van de tipgever bekend te maken. De rechtbank heeft aan deze weigering in zijn einduitspraak geen gevolgen verbonden, omdat de vermeende zwartspaarders naar het oordeel van de rechtbank niet in hun procesbelangen zijn geschaad. De belastingplichtigen konden zich hier niet in vinden en hebben hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft de inspecteur het oordeel van de geheimhoudingskamer van rechtbank Arnhem niet aangevochten en heeft hij berust in het oordeel. Daarmee staat voor het geding in hoger beroep vast dat de inspecteur stukken moet overleggen met daarin vermeld de naam van de tipgever. Desondanks weigerde de inspecteur in het hoger beroep de identiteit van de tipgever bekend te maken.

Vermeende zwartspaarders in procesbelang geschaad

Het Hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de vermeende zwartspaarders in dit geval wel in hun procesbelangen worden geschaad. Het Hof oordeelt hierbij dat niet vaststaat dat de informatie van de tipgever ook in dit geval betrouwbaar moet worden geacht. Van belang daarbij is dat de informatie niets meer is dan een verklaring van de tipgever. De informatie is kennelijk niet rechtsreeks afkomstig van een bank.

Het Hof oordeelt ook dat het beleid omtrent de gebruikmaking van tipgevers de belastingdienst verplicht om te onderzoeken hoe de tipgever de informatie heeft verkregen. Namens de inspecteur is ter zitting verklaard dat de belastingdienst een dergelijk onderzoek niet heeft verricht. Gelet hierop oordeelt het Hof dat de vermeende zwartspaarders er ontegenzeggelijk belang bij hebben een dergelijk onderzoek zelf uit te voeren en de naam van de tipgever is hierbij onontbeerlijk. De rechtmatigheid van het gebruik van de informatie van de tipgever staat in dit geval niet vast, omdat het gebruik kan indruisen tegen hetgeen van een behoorlijk handelend overheid mag worden verwacht.

Rechtsorde geschonden

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur de rechtsorde ernstig heeft geschonden en dat dit oordeel op zichzelf rechtvaardigt dat de navorderingsaanslagen en boetes worden vernietigd. De inspecteur heeft de mogelijkheid gehad om in hoger beroep nogmaals de vraag over het geheimhouden van de identiteit van de tipgever voor te leggen aan de geheimhoudingskamer. Dit heeft de inspecteur bewust niet gedaan. Hij heeft zich neergelegd bij de uitspraak van de geheimhoudingskamer van rechtbank Arnhem. Desondanks legt de inspecteur het oordeel van de rechter naast zich neer en weigert de inspecteur de identiteit van de tipgever vrij te geven. Dit rekent het Hof de inspecteur zwaar aan.

Het feit dat de inspecteur ten onrechte weigert informatie te verstrekken, maakt niet dat de getuigen, de belastingambtenaren, die over deze informatie beschikken reeds om die reden met succes een beroep kunnen doen op het verschoningsrecht. Naar aanleiding van de weigering (in opdracht van hogerhand) van de belastingambtenaren om de identiteit van de tipgever vrij te geven, heeft het Hof in november jl. al aangifte op verdenking van beïnvloeding van getuigen gedaan tegen het Ministerie van Financiën. Ik schreef daarover in een eerdere blog.

De belastingdienst heeft al laten weten dat cassatie wordt ingesteld bij de Hoge Raad tegen het vonnis van het hof. De belastingdienst vindt het vonnis teleurstellend, te meer omdat het er nu op lijkt dat de naam van een tipgever belangrijker is dan het heffen van belasting bij mensen die hun spaargeld voor de belastingdienst verborgen houden.

Recht op eerlijk proces met voeten getreden

Daarmee ziet de belastingdienst kennelijk over het hoofd dat ook vermeende zwartspaarders recht hebben op een eerlijk proces. Die rechten worden door de belastingdienst in deze zaken met voeten getreden.

