Controle door de Belastingdienst: wat zijn de spelregels?

Elke ondernemer krijgt vroeg of laat een keer te maken met een controle van de Belastingdienst. Deze controle kan zijn gericht op zijn belastingplicht, maar ook op die van een derde (bijvoorbeeld zijn afnemer of leverancier). De Belastingdienst heeft meerdere mogelijkheden om bij een ondernemer een controle te houden. Zo kan de inspecteur een boekenonderzoek instellen, een bedrijfsbezoek houden of een waarneming ter plaatse. De praktijk wijst uit dat de Belastingdienst thans druk bezig is met het controleren van de balanspost omzetbelasting van een ondernemer. Het draaiboek dat hiervoor door de Belastingdienst is opgesteld, wijst uit dat deze controle met name is gericht op het onderzoeken van de verwijtbaarheid van de ondernemer. Dat zou bij de ondernemer meteen alle alarmbellen moeten laten rinkelen. Wat zijn zijn rechten en plichten tijdens een controle van de Belastingdienst? Is hij verplicht mee te werken aan het vaststellen van zijn verwijtbaarheid? Op deze onderwerpen ga ik in deze blog in.

Help documenten

Verschillende controlemogelijkheden

De inspecteur van de Belastingdienst heeft meerdere mogelijkheden om een controle uit te voeren bij een ondernemer. In de eerste plaats kan de inspecteur een boekenonderzoek houden. Doel van een boekenonderzoek is meestal het controleren van de belastingaangiften en de administratie van de ondernemer. De inspecteur kan er daarbij voor kiezen om een bepaalde periode te controleren of bepaalde onderdelen van de belastingaangiften en/of administratie. De inspecteur komt dan meestal een dag(deel) naar het bedrijf van de ondernemer om het onderzoek te houden. Tijdens dat onderzoek kan de inspecteur ook vragen stellen aan de ondernemer. Dit onderzoek wordt door de inspecteur ook gebruikt voor bijvoorbeeld het (recente) onderzoek naar de balanspost omzetbelasting van een ondernemer.

Een andere mogelijkheid is dat de inspecteur graag inzicht wil krijgen in het bedrijf en de bedrijfsvoering van de ondernemer. De inspecteur zal dan in de meeste gevallen een bedrijfsbezoek bij de ondernemer afleggen.

De inspecteur kan ook een waarneming ter plaatse houden. Dit doet de inspecteur om met eigen ogen vaststellen wat zich daadwerkelijk dagelijks in de onderneming afspeelt. Deze mogelijkheid kondigt de inspecteur van te voren niet aan en kan dus bestempeld worden als een ‘verrassingsbezoek’. Van deze mogelijkheid maakt de inspecteur in de praktijk bij horecagelegenheden veelvuldig gebruik.

Tot slot kan de inspecteur een zogenoemd derdenonderzoek houden. Dit derdenonderzoek kan zijn gericht op de belastingheffing van de ondernemer zelf of op de belastingheffing van een derde (bijvoorbeeld een leverancier of afnemer van de ondernemer). In deze laatste situatie zal de ondernemer worden geconfronteerd met het derdenonderzoek. In het eerste geval zal een derde, een afnemer of leverancier van de ondernemer, worden geconfronteerd met de controle van de inspecteur.

Bij al deze controles van de Belastingdienst heeft een ondernemer rechten en plichten. Het is belangrijk om die in het oog te houden, zodat niet vrijwillig informatie wordt verstrekt die later door de inspecteur tegen de ondernemer wordt gebruikt.

Verplichtingen

Startpunt voor de verplichtingen van een ondernemer zijn de aangifteverplichtingen in de artikelen 6 tot en met 10 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR). Dit worden ook wel de primaire verplichtingen genoemd. Bij een controle van de inspecteur zullen in de meeste gevallen niet deze primaire verplichtingen aan de orde komen, maar de bijkomende verplichtingen van de artikelen 47 tot en met 56 AWR. De meest bekende bijkomende verplichtingen zijn: de inlichtingenverplichting (artikel 47 AWR) en de administratie- en bewaarplicht (artikel 52 en 53 AWR).

Inlichtingenverplichting (artikel 47 AWR)

De inlichtingenverplichting houdt in dat de ondernemer vragen van de inspecteur die van belang zijn voor de belastingheffing moet beantwoorden. Dit lijkt een eenvoudige verplichting, maar de praktijk wijst uit dat het niet zo eenvoudig is als het lijkt. De inspecteur mag bijvoorbeeld alleen naar de feiten vragen en niet naar de mening van de ondernemer. De vraag ‘Is de handel in kleding de bron van inkomen geweest?’ mag de inspecteur niet stellen. De inspecteur vraagt dan aan de ondernemer om bepaalde feiten te kwalificeren (bron van inkomen). De vraag die wel mag worden gesteld, is ‘Heeft u kleding ingekocht en verkocht?’. Daarop zou dan de vervolgvraag kunnen komen: Zo ja, voor welke prijs heeft u de kleding ingekocht en verkocht?’ en ga zo maar door.

Een ander obstakel dat zich voor kan doen is de vraag hoe de ondernemer moet reageren als de vraag zowel relevant is voor de belastingheffing als voor het opleggen van een vergrijpboete. Dan roept iedere ondernemer natuurlijk al snel dat hij niet verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Maar kan en mag hij dat roepen? Helaas niet. Een zogenoemde ‘gemengde’ vraag moet door de ondernemer worden beantwoord. De enige restrictie die eraan kleeft, is dat de inspecteur het antwoord niet mag gebruiken voor de onderbouwing van de boete. Alleen bij vragen die zuiver betrekking hebben op het opleggen van een vergrijpboete mag de ondernemer een beroep doen op zijn zwijgrecht.

Ook moet de ondernemer op grond van artikel 47 AWR op verzoek van de inspecteur inzage verlenen in de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers. Deze verplichting biedt de inspecteur echter geen onbeperkt inzagerecht. Daarop ga ik bij de ‘rechten’ van de ondernemer nader in.

Administratie- en bewaarplicht (artikel 52 en 53 AWR)

De administratie- en bewaarplicht van de ondernemer zijn vastgelegd in artikel 52 AWR. Artikel 53 AWR bepaalt vervolgens dat de ondernemer op verzoek van de inspecteur inzage moet geven in zijn administratie ten behoeve van zijn eigen belastingheffing en/of die van een derde.

De administratieplicht zorgt ervoor dat de inspecteur op een eenvoudige wijze kan controleren of de ondernemer zijn rechten en verplichtingen voor de belastingheffing nakomt. Hoe de administratie moet worden vormgegeven en wat daarin moet worden opgenomen, is in de wet niet geregeld. Wat precies tot de administratie van een ondernemer hoort, is namelijk afhankelijk van de aard en de omvang van de onderneming. Tot de administratie kunnen onder andere behoren:

  • kasadministratie en kassabonnen ;
  • financiële aantekeningen, zoals het inkoop- en verkoopboek;
  • ontvangen facturen en kopie van verzonden facturen;
  • bankafschriften;
  • contracten, overeenkomsten en andere afspraken;
  • agenda’s en afsprakenboeken;
  • correspondentie.

De bewaarplicht houdt – kort gezegd – in dat de ondernemer de administratie gedurende 7 jaar moet bewaren. Voor gegevens over onroerende zaken (koopakte en factuur notaris) geldt zelfs een bewaartermijn van 9 jaar.

Rechten

Naast de hiervoor genoemde verplichtingen heeft een ondernemer ook een aantal rechten. Waar de verplichtingen duidelijk zijn uitgewerkt in de artikelen 47 tot en met 56 AWR, geldt dat de rechten van de ondernemer vooral in de jurisprudentie en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten worden teruggevonden.

Het belangrijkste recht dat bij een ieder snel naar voren zal komen, is het zwijgrecht. In fiscale controles kan een ondernemer daarvan maar sporadisch gebruik maken. Zoals hiervoor al is toegelicht, moet een ondernemer antwoord geven op vragen van de inspecteur. Alleen als die vragen zuiver zijn gericht op het opleggen van een vergrijpboete, kan de ondernemer een beroep doen op zijn zwijgrecht. De inspecteur zal de ondernemer voorafgaand aan een zuivere boetevraag ook de cautie moeten geven, zodat de ondernemer weet dat hij niet verplicht is te antwoorden.

Zoals hiervoor al is opgemerkt, is de inspecteur drukdoende met het beoordelen van de balanspost omzetbelasting van ondernemers. Voor dit onderzoek heeft de inspecteur een draaiboek opgesteld. Uit dit draaiboek volgt dat het onderzoek dat wordt gehouden bij de ondernemer naar de balanspost omzetbelasting eigenlijk alleen is gericht op het vaststellen van de verwijtbaarheid (de schuld) van de ondernemer. Ook wordt in het draaiboek opgemerkt dat afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek een vergrijpboete aan de ondernemer zal worden opgelegd. Hieruit kan afgeleid worden dat als de inspecteur tijdens de controle naar de balanspost omzetbelasting vragen stelt aan de ondernemer deze alleen zijn gericht op het (eventueel) opleggen van een vergrijpboete. Dit heeft tot gevolg dat de ondernemer tijdens deze controle een beroep op zijn zwijgrecht kan doen.

Een ander recht dat de ondernemer heeft, is eigenlijk een verbod dat de inspecteur heeft, namelijk het snuffelverbod en/of het verbod tot ‘fishing expeditions’. De inspecteur mag bijvoorbeeld niet eigenmachtig laden/kasten openen of de archiefruimte betreden op zoek naar fiscaal interessante stukken. De inspecteur zal de ondernemer specifiek naar een bepaald document moeten vragen. Ook mag de inspecteur niet zelf achter de computer van de ondernemer gaan zitten om op zoek te gaan naar fiscaal interessante stukken. De inspecteur mag daarentegen wel vragen om zijn computer te koppelen met de computer van de ondernemer om zo de overdracht van gegevens mogelijk te maken.

In de meeste gevallen zal de ondernemer gebruik maken van de diensten van een accountant, belastingadviseur, notaris en/of advocaat. Advocaten en notarissen hebben een wettelijk geregeld verschoningrecht (artikel 53a AWR). Heeft de ondernemer van een advocaat en/of een notaris (bij deze laatste gelden wel enkele restricties) correspondentie en/of adviezen ontvangen, dan mag de inspecteur daarin geen inzage vragen. Ook niet als de ondernemer deze correspondentie en/of adviezen in zijn administratie heeft opgenomen. Voor accountants en belastingadviseurs ligt de situatie anders. Zij hebben geen wettelijk geregeld verschoningsrecht. Toch geldt ook hier dat correspondentie en/of adviezen van de accountant of de belastingadviseur door de inspecteur niet ter inzage mogen worden gevraagd indien zij ten doel hebben de ondernemer te adviseren over zijn fiscale positie. Het fair play beginsel verhindert de inspecteur hierin inzage te vragen.

Het is voor een ondernemer belangrijk om deze rechten in ogenschouw te nemen. De inspecteur is tijdens een controle meestal als een ‘rupsje nooitgenoeg’ op zoek naar zoveel mogelijk informatie. Het verwijt dat de inspecteur een ondernemer (al) snel maakt is dat ondernemers op zoek gaan naar de mazen van de wet. Niets menselijks is een inspecteur echter vreemd. Ook de inspecteur wandelt met enige regelmaat op de scheidslijn tussen wat wel en niet gevraagd mag worden om zoveel mogelijk informatie te kunnen vergaren. Ben als ondernemer dus op uw hoede!

Conclusie

In het vorenstaande heb ik in vogelvlucht de verschillende controlemogelijkheden van de inspecteur van de Belastingdienst besproken. Daarbij is ook kort aandacht besteed aan de verplichtingen en de rechten die een ondernemer heeft tijdens zo’n controle. Het is belangrijk dat een ondernemer zich hiervan bewust is, zodat hij niet vrijwillig informatie verstrekt aan de inspecteur die later tegen hem kan worden gebruikt. Deze situatie kan zich met name voordoen als de inspecteur de balanspost omzetbelasting van de ondernemer komt controleren. Uit het draaiboek dat voor dergelijke controles is opgesteld, blijkt dat de enige reden voor het houden van het onderzoek is het vaststellen van de verwijtbaarheid van de ondernemer. Dit betekent dat de ondernemer een beroep op het zwijgrecht kan doen. Doet hij dat niet en verstrekt hij vrijwillig informatie aan de inspecteur, dan mag de inspecteur die informatie gebruiken voor het onderbouwen van de vergrijpboete. Wilt u meer lezen over dit onderwerp, dan verwijs ik u naar de handleiding controle Belastingdienst die u hier kunt raadplegen.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers

Staat de Hoge Raad voor rechtsbescherming of toch niet?

Per 1 juli 2011 is de informatiebeschikking opgenomen in artikel 52a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Doel hiervan is de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij onder andere een informatieverzoek van de inspecteur te verbeteren. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van dit artikel is uitdrukkelijk opgemerkt dat een inspecteur die verzaakt een informatiebeschikking af te geven in de aanslagregelende fase, dit niet kan herstellen in de bezwaarfase. De Hoge Raad heeft ‘lak’ aan deze parlementaire geschiedenis en biedt de ‘lakse’ inspecteur de helpende hand. De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur in deze situatie ook in de bezwaarfase nog een informatiebeschikking mag afgeven, tenzij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich daartegen verzetten.

Hamer wetboek

Verbetering rechtsbescherming door invoering informatiebeschikking

Tot 1 juli 2011 riskeerde de belastingplichtige die niet voldeed aan een informatieverzoek van de inspecteur over zijn eigen belastingplicht de omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze ‘sanctie’ volgde toen automatisch uit de wet. De vraag of het informatieverzoek van de inspecteur gerechtvaardigd was, kon de belastingplichtige niet aan de belastingrechter voorleggen. De enige mogelijkheid om een toetsing te krijgen was door de civiele rechter als restrechter in te schakelen.

Met de rechtsbescherming van informatieverzoeken van de inspecteur aan de belastingplichtige was dan ook het nodige mis. Voor Tweede Kamerleden Dezentjé Hamming-Bluemink en Crone in 2006 reden om een initiatiefwetsvoorstel ter verbetering van de rechtsbescherming in te dienen. Dat wetsvoorstel kon niet direct op veel enthousiasme vanuit de regering rekenen omdat de regering bang was dat de aanslagregeling door de inspecteur van de Belastingdienst bemoeilijkt zou worden. Reden voor Hamming en Crone om het wetsvoorstel aan te passen.