“De bijl aan de wortel van de rechtsstaat”

Met een uitzonderlijke aangifte tegen het Ministerie van Financiën wegens verdenking van het beïnvloeden van getuigen geeft de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een nieuwe wending aan de ‘tipgeversprocedures’. De president van het gerechtshof licht het als volgt toe: “Hier lijkt het erop dat de overheid zichzelf niet aan de regels wil houden. […] Dit is de bijl aan de wortel van de rechtstaat”.

Tipgeversprocedures

De tipgeversprocedures draaien om een tipgever die in 2009 namen en gegevens van vermeende zwartspaarders aan de belastingdienst verkocht. De belastingdienst heeft deze gegevens vervolgens gebruikt om navorderingsaanslagen met boeten op te leggen. De vermeende zwartspaarders eisten in verscheidene procedures bij de rechtbank dat de identiteit van de tipgever werd onthuld. Zij achtten dat nodig om de betrouwbaarheid van de informatie te kunnen vaststellen.

De geheimhoudingskamer van rechtbank Arnhem heeft in 2012 geoordeeld dat de identiteit van de tipgever moest worden bekendgemaakt. Daaraan heeft de belastingdienst echter geen gevolg gegeven; zij weigerde de identiteit van de tipgever bekend te maken. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk verder behandeld.

In het door de vermeende zwartspaarders ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem werden twee ambtenaren onder ede gehoord. Zij weigerden de naam van de tipgever te noemen. In dat zwijgen volhardden zij, hoewel het hof hen wees op hun plicht tot antwoorden. Een belastingambtenaar heeft namelijk geen zwijgrecht. De ambtenaren zeggen de opdracht tot zwijgen van bovenaf te hebben gekregen. De Landsadvocaat gaf namens het Ministerie van Financiën de volgende verklaring voor het zwijgen van de ambtenaren: “Er spelen hier andere belangen en er heeft op hoge niveaus afstemming plaatsgevonden.”

Aangifte

De vermeende zwartspaarders hebben het gerechtshof vervolgens verzocht om strafrechtelijke aangifte te doen. Bij een verdenking als deze is het gerechtshof daartoe verplicht. Het gerechtshof heeft dan ook op 11 november jl. aangifte gedaan tegen van de verdenking dat door of namens het Ministerie van Financiën opzettelijk instructies zijn gegeven om de vrijheid van de getuigen om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen, te beïnvloeden.

Het gaat het gerechtshof bij deze aangifte om het feit dat getuigen namens het Ministerie van Financiën vermoedelijk zijn geïnstrueerd om ten overstaan van een rechter te zwijgen. In de uitzending van Nieuwsuur van 28 november jl. lichtte de president van het gerechtshof zijn keuze om tot strafvervolging over te gaan als volgt toe: “Het gaat in deze zaak om de rechtsstaat. Hier lijkt het erop dat de overheid zichzelf niet aan de regels wil houden. […] Dit is de bijl aan de wortel van de rechtstaat”.

Als het het Ministerie van Financiën inderdaad heeft gehandeld zoals wordt vermoed, dan is dat in strijd met een behoorlijke rechtspleging. Het Openbaar Ministerie zal de aangifte van het gerechtshof niet gemakkelijk naast zich neer kunnen leggen. Zou het Openbaar Ministerie onverhoopt toch niet overgaan tot vervolging, dan kan het gerechtshof nog een zogeheten artikel 12 Sv-procedure starten bij een ander gerechtshof. Het andere gerechtshof toetst of een vervolging van het Ministerie van Financiën haalbaar zou zijn en of die vervolging opportuun is. Oordeelt dat gerechtshof dat aan beide criteria is voldaan, dan beveelt het alsnog de vervolging.

Dat het Ministerie van Financiën weigert zich aan de wet te houden, is onacceptabel binnen een rechtsstaat. Een rechtsstaat is een staat waarin de overheidsmacht aan banden wordt gelegd door het recht. Als een overheid of een functionaris zijn macht misbruikt, is er per definitie geen sprake van een rechtsstaat, maar van een gebrek daaraan.

Lees hier het bericht op de website van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over deze aangelegenheid.

Nationale Ombudsman: “onprofessioneel gedrag belastingdienst”

In het klachtrecht gaat het om de vraag of burgers behoorlijk zijn behandeld door de overheid. Maar wat is een behoorlijk optredende overheid nu eigenlijk? De belastingdienst staat al jaren met stip op één van de lijst met klachten tegen de overheid. Dat de Nationale Ombudsman regelmatig de behoorlijkheid van het optreden van de belastingdienst toetst en klachten regelmatig gegrond blijken, is dus niet verbazingwekkend.

Op 13 oktober jl. werd een klacht tegen de belastingdienst gegrond verklaard wegens gebrek aan professionaliteit. De klacht richtte zich tegen het optreden van de belastingdienst in een onderzoek over een aangifte inkomstenbelasting. De belastingambtenaar deed onderzoek naar de betrokkenheid van de belastingplichtige bij een Stichting Particulier Fonds (hierna: SPF). De belastingplichtige vond dat de belastingambtenaar blijk gaf van vooringenomenheid door conclusies te trekken voordat het onderzoek was voltooid. Zo had de belastingambtenaar al voor het onderzoek lacherige opmerkingen gemaakt in de trant van “zijn SPF” (dat van de belastingplichtige dus). Toen de belastingplichtige had gezegd dat het niet zijn SPF was, had de ambtenaar gereageerd met “Oh ja, daar valt u over. Dat is natuurlijk een heikel punt”.

De Nationale Ombudsman is van oordeel dat deze belastingambtenaar niet professioneel heeft gehandeld. Door deze uitlatingen kon de indruk ontstaan dat de belastingambtenaar zijn conclusies al had getrokken en dat meewerken aan het verdere onderzoek geen zin meer had. Bovendien konden de uitlatingen in dat stadium worden ervaren als provocerend en/of badinerend, zeker gezien de lacherige toon. Het maken van terloopse opmerkingen die een conclusie lijken te verwoorden, past volgens de Nationale Ombudsman gewoon niet bij een professioneel optreden.

In de praktijk blijkt dat tijdens belastingcontroles de eis van professionaliteit steeds vaker wordt geschonden. In 2009 oordeelde de Nationale Ombudsman al eens dat een antwoord dat de belastingdienst niet aanstaat, geen rechtvaardiging is om telkens opnieuw dezelfde vragen te stellen.[1] Door die herhaling kan een belastingplichtige de indruk krijgen dat er net zolang wordt gezocht tot een fout wordt gevonden. Ook dit optreden vond de Nationale Ombudsman onprofessioneel.

Ook in 2011 verklaarde de Nationale Ombudsman een klacht gegrond vanwege de wijze waarop de belastingplichtige tijdens een belastingcontrole was bejegend. Belastingambtenaren hebben zich in die situatie te onthouden van grievende opmerkingen en moeten hun persoonlijke mening over het doen en laten van de belastingplichtige voor zich houden. Zij moeten zich beperken tot een zakelijk oordeel over de juistheid van de boekhouding.[2]

Uit het recente oordeel van de Nationale Ombudsman blijkt weer eens dat belastingambtenaren bij het uitvoeren van een belastingcontrole soms niet de nodige onafhankelijkheid, zorgvuldigheid en professionaliteit in acht nemen. Toch is het van groot belang dat de belastingcontrole zorgvuldig gebeurt. In de verdere procedure wordt immers op het rapport van de belastingcontrole voortgebouwd. Daarom is het verstandig als belastingplichtigen zich al in deze fase verzekeren van professionele rechtsbijstand. Een ervaren fiscaal advocaat kan fouten in een zo vroeg mogelijk stadium constateren en zo nodig ingrijpen.

[1] NO 15 mei 2009, nr. 2009/100.

[2] NO 14 juni 2011, nr. 2011/177.

Aanslag op tijd opgelegd?