In het uiteindelijke wetsvoorstel en later ook in de wet (artikel 52a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen) zijn twee vormen van rechtsbescherming opgenomen, te weten:

  • de informatiebeschikking (eigen belastingplicht) en
  • de kostenvergoedingsbeschikking (belastingplicht van derden en administratieplicht).

Met name over de eerste vorm van rechtsbescherming, de informatiebeschikking, is in de lagere rechtspraak al het nodige te doen geweest. De Hoge Raad wordt pas recent geconfronteerd met rechtsvragen op dit gebied.

Rechtsvragen in het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015

Op vrijdag 2 oktober 2015, nr. 14/06080, ECLI:NL:HR:2015:2895 oordeelde de Hoge Raad over de twee rechtsvragen die samenhangen met de informatiebeschikking, te weten:

  1. Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven?
  2. Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven voor inlichtingen die al zijn gevraagd in de aanslagregelende fase?

De beantwoording van de tweede vraag door de Hoge Raad zorgt met name voor het optrekken van de wenkbrauwen. Daarover later meer.

Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven?

Als eerste de vraag of in de bezwaarfase een informatiebeschikking kan worden afgegeven. Het oordeel van de Hoge Raad is op dat punt vrij kort en bondig; dat kan. Uit de parlementaire geschiedenis leidt de Hoge Raad af dat het begrip ‘beschikking’ in artikel 52a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen nieuw is, maar dat geen wijziging is beoogd, zodat een uitspraak op bezwaar onder de kreet ‘beschikking’ valt.

Kan de inspecteur in de bezwaarfase een informatiebeschikking afgeven voor inlichtingen die al zijn gevraagd in de aanslagregelende fase?

Bij de tweede vraag trekt de Hoge Raad zich een stuk minder aan van hetgeen in de parlementaire geschiedenis is opgenomen. Of zou de Hoge Raad de Handelingen van de Eerste Kamer van 12 april 2011, EK 24-6-23 over het hoofd hebben gezien? In deze Handelingen wordt uitdrukkelijk ingegaan op de situatie waarin de inspecteur (onbewust) geen informatiebeschikking heeft genomen en daar later (mogelijk) op terug wil komen.

“Op de inspecteur rust het initiatief om zo’n beschikking te nemen, dat is de kern van het voorstel. Doet hij dat niet, om welke reden dan ook, dan is de zaak daarmee afgedaan. De belastingplichtige mag er dan van uitgaan dat er ofwel geen toereikende rechtsgrond bestond voor het verzoek, dat afdoende aan het verzoek tegemoet is gekomen of dat de inspecteur bij nader inzien de informatie toch niet echt nodig heeft. Het voorstel betekent dus wel dat de inspecteur attent moet zijn. Dat zijn inspecteurs doorgaans ook. Komt de inspecteur er later achter bijvoorbeeld bij de aanslagregeling of tijdens bezwaar tegen de aanslag, dat hij bepaalde informatie in retroperspectief toch nodig heeft, dan kan hij zich niet meer op het standpunt stellen dat de omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde zijn. Dit geldt ook na de fase van de aanslagregeling bijvoorbeeld als de inspecteur wil navorderen. Dat is terecht. Als de overheid gebruikmaakt van de bevoegdheid om verplichtingen aan burgers op te leggen, is het redelijk dat erop wordt toegezien dat de verplichtingen deugdelijk worden nagekomen. Laat de Belastingdienst het er zelf bij zitten, dan moet dat voor zijn rekening komen en moet dit niet de belastingplichtigen voor de voeten worden geworpen.”

Volgens de parlementaire geschiedenis is het antwoord op de tweede vraag dus helder; nee dat kan niet. De Hoge Raad ziet dat op de een of andere manier toch anders. De Hoge Raad oordeelt dat de tekst van de wet de inspecteur er niet toe noopt om direct als hij de schending constateert een informatiebeschikking af te geven. Ook overweegt de Hoge Raad dat de indieners van het wetsvoorstel de bevoegdheden van de inspecteur in de bezwaarfase niet hebben willen inperken. Conclusie van de Hoge Raad is dan ook; ja dat kan. De enige restrictie die hieraan door de Hoge Raad wordt verbonden is dat het niet in strijd mag komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Zou de Hoge Raad bij het komen tot dit oordeel het hiervoor aangehaalde belangrijke onderdeel van de parlementaire geschiedenis over het hoofd hebben gezien of hecht de Hoge Raad thans – omdat dat beter uitkomt? – minder belang aan de parlementaire geschiedenis dan bij het beantwoorden van de eerste vraag?

De eerste optie is een praktisch onmogelijke optie, omdat A-G IJzerman in r.o. 5.16 van de conclusie in de zaak met nr. 14/02811, ECLI:NL:PHR:2015:192 aan de opmerkingen in de parlementaire geschiedenis aandacht schenkt. Blijft dus over de tweede optie. Een dergelijke optie is de Hoge Raad niet vreemd. In het verleden heeft de Hoge Raad al eens eerder laten zien ‘lak’ te hebben aan de parlementaire geschiedenis.

Hoge Raad over vergrijpboete bij primitieve aanslag (artikel 67d AWR)

De situatie waarin de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis ook ter zijde schoof was in de zaak over de vraag of op grond van artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bij de primitieve aanslag terecht een vergrijpboete aan de belastingplichtige was opgelegd.

Op grond van artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen kan een vergrijpboete aan de belastingplichtige worden opgelegd indien hij opzettelijk de aangifte niet, onjuist of onvolledig heeft gedaan. Over de uitleg van het begrip ‘opzet’ bij de primitieve aanslag is in de parlementaire geschiedenis uitdrukkelijk gesproken. Ook dit keer in de Handelingen van de Eerste Kamer. De leden van de Eerste Kamer vreesden dat goedwillende burgers ten onrechte een vergrijpboete bij de primitieve aanslag opgelegd zouden krijgen. Om dit risico weg te nemen werd in de nota van wijziging (Kamerstukken II, 1996-1997, 24 800, nr. 5, pagina 5) opgemerkt dat de vergrijpboete uitsluitend zal worden opgelegd als sprake is van opzet, fraude of zwendel. Daarmee werd beoogd om de context en de situatie waarin het opleggen van een vergrijpboete bij de primitieve aanslag duidelijk en helder te schetsen. Omdat de terminologie ‘opzet, fraude of zwendel’ voor de leden van de Eerste Kamer nog niet duidelijk was, is dit in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken I, 1997-1998, 24 800, nr. 154b, pagina 1) nader toegelicht: van fraude en zwendel is met name sprake in geval van ‘listigheid, valsheid of samenspanning’.

De Hoge Raad had echter ‘lak’ aan deze parlementaire toelichting en oordeelde in het arrest van 22 juni 2007, nr. 42.013, ECLI:NL:HR:2007:BA7728, dat het begrip ‘opzet’ in artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het begrip ‘opzet’ in het fiscale boeterecht. Daarmee veegt de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis en het doel van de vergrijpboete van artikel 67d Algemene Wet inzake Rijksbelastingen met één veeg van tafel.