Regelmatig is er discussie over de vraag of een belastingaanslag tijdig is opgelegd. Zo’n discussie ontstaat als de belastingplichtige pas na het verlopen van de aanslagtermijn van drie jaar (de maximale periode tussen aangifte en aanslag) op de hoogte raakt van de aanslag. Dat kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een verkeerde adressering van de aanslag. De dagtekening van de aanslag komt dan niet overeen met het moment waarop de aanslag aan de belastingplichtige bekend is geworden.

Op 18 april 2014 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin meer duidelijkheid wordt geschapen over de omstandigheden waaronder een aanslag tijdig is opgelegd.

Hoe zit dat nu precies?

Vaststelling van de belastingaanslag vindt plaats doordat de inspecteur het aanslagbiljet opmaakt. Uitgangspunt is dat de dagtekening van het aanslagbiljet geldt als het tijdstip van vaststelling van de belastingaanslag. Die dagtekening is van belang om vast te stellen of de belastingaanslag is opgelegd binnen de daarvoor gestelde termijn van drie jaar, de zogeheten aanslagtermijn.

Naast de vaststelling van de aanslag is ook het tijdstip van de bekendmaking van de aanslag voor het in werking treden van de aanslag van belang. In de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een besluit (en een aanslag is een besluit in de zin van de wet) pas in werking treedt nadat dat besluit op de voorgeschreven wijze aan de belastingplichtige is bekendgemaakt of verzonden.

Op die bepaling had de Hoge Raad eerder voor belastingaanslagen een uitzondering geformuleerd. Deze kwam erop neer dat een aanslag ook tijdig is opgelegd als vaststaat dat de belastingplichtige binnen de aanslagtermijn van drie jaar op de hoogte is geraakt van de verzending van de aanslag, ook al was de aanslag bijvoorbeeld verkeerd geadresseerd en dus niet op de voorgeschreven wijze aan de belastingplichtige bekendgemaakt of verzonden.

Deze uitzondering stuitte op veel kritiek. Het doel van de aanslagtermijn, namelijk het waarborgen dat een belastingplichtige zijn belastingaangifte binnen een redelijke termijn ontvangt (de waarborgfunctie), kwam door de uitzonderingsregel, zo werd gevonden, in het gedrang.

De Hoge Raad is in het recente arrest teruggekomen op de eerder geformuleerde uitzondering. De Hoge Raad heeft nu bepaald dat de datum waarop de aanslag op correcte wijze is bekendgemaakt, doorslaggevend is, en dus niet de dagtekening van de aanslag. Als een aanslag niet binnen de aanslagtermijn van drie jaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, moet deze vernietigd worden.

Ook als de belastingplichtige binnen de aanslagtermijn op de hoogte is geraakt van de verzending van het aanslagbiljet, kan dus niet langer worden aangenomen dat alleen om die reden de aanslagtermijn in acht is genomen. Met de enkele kennisneming van die verzending is, zo oordeelt de Hoge Raad, niet gewaarborgd dat de belastingplichtige binnen een redelijke termijn zijn belastingaanslag ontvangt, en wordt dus onvoldoende recht gedaan aan de strekking van de aanslagtermijn.

Door deze nieuwe leer van de Hoge Raad zal de belastingdienst dus extra alert moeten zijn op een tijdige en juiste bekendmaking van de aanslag. Interessant is dat de aanslagtermijn in het aanhangige wetsvoorstel ‘Vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst’ ook nog eens wordt verkort van drie jaar naar vijftien maanden; de kans dat de belastingdienst zich aan deze verplichting vergaloppeert, wordt daardoor nog groter.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp of hebt u zelf te maken met de vraag of een aanslag tijdig aan u is opgelegd? Neem dan contact op met mr. Marloes Rijksen of een van de andere advocaten-belastingkundigen van Jaeger.

Tipgeld fiscale fraude: premiejagerscultuur

De Nederlandse fiscus betaalt soms tipgeld voor informatie over fiscale fraude. Als de tipgever die informatie gestolen heeft omdat hij wist dat hij tipgeld kon vangen, mag dat bewijsmateriaal dan wel worden gebruikt? Het is immers onrechtmatig verkregen. Als de onrechtmatigheid is geïnitieerd door de overheid, doet zich daarbij toch echt een complicatie voor.   