Strijd gestreden?

De informatiebeschikking is per 1 juli 2011 ingevoerd met als doel de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van de belastingplichtige te verbeteren en dus te versterken. Het oordeel van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 lijkt dat deels terug te draaien. De Hoge Raad biedt de lakse inspecteur immers de helpende hand door de inspecteur de gelegenheid te bieden om in de bezwaarfase alsnog een informatiebeschikking af te geven voor iets dat zich in de aanslagregelende fase heeft afgespeeld. Is daarmee de strijd van de belastingplichtige gestreden? Niet in alle gevallen zal de soep van de Hoge Raad zo heet worden gegeten.

De way out die de Hoge Raad de belastingplichtige biedt, is een beroep te doen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een van deze beginselen is bijvoorbeeld het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt door de rechter – bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden – alleen gehonoreerd als inlichtingen zijn gegeven of toezeggingen zijn gedaan door of namens de bevoegde inspecteur. Een beroep op dit vertrouwensbeginsel is dus nog niet zo eenvoudig als het lijkt. De Hoge Raad onderkent dat zelf ook al direct door in het arrest van 2 oktober 2015 te overwegen dat in deze zaak de inspecteur in de aanslagregelende fase inlichtingen heeft gevraagd, vervolgens de aanslag heeft vastgesteld zonder een informatiebeschikking af te geven en daarmee niet het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat geen informatiebeschikking komt. Daarvoor zijn, aldus de Hoge Raad, bijkomstige omstandigheden nodig. Zo’n bijkomstige omstandigheid zou kunnen zijn dat de inspecteur mededeelt dat niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting, maar dat hij die schending niet dermate ernstig acht dat hij een informatiebeschikking wil afgeven. Later kan de inspecteur daar dan niet op terugkomen.

Een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur waarop de belastingplichtige en beroep zou kunnen doen is het gelijkheidsbeginsel. De belastingplichtige zal dan aannemelijk moeten maken dat de inspecteur in vergelijkbare gevallen niet is overgegaan tot het afgeven van een informatiebeschikking. Voor de belastingplichtige een lastige bewijslast.

Tot slot zou de belastingplichtige een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel kunnen doen. Artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de inspecteur bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Een informatiebeschikking is ook een besluit in de zin van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de beoordeling of een informatiebeschikking moet worden vastgesteld zal de inspecteur nauwkeurig te werk moeten gaan. De beslissing om al dan niet tot het vaststellen van een informatiebeschikking te komen moet dus zorgvuldig worden genomen. Doet de inspecteur dit niet, dan kan hij het zorgvuldigheidsbeginsel hebben geschonden. Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1990/1991, 21 221, nr. 5, pagina 54) volgt dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel kan leiden tot de conclusie dat een genomen besluit onrechtmatig tot stand is gekomen en om die reden moet komen te vervallen.

Conclusie

De informatiebeschikking is ingevoerd om de rechtsbescherming en de rechtszekerheid van de belastingplichtige te verbeteren. Vraagt de inspecteur bijvoorbeeld om informatie en vindt hij dat de belastingplichtige die informatie niet of niet voldoende heeft verstrekt, dan moet de inspecteur daaraan direct consequenties verbinden. Die consequentie zal dan zijn dat de inspecteur een informatiebeschikking afgeeft. De belastingplichtige kan daartegen bezwaar maken en een onafhankelijke derde de rechtmatigheid van het informatieverzoek en de reactie daarop laten beoordelen.

Handelt de inspecteur niet adequaat in die zin dat hij in deze fase geen informatiebeschikking afgaf, dan werd algemeen aangenomen – gelet op de parlementaire geschiedenis – dat de inspecteur zijn rechten daarmee had verspeeld. De Hoge Raad reikt deze ‘lakse’ inspecteur in het arrest van 2 oktober jl. ten onrechte de helpende hand toe door aan te geven dat ook in de latere bezwaarfase de inspecteur de informatiebeschikking nog mag afgeven. De belastingplichtige staat door dit oordeel van de Hoge Raad in feite met 1-0 achter. Daarmee lijkt de Hoge Raad dus niet voor de rechtsbescherming van de belastingplichtige te staan, maar eerder voor die van de inspecteur. De belastingplichtige kan de wedstrijd nog in zijn voordeel keren door een beroep te doen op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld dat het uitreiken van een informatiebeschikking in de bezwaarfase kan afstuiten op schending van deze beginselen.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers

Vermindering van de verzuimboete: hoe te bereiken?

Inleiding

Jaarlijks ontvangen miljoenen Nederlanders van de Belastingdienst het verzoek om aangifte te doen voor de inkomstenbelasting. Deze aangifte moet binnen een door de inspecteur gestelde termijn (meestal 1 april) worden ingediend. Een belastingplichtige kan vragen om uitstel.

Komt de aangifte niet op tijd binnen, dan stuurt de inspecteur een aanmaning. Reageert de belastingplichtige dan nog niet of te laat, dan kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Die verzuimboete kan aardig in de papieren lopen. Heeft u of uw klant een verzuimboete gekregen, lees dan hier – onder welke voorwaarden – die boete aanzienlijk kan worden verminderd.

Aangifteverplichting

Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geldt dat een belastingplichtige door de inspecteur wordt uitgenodigd voor het doen van aangifte. De belastingplichtige is vervolgens verplicht (artikel 8 AWR) hierop te reageren. De termijn daarvoor bedraagt tenminste één maand. In de praktijk betekent dit dat de aangifte inkomstenbelasting voor 1 april moet zijn ingediend. Dit jaar werden belastingplichtigen meer tijd gegund, namelijk tot 1 mei. Een aangifte vennootschapsbelasting moet in de regel voor 1 juni zijn ingediend. Een belastingplichtige en/of zijn belastingadviseur kan de inspecteur vragen om uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte inkomstenbelasting en/of vennootschapsbelasting (artikel 10 AWR).

Heeft de inspecteur de aangifte niet voor afloop van de termijn ontvangen, dan stuurt hij de belastingplichtige een aanmaning (artikel 9 AWR). In die aanmaning geeft de inspecteur de belastingplichtige een aanvullende termijn voor het indienen van de aangifte. Levert de belastingplichtige het aangiftebiljet dan alsnog niet of niet op tijd in, dan kan hij een boete van de inspecteur krijgen. Die boete kan een verzuimboete of een vergrijpboete zijn.

Een verzuimboete wordt opgelegd als niet of niet op tijd aangifte wordt gedaan. Wordt opzettelijk geen aangifte gedaan, dan kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen. In deze blog wordt de verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte nader bekeken.

Verzuimboete

Wordt de aangifte niet of niet op tijd ingediend dan kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Om dat te kunnen doen, moet de inspecteur, zoals hiervoor al is aangegeven, de belastingplichtige eerst hebben aangemaand om tot het indienen van de aangifte over te gaan. Legt de belastingplichtige die aanmaning ook naast zich neer, dan is hij in verzuim.

Artikel 67a AWR bepaalt dat de verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte maximaal € 5.278 bedraagt. De verdere eisen die zijn verbonden aan het opleggen van een verzuimboete, zijn uitgewerkt in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).

Paragraaf 21 BBBB regelt dat de inspecteur een verzuimboete van 7% van het maximum, dus € 369,46 oplegt als de belastingplichtige de aangifte inkomstenbelasting niet of niet tijdig heeft ingediend. Gaat het om een vennootschap die de aangifte vennootschapsbelasting niet of niet tijdig heeft ingediend, dan bedraagt de verzuimboete 50% van het maximum, ofwel € 2.639.

Afwezigheid van alle schuld

De inspecteur kan en mag geen verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen schuldverwijt kan worden gemaakt (paragraaf 4 BBBB). Komt de inspecteur daar pas in de bezwaarfase achter, dan vernietigt hij de opgelegde verzuimboete. Redenatie daarachter is dat als de belastingplichtige geen schuld kan worden verweten, hij ook niet in verzuim is geweest. Wanneer treft de belastingplichtige geen blaam? Wie moet dat bewijzen?

De bewijslast, in de zin van aannemelijk maken, dat sprake is van ‘afwezigheid van alle schuld’ rust op de belastingplichtige. Hij moet de feiten en omstandigheden naar voren brengen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij alle, in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid, te vergen zorg heeft betracht om ervoor te zorgen dat de aangifte tijdig werd ingediend (HR 15 juni 2007, nr. 42687, ECLI:NL:HR:2007:BA7184).

Uit de jurisprudentie volgt dat deze bewijslast voor een belastingplichtige lastig is te tackelen. In de meerderheid van de zaken wordt een beroep van de belastingplichtige op ‘afwezigheid van alle schuld’ door de belastingrechter afgewezen.

Een voorbeeld waarin het beroep wel is toegewezen betrof een belastingplichtige die tijdens zijn ziekbed er niet aan had gedacht dat aangifte moest worden gedaan. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de belastingplichtige geen verwijt kon worden gemaakt van het te laat indienen van de aangifte. Dit oordeel zag zowel op de omstandigheid dat de belastingplichtige niet aan het indienen van de aangifte had gedacht als op de omstandigheid dat hij voorafgaand aan zijn ziekbed niet voor ‘vervanging’ had gezorgd. Bij dit laatste was van belang dat de belastingplichtige in feite was overvallen door de hernia, de operaties die hij daarvoor moest ondergaan en de duur van zijn ziekbed.

Een ander voorbeeld waarin een beroep op afwezigheid van schuld slaagde is de vennootschap die een adviseur had ingeschakeld voor het tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting. Die adviseur had, aan de hand van een nieuw softwarepakket, aan de inspecteur verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte. Daarbij bleek, achteraf, dat een onjuist fiscaal nummer was gebruikt. Na ontvangst van de herinnering (voorheen werd eerst een herinnering gestuurd) en de aanmaning heeft de vennootschap contact opgenomen met zijn adviseur. Die adviseur heeft op zijn beurt gebeld met de belastingtelefoon. De medewerker van de belastingtelefoon deelde daarop de adviseur mee dat zij zonder tegenbericht ervan mocht uitgaan dat de aanmaning ten onrechte was verzonden. Desalniettemin werd bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting een verzuimboete opgelegd. Daartegen maakt de vennootschap bezwaar. De rechtbank en het gerechtshof zijn van oordeel dat de vennootschap er, gelet op de antwoorden van zijn adviseur, vanuit mocht gaan dat de herinnering en de aanmaning ten onrechte waren verzonden. Doordat de vennootschap doortastend heeft gereageerd op de ontvangst van de herinnering en de aanmaning zijn de rechtbank en het gerechtshof van oordeel dat de vennootschap voldaan heeft aan de in redelijkheid van hem te verlangen zorg. De vennootschap hoefde, aldus de rechtbank en het gerechtshof, niet zo ver te gaan dat hij de uitlatingen van zijn adviseur controleerde. De verzuimboete werd vernietigd.

Het opleggen van een verzuimboete moet maatwerk zijn

De toets dat sprake is van ‘afwezigheid van alle schuld’ is streng. In de praktijk is dan ook te zien dat belastingplichtigen met grote regelmaat hierop vergeefs een beroep doen. Desalniettemin moet het opleggen van een verzuimboete maatwerk zijn. Het BBBB geeft de inspecteur enige vrijheid bij het vaststellen van de hoogte van de verzuimboete. Die vrijheid kan in het voordeel maar ook in het nadeel van de belastingplichtige uitpakken.

Verzuimt een belastingplichtige keer op keer (stelselmatig) om tijdig de aangifte in te dienen, dan kan de inspecteur de verzuimboete verhogen tot het maximum van € 5.278 (paragraaf 21, lid 6, BBBB). Deze verhoging is voor de inkomstenbelasting forser dan voor de vennootschapsbelasting omdat de startpunten voor beide belastingen anders liggen.

De belastingplichtige die door de inspecteur is aangemaand om alsnog de aangifte in te dienen, kan: tijdig reageren of niet (tijdig) reageren. Dient de belastingplichtige buiten de aanvullende termijn de aangifte in, maar voordat de inspecteur de aanslag vaststelt of uitspraak op bezwaar doet, dan vermindert de inspecteur de verzuimboete (paragraaf 21, lid 8, BBBB). De belastingplichtige krijgt dan een verzuimboete voor de inkomstenbelasting van 1% van het maximum (€ 52,78) en voor de vennootschapsbelasting van 5% van het maximum (€ 263,90).

Werkafspraken

Inmiddels is gebleken dat door de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën andere afspraken zijn gemaakt dan in het BBBB zijn vastgelegd. Deze werkafspraken zijn in eerste instantie niet bekend gemaakt. Om deze bekenmaking af te dwingen is, met succes, een WOB-verzoek ingediend. Dit WOB-verzoek zorgt ervoor dat de overheid, in dit geval de Belastingdienst, de werkafspraken omtrent de vermindering van verzuimboeten bekend moet maken. Daartoe is de Belastingdienst ook overgegaan.

Deze werkafspraken zien op de situatie dat een belastingplichtige niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting en/of de vennootschapsbelasting.

Heeft de belastingplichtige de aangifte niet ingediend en ontvangt hij vervolgens een ambtshalve aanslag, dan kan hij daar op twee manieren op reageren. In de eerste plaats kan hij bezwaar maken tegen deze ambtshalve aanslag. Dat bezwaarschrift wordt dan door de inspecteur in behandeling genomen. De tweede mogelijkheid is dat de belastingplichtige alsnog het aangiftebiljet indient. Die handeling zal door de inspecteur ook als ‘bezwaar maken’ worden aangemerkt.

In de eerste situatie (bezwaar maken) zal de inspecteur de belastingplichtige vragen om alsnog de aangifte in te vullen en in te dienen. Daarvoor krijgt de belastingplichtige zes weken de tijd. Voldoet de belastingplichtige aan dit verzoek, dan gaat de inspecteur ervan uit dat de belastingplichtige zijn aangiftegedrag (in de toekomst) verbetert. De opgelegde verzuimboete bij de aangifte inkomstenbelasting (in principe € 369,46) wordt dan verminderd tot € 49. Gaat het om een vennootschapsbelastingkwestie dan wordt de verzuimboete (in principe € 2.639) verminderd tot € 246.

In de tweede situatie (alsnog indienen van de aangifte) wordt de verzuimboete direct gematigd tot € 49 (inkomstenbelasting) en € 246 (vennootschapsbelasting).