Het Tweede Kamerlid Omtzigt heeft aan Staatssecretaris Wiebes van Financiën vragen gesteld over zogenaamde tipgelden. Aanleiding voor deze vragen was de start van het project Vierde Categorie. In dit project ging het om informatie die was verkregen van een tipgever die hiervoor is beloond op grond van een overeenkomst met de fiscus. Het project betrof ongeveer 150 Nederlanders die via België geld zouden hebben overgemaakt naar een Zwitserse vennootschap. Deze zou vervolgens zorg dragen voor het beleggen van het geld. Dit beleggingsvermogen zou voor de fiscus zijn verzwegen. In veel gevallen is dit echter onjuist gebleken; er was wel degelijk belastingaangifte gedaan van het beleggingsvermogen.

De aan Wiebes gestelde vragen gingen over het beleid dat de fiscus zou hanteren met betrekking tot de omgang met de tegen betaling aangeboden tips over fiscale fraude. In zijn brief van 11 februari 2014 geeft Wiebes antwoord op de vragen. Hij verwijst hierbij naar een brief van de toenmalige staatssecretaris van financiën van 2 februari 2010. Daarin is aan de hand van verschillende criteria een kader geschetst voor beslissingen van de fiscus over het maken van (betalings-)afspraken met een tipgever.

De brief van 2010 was opgesteld vanwege het door de fiscus sluiten van een overeenkomst met een tipgever. Die verstrekte tegen betaling informatie over door honderden Nederlandse zwartspaarders aangehouden bankrekeningen in het buitenland. Dit kader, dat bepalend moet zijn voor het handelen van belastingdienst en FIOD, is niet bepaald nieuw; het bouwt voort op een resolutie van 24 oktober 1985. De belangrijkste elementen van het het kader zijn: aanzienlijk fiscaal belang, betrouwbare informatie, geen risico voor tipgever en betrokken belastingambtenaar, geen strafrechtelijke immuniteit en een zeer terughoudend beleid. Maar onduidelijk was en blijft nog steeds hoe de fiscus invulling geeft aan het door hem gestelde kader.

De vraag werpt zich op in hoeverre het betalen van tipgeld door de fiscus aan de tipgever kan worden aangemerkt als betrokkenheid bij een strafbaar feit? De strafkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat onrechtmatig verkregen bewijs door de overheid mag worden gebruikt, tenzij zij de onrechtmatigheid heeft geïnitieerd of gefaciliteerd. Ook naar het oordeel van de belastingkamer mag de inspecteur onder deze voorwaarden zulke informatie gebruiken om na te vorderen.

Aan Wiebes wordt de vraag gesteld hoe hij waarborgt en verzekert dat er geen sprake is van door de overheid geïnitieerde en gefaciliteerde onrechtmatige bewijsgaring. Zijn antwoord luidt dat dit wordt gewaarborgd door zo terughoudend mogelijk om te gaan met de mogelijkheid van het aangaan van tipgeversovereenkomsten. Dit is tevens de reden dat er niet tot een nadere detaillering van de tipgeldregelingen wordt overgegaan, om zo te voorkomen dat er een stimulans zou kunnen uitgaan voor de zogenaamde fiscale premiejager.

De vraag is evenwel of de overheid behoorlijk handelt door gebruik te maken van informatie van tipgevers. De overheid heeft bekend gemaakt dat er een beleid over tipgeld bestaat en dat een tip kan leiden tot het uitbetalen van tipgeld. Alleen al de wetenschap dat de overheid bereid is te betalen voor gestolen financiële informatie kan in sommige individuen de premiejager wakker maken.

Als een individu zich door de in het vooruitzicht gestelde beloning geïnspireerd voelt en zich schuldig maakt aan diefstal van gegevens om deze in ruil voor het tipgeld door te spelen aan de fiscus, kan niet op voorhand worden gesteld dat hier geen sprake is van initiëren dan wel faciliteren van het strafbare feit. Dit nog los van het feit dat een geïnspireerd geraakt individu ook creatief een lijst met fictieve fraudeurs kan opstellen en deze als betrouwbaar aan de fiscus kan presenteren.