Daarmee lijkt een belastingplichtige die pas in de bezwaarfase de aangifte indient, gunstiger te worden behandeld dan de belastingplichtige die voordat de ambtshalve aanslag wordt vastgesteld, alsnog (weliswaar te laat) aangifte doet. In paragraaf 21, lid 8, BBBB is immers bepaald dat in die situatie een verzuimboete van 1%, ofwel € 52,78 (inkomstenbelasting) of 5%, ofwel € 263,90 (vennootschapsbelasting) wordt opgelegd.

Om deze ongelijke behandeling tegen te gaan, is in de werkafspraken opgenomen dat ook in deze situatie de verzuimboete wordt gematigd tot € 49 (inkomstenbelasting) en € 246 (vennootschapsbelasting). Het systeem van de Belastingdienst zou dit automatisch moeten verwerken.

Door alsnog aangifte inkomstenbelasting en/of vennootschapsbelasting te doen kan een belastingplichtige de opgelegde verzuimboete aanzienlijk verminderen. Een ‘kleine’ moeite met een groot financieel voordeel dus.

Conclusie

Een belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte moet die aangifte tijdig indienen. Doet de belastingplichtige dat niet, dan ontvangt hij een aanmaning om alsnog de aangifte te doen. Geeft de belastingplichtige ook dan niet thuis, dan kan de inspecteur een verzuimboete opleggen. Die verzuimboete bedraagt in de hoofdregel € 369,46 (inkomstenbelasting) of € 2.639 (vennootschapsbelasting).

Indien de belastingplichtige geen verwijt kan worden gemaakt van het niet (tijdig) doen van de aangifte, dan kan geen verzuimboete worden opgelegd of moet de opgelegde verzuimboete worden vernietigd. De bewijslast van deze ‘afwezigheid van alle schuld’ is lastig. Dat maakt de zaak voor de belastingplichtige echter niet hopeloos. Op een vrij eenvoudige manier kan namelijk de verzuimboete aanzienlijk worden gematigd. Hoe dan? Door het alsnog indienen van het aangiftebiljet. De inspecteur gaat er dan vanuit dat de belastingplichtige zijn aangiftegedrag heeft verbeterd en als beloning daarvoor wordt de verzuimboete verminderd tot € 49 (inkomstenbelasting) of € 246 (vennootschapsbelasting).

De Edelweissroute met rupsje nooitgenoeg…een rupsje dat altijd honger heeft

De Edelweissroute

Eind 2010 was politiek Den Haag in de ban van de Edelweissroute. Met deze route zou gebruik worden gemaakt van het beroepsgeheim van notarissen om de erfenis van ongeregistreerde bezittingen of bezittingen die vallen onder een bankgeheim buiten de erfbelasting (toen nog successierechten geheten) te houden. Om van deze route gebruik te kunnen maken wijst een belastingplichtige tijdens zijn leven een executeur-testamentair aan. Deze executeur-testamentair woont veelal in het buitenland en is bereid bepaalde handelingen te verrichten. Die handelingen bestaan erin dat hij bij het doen van de aangifte voor de erfbelasting geen melding maakt van de ongeregistreerde bezittingen en/of bezittingen die vallen onder het bankgeheim én vervolgens 12 jaar lang deze bezittingen buiten het zicht houdt. Na ommekomst van de 12 jaar neemt de executeur-testamentair contact op met de erfgenamen om de bezittingen alsnog af te geven.

De periode van 12 jaar is bewust gekozen. In artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat de termijn waarover navorderingsaanslagen kunnen worden vastgesteld, 12 jaar is. Na ommekomst van deze jaren kon de Nederlandse Belastingdienst geen erfbelasting (successierechten) meer heffen. Een doorn in het oog van de Nederlandse Staat. Voor dit ‘probleem’ moest snel een oplossing worden gevonden.

Artikel 66, lid 3, Successiewet 1956

Om de Edelweissroute te elimineren is per 1 januari 2012 onder andere de Successiewet veranderd. Vanaf dat moment is bepaald dat de navorderingstermijn voor erfbelasting over buitenlands vermogen komt te vervallen en een dergelijke belastingclaim dus niet meer verjaard. Voorheen was de navorderingstermijn 12 jaar.

Bij de invoering van deze nieuwe regelgeving is geen overgangsrecht bepaald. Fiscaal bezien kan dan gezegd worden dat een bepaling directe werking heeft. Dit heeft tot gevolg dat nalatenschappen waarvan de 12-jaarsperiode nog niet was verstreken, niet meer kunnen verjaren. Deze verruiming is voor de inspecteur echter nog niet genoeg.

De inspecteur zoekt naar mogelijkheden om de bepaling van artikel 66, lid 3, Successiewet 1956 nog verder op te rekken en denkt die gevonden te hebben in zijn standpunt dat ook bij nalatenschappen waar de periode van 12 jaren al is verstreken, de mogelijkheid tot navordering herleeft. Dit standpunt van de inspecteur zorgt ervoor dat ook een nalatenschap van bijvoorbeeld 25 jaar geleden waar een Edelweissroute in zat, opnieuw in de belastingheffing kan worden betrokken. De inspecteur is in feite van mening dat door de nieuwe wetsbepaling alle navorderingstermijnen herleven en onbeperkt worden.

Parlementaire geschiedenis

De invoering van artikel 66, lid 3, Successiewet 1956 zorgt ervoor dat de belastingheffing over (buitenlands) vermogen in nalatenschappen niet meer verjaart. Hierbij is geen overgangsrecht bepaald. In de parlementaire geschiedenis zijn wel aanknopingspunten te vinden voor het beantwoorden van de vraag of het standpunt van de inspecteur (herleven ‘verjaarde nalatenschappen’) houdbaar is.

In de toelichting bij het amendement van Bashir en Braakhuis[1] is opgemerkt:

Daarnaast wordt de navorderingstermijn onbeperkt indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel onderworpen aan de erfbelasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. (…) De indieners beogen hiermee (…) de zogenaamde Edelweiss constructie onmogelijk te maken. Dit amendement zorgt er namelijk voor dat ook het uitzweten van de verjaringstermijn niet meer mogelijk is. Bovendien kunnen nalatenschappen waarbij in de afgelopen twaalf jaar gebruik is gemaakt van de Edelweissroute, of geprobeerd is gebruik te maken van deze route ter ontwijking van de erfbelasting hiermee alsnog onder de belastingplicht worden gebracht.

In de nota naar aanleiding van het verslag[2] wordt ook op deze kwestie ingegaan. Daarbij worden de vragen van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat (EPN) beantwoord:

Voorts vraagt de EPN of de bevoegdheid tot navordering over buitenlandse vermogensbestanddelen ook gaat gelden voor nalatenschappen die vóór 1 januari 2012 zijn opengevallen. Die vraag kan bevestigend worden beantwoord. De intentie daartoe blijkt uit de toelichting op het aangenomen amendement van de leden Bashir en Braakhuis, waarmee genoemde bevoegdheid in de AWR is opgenomen. In die toelichting maken deze leden melding van het feit dat met de onbeperkte navorderingsbevoegdheid ook nalatenschappen waarbij in de afgelopen twaalf jaar gebruik is gemaakt van de Edelweissroute, of geprobeerd is gebruik te maken van deze route ter ontwijking van de erfbelasting alsnog onder de belastingplicht wordt gebracht.