Hoe de fiscus de betrouwbaarheid van aangeleverde gegevens controleert en waarborgt is onduidelijk.

Hebt u vragen over dit onderwerp of wordt u zelf op grond van een betaalde tip beschuldigd van belastingfraude? Neem dan contact op met Marloes Rijksen. Zij geeft u er graag alle informatie over.

Begrip “overtreder” in belastingzaken verruimd

De door de pers genaamde “Bulgarenfraude” was het afgelopen jaar veelvuldig in het nieuws. Er bleek op grote schaal met toeslagen te worden gefraudeerd. Als gevolg hiervan is per 1 januari 2014 de ‘Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit’ inwerking getreden. Deze wet beoogt fraude in het toeslagenstelsel en in de fiscaliteit beter te bestrijden.

Uitbreiding begrip ‘overtreder’

Door de uitwerking van de ‘Wet aanpak fraude en toeslagen’ is aan de AWR artikel 67o toegevoegd: dit  beoogt een uitbreiding van het overtredersbegrip in de fiscaliteit met als doelstelling dat ook een boete kan worden opgelegd aan mensen of bedrijven die anderen faciliteren bij het niet nakomen van hun fiscale verplichtingen. Daarom wordt het overtredersbegrip voor de bestuurlijke boete uitgebreid met de “doen pleger”, de “uitlokker” en de “medeplichtige”.

De toegevoegde vormen van deelneming zijn afkomstig uit het strafrecht. De uitbreiding van de deelnemingsvormen betekent dat er nog meer puur strafrechtelijke begrippen in de fiscaliteit worden geïntroduceerd en het voor fiscalisten van groter belang is dat zij ook kennis hebben van het strafrecht.

Uitbreiding: gehaast en vreemd

Deze uitbreiding is pas in een erg laat stadium van het wetgevingsproces, namelijk op 12 november 2013, via het amendement-Nepperus toegevoegd aan de ‘Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit’. Opvallend en onduidelijk is waarom deze uitbreiding in alle haast is toegevoegd.

Dat het overtredersbegrip verder is uitgebreid, is ook opvallend omdat het fiscaal beboetbare delict in beginsel een kwaliteitsdelict is. Dit houdt in dat alleen de belastingplichtige de hoedanigheid heeft om het beboetbare feit te plegen. Voorheen kon ten gevolge van dit zogenaamde kwaliteitsvereiste een boete dan ook alleen worden opgelegd aan de belastingplichtige zelf. Sinds de invoering van de ‘vierde tranche Awb’ in 2009 is echter de mogelijkheid ontstaan om ook aan “medeplegers”, “feitelijk leidinggevenden” en “opdrachtgevers” een boete op te leggen. Tijdens de parlementaire behandeling had de wetgever duidelijk geen behoefte aan andere deelnemingsvormen.

Gevolgen voor belastingadviseur

De uitbreiding van het overtredersbegrip voor de bestuurlijke boete in de fiscaliteit brengt onder andere met zich mee dat de relatie tussen belastingadviseur en zijn klant verder onder druk komt te staan. Want in welke gevallen kun je spreken van uitlokking door een belastingadviseur? En is sinds 1 januari 2014 een belastingadviseur medeplichtig aan het doen van een onjuiste aangifte indien hij de gegevens niet voldoende heeft gecontroleerd?

Voor belastingadviseurs maakt de wetswijziging het er niet gemakkelijker op. Feit is dat de kans op een boete voor een belastingadviseur is toegenomen. Belastingadviseurs en accountants zullen zich nog meer dan voorheen bewust moeten zijn van de toegenomen kans op beboeting.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp of over andere aspecten van de complexe relatie tussen belastingadviseur en belastringplichtige? Neem dan contact op met mr. M.F.T. Rijksen