Verder is tijdens de behandeling in de Eerste Kamer deze kwestie ook aan de orde gesteld. In de Memorie van Antwoord[3] is opgemerkt:

De onbeperkte navorderingstermijn voor de erfbelasting geldt indien de aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen niet, onjuist of onvolledig is gedaan. (…) Gezien de voorgeschiedenis van de introductie van de onbeperkte navorderingstermijn in de erfbelasting stelt het kabinet zich terughoudend op rondom vragen over de vormgeving en de houdbaarheid. In zijn algemeenheid kan het kabinet wel zeggen dat artikel 16, vierde lid, van de AWR in het algemeen voor de buitenlandse bestanddelen afwijkende, langere navorderingstermijn kent. Deze langere navorderingstermijn hangt samen met de beperkte controlemogelijkheden van de Belastingdienst in het buitenland en is niet in strijd met Europees recht. Daarnaast wijst het kabinet erop dat de erfbelasting een tijdstipbelasting is en de inkomstenbelasting een tijdvakbelasting. Dit betekent dat het onder de huidige wetgeving na verloop van twaalf jaar definitief onmogelijk is om de erfbelasting na te vorderen, terwijl bij de inkomstenbelasting nog altijd over de afgelopen twaalf jaar geheven kan worden.

Uit deze parlementaire geschiedenis volgen niet direct aanknopingspunten dat een onbeperkte terugwerkende kracht de bedoeling van de wetgever was.

Rechtszekerheidsbeginsel

In Nederland kennen we het rechtszekerheidsbeginsel. Dit beginsel valt in twee delen uiteen: het formele rechtszekerheidsbeginsel en het materiële rechtszekerheidsbeginsel. Het formele rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de regels waaraan de burgers zijn gebonden kenbaar, duidelijk en ondubbelzinnig moeten zijn. Dit geldt ook voor de gevolgen die aan de regels zijn verbonden. Het materiële rechtszekerheidsbeginsel zorgt voor een verbod op terugwerkende kracht van voor de burger ongunstige regels en de eerbiedigende werking van bestaande regels.

In het standpunt van de inspecteur zouden ‘verjaarde nalatenschappen’ weer kunnen herleven. Dit is om twee redenen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In de eerste plaats bestaat bij de erfgenamen de gerechtvaardigde verwachting dat een navorderingstermijn die is verjaard, niet met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd. In de tweede plaats geldt ook dat in deze situatie dat de erfgenaam erop mag vertrouwen dat als de heffingsbevoegdheid van de inspecteur is verjaard, deze niet kan herleven.

In het hiervoor aangehaalde voorbeeld is de nalatenschap 25 jaar geleden opengevallen ofwel in het jaar 1990. Na 12 jaar, ofwel in het jaar 2002, is de heffingsbevoegdheid voor deze nalatenschap verjaard. De inspecteur tracht deze verjaring nu ongedaan te maken en de erfgenaam alsnog te bestraffen. Dat is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Legaliteitsbeginsel

Op grond van artikel 104 Grondwet worden belastingen van het Rijk geheven uit kracht van een wet. Dit betekent ook dat het legaliteitsbeginsel een gegeven is. Dit beginsel houdt namelijk in dat een belastingplichtige alleen kan worden gehouden aan een wetsbepaling als die al bestond op het moment dat die persoon datgene doet waarop die wet betrekking heeft.

Ook dit beginsel wordt geschonden als het standpunt van de inspecteur wordt gevolgd. Immers in het hiervoor aangehaalde voorbeeld was in 1990 en in 2002 bestond de onbeperkte termijn voor navordering nog niet.

Rechtbank Noord-Holland 18 juni 2015

Ondanks deze kanttekeningen meent de inspecteur van de Belastingdienst dat er voldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt dat voor alle nalatenschappen (dus ook de ‘verjaarde’) een onbeperkte termijn voor navordering geldt. Deze kwestie is recent voorgelegd aan de rechtbank Noord-Holland. Op 18 juni 2015 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in een procedure over de Edelweissroute.

De erflater in deze zaak was op 21 september 1981 overleden. De aangifte successierecht is op 9 juli 1982 ingediend. In die aangifte is geen melding gemaakt van buitenlands vermogen. Op 30 december 2011 hebben de erfgenamen aan de Belastingdienst medegedeeld dat erflater ten tijde van zijn overlijden beschikte over buitenlands vermogen (Zwitserland) en dat de erfgenamen dit middels vererving hebben gekregen.

Het gaat in deze zaak dus om een nalatenschap van 18 jaar (!) geleden. De inspecteur is van mening dat hij in deze zaak de bevoegdheid heeft om een navorderingsaanslag vast te stellen. De erfgenamen daarentegen zijn van mening dat de inspecteur die bevoegdheid niet meer heeft omdat de 12-jaarstermijn is verstreken en de wetswijziging niet zorgt voor een herleving van de termijn.

De rechtbank deelt de visie van de inspecteur gelukkig niet. Aan de hand van de parlementaire geschiedenis en de letterlijke tekst van de wet oordeelt de rechtbank dat de navorderingsbevoegdheid niet herleeft. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslag dan ook. De uitspraak is van 18 juni 2015 zodat de inspecteur nog de mogelijkheid heeft om hoger beroep in te stellen. De termijn daarvoor bedraagt immers 6 weken.

Conclusie

Per 1 januari 2012 is de wetgeving op het gebied van de erfbelasting aangepast om de Edelweiss-route tegen te gaan. De inspecteur tracht die wetswijziging zodanig op te rekken dat ook ‘verjaarde nalatenschappen’ weer herleven. Daarbij kan de inspecteur dus met recht een ‘rupsjenooitgenoeg’ worden genoemd. Immers toont de inspecteur zich hier een ‘rupsje’ dat altijd honger heeft naar het innen van nog meer belastingen. Waarbij de inspecteur het niet schuwt om de grenzen van de wet op te zoeken om deze honger te stillen.

Heeft u of uw cliënt te maken met een Edelweiss-route? Dan kan het zijn dat dit fiscaal tot complicaties leidt omdat de inspecteur meer wil hebben dan waarop hij wettelijk bezien recht heeft. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact met ons opnemen.

[1] Kamerstukken II 2010/2011, 32 505, nr. 27.

[2] Kamerstukken II 2011/2012, 33 004, nr. 5, pagina 32.

[3] Kamerstukken I 2011/2012, 33 003, nr. D, pagina 29-30.

Strenge grenzen voor de omvang van het verdedigingsbeginsel

In 2008 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 18 december 2008, nr. C-349/07, Sopropé) het verdedigingsbeginsel op de kaart gezet. Dit beginsel houdt – kort gezegd – in dat de belastingplichtige voorafgaand aan het vaststellen van een bezwarend besluit (bijvoorbeeld een belastingaanslag) moet worden gehoord. Dat bezwarende besluit moet de belastingplichtige wel aanmerkelijk raken in zijn belang. Over de vragen op welke belastingmiddelen het verdedigingsbeginsel betrekking heeft, wanneer het verdedigingsbeginsel is geschonden en wat de gevolgen van die schending zijn, bestaat de nodige discussie.

Toepassing verdedigingsbeginsel op belastingmiddelen

Dat de toepassing van het verdedigingsbeginsel ingeroepen kan worden in douanezaken staat als een paal boven water. Immers heeft het Hof van Justitie in de Sopropé-zaak, een douanezaak, geoordeeld dat het verdedigingsbeginsel in acht moet worden genomen. Voor andere belastingmiddelen geldt dat steeds meer wordt uitgekristalliseerd of een rechtstreeks beroep hierop kan worden gedaan. In de conclusies van 30 maart 2015[1] gaat A-G Van Hilten in op de vraag of het verdedigingsbeginsel kan worden ingeroepen in procedures over de omzetbelasting, alsmede in procedures waarin een (rechts)persoon aansprakelijk is gesteld voor de omzetbelastingschuld van een derde.

Omzetbelasting

Om tot beantwoording van deze vraag te komen, stelt A-G Van Hilten (30 maart 2015, nr. 14/04046, ECLI:NL:PHR:2015:362) vast dat het verdedigingsbeginsel een grondbeginsel van het Europese Unierecht is. Dat recht is van toepassing op situaties die door de Europese Unie worden beheerst. Om toepassing te kunnen geven aan het Unierecht moet de Nederlandse omzetbelasting dus worden beheerst door het Unierecht. Uit artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting (hierna: Wet OB) volgt – kort gezegd – dat een belasting wordt geheven ter zake van (i) leveringen van goederen en diensten door een ondernemer, (ii) intracommunautaire verwervingen door een ondernemer (iii) intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen en (iv) invoer van goederen. Bij de totstandkoming en invoering van de Wet OB is opgemerkt dat deze wet een direct uitvloeisel is van twee Europese btw-richtlijnen. Dit heeft tot gevolg dat de Wet OB uitvoering geeft aan Europese richtlijnen en dus sprake is van het uitvoering geven aan het Unierecht. Bij de heffing van omzetbelasting moeten dus de (ongeschreven) beginselen van Unierecht, waaronder dus het verdedigingsbeginsel, in acht worden genomen.

Aansprakelijkstelling omzetbelasting

Als een onderneming de omzetbelasting niet afdraagt, kan een derde – bijvoorbeeld de bestuurder van de vennootschap – daarvoor aansprakelijk worden gesteld. A-G Van Hilten is in een andere conclusie van 30 maart 2015 (nr. 13/01940, ECLI:NL:PHR:2015:363) ingegaan op de vraag of bij een beschikking aansprakelijkstelling wegens onbetaald gebleven omzetbelasting ook een beroep kan worden gedaan op het verdedigingsbeginsel. Daarbij stelt de A-G vast dat ook bij een beschikking aansprakelijkstelling voor een omzetbelastingschuld sprake is van het uitvoering geven aan het recht van de Europese Unie zodat een beroep op het verdedigingsbeginsel mogelijk is.

Andere belastingmiddelen (IB, VPB, etc.)

Het is echter de vraag of voor de toepassing van het verdedigingsbeginsel een dergelijke specifieke afbakening naar het uitvoering geven van het recht van de Europese Unie nodig is. Het verdedigingsbeginsel zorgt ervoor dat een belastingplichtige naar voren kan brengen dat en waarom het voornemen van de inspecteur om het bezwarende besluit vast te stellen, niet moet worden uitgevoerd. De uitkomst van het horen kan divers zijn. Zo kan de inspecteur besluiten het vaststellen van het bezwarende besluit achterwege te laten of (aanzienlijk) lager vast te stellen. Het horen leidt er dus toe dat de belastingaanslag (meer) in overeenstemming met de feiten en omstandigheden wordt vastgesteld. Iets dat in elke procedure zou moeten gelden. Dit pleit er dan ook voor dat het verdedigingsbeginsel niet alleen een algemeen beginsel van behoorlijk proces in het Europese recht is, maar ook in het Nederlandse recht. Door dit als uitgangspunt te nemen zou het verdedigingsbeginsel op elk belastingmiddel van toepassing moeten zijn.

Wanneer is het verdedigingsbeginsel geschonden?

Als de belastingplichtige niet is gehoord voorafgaand aan het vaststellen van het bezwarende besluit, zou direct vastgesteld kunnen worden dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. Dat was ook de tendens die in de fiscale jurisprudentie in eerste instantie waarneembaar was. In de conclusie van A-G Van Hilten wordt dit – vermoedelijk onder druk van het arrest Kamino[2] – genuanceerd. A-G Van Hilten beoordeelt eerst of er wellicht een rechtvaardiging bestaat om de belastingplichtige niet eerst te horen. Als die rechtvaardiging bestaat, dan is het verdedigingsbeginsel niet geschonden.

De vraag wat nu precies een rechtvaardiging zou kunnen zijn, is nog niet uitgekristalliseerd. A-G Van Hilten merkt in haar conclusies op dat een snelle inning van belastingschulden een rechtvaardiging kan zijn om een belastingplichtige niet vooraf te horen. Opmerkelijk daarbij is dat in de procedure over de beschikking aansprakelijkstelling de ontvanger van de Belastingdienst 1,5 jaar heeft stilgezeten nadat het faillissement was uitgesproken. Pas na 1,5 jaar is de ontvanger tot de aansprakelijkstelling overgegaan. Van een snelle invordering kan dan niet meer worden gesproken, waardoor dit ook niet als rechtvaardiging kan dienen voor de schending.

Daarnaast is het de vraag of de snelle invordering van een belastingschuld als rechtvaardiging ook past binnen de kaders van het Europese Hof van Justitie. Het Hof heeft weliswaar benadrukt dat het verdedigingsbeginsel geen absolute gelding heeft, en dat het beginsel onder voorwaarden beperkingen kan bevatten. Een situatie waarin het niet horen door het Hof[3] gerechtvaardigd wordt geacht, is wanneer een belastingplichtige niet is gehoord voordat het bezwarende besluit werd vastgesteld, maar in de bezwaarfase alsnog wordt gehoord en de werking van het besluit bovendien automatisch wordt opgeschort.

De door het Hof voorgestane automatische opschorting van de werking van het besluit en de door de A-G als rechtvaardiging genoemde snelle invordering lijken niet bij elkaar te passen. Het Hof lijkt een soort ‘pas op de plaats’ van de inspecteur en de ontvanger te eisen voor de aanwezigheid van een rechtvaardiging, terwijl de A-G daarentegen het ‘doordenderen’ van zowel de inspecteur als de ontvanger een rechtvaardiging lijkt te vinden.

Reikwijdte gevolgen schending verdedigingsbeginsel

Als vastgesteld is dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, moet vervolgens bepaald worden wat de gevolgen zijn die aan deze schending moeten worden verbonden. Ook bij de gevolgen verbonden aan de schending is een tendens ten nadele van de belastingplichtige waarneembaar. Rechtbank Den Haag[4] oordeelde in het verleden dat een schending direct leidt tot vernietiging van het betreffende besluit, zoals bijvoorbeeld de belastingaanslag. Op die jurisprudentie zijn de belastingrechters terug gekomen. Belastingrechters maken thans een belangenafweging en beoordelen daarbij of de belastingplichtige in zijn belangen is geschaad doordat hij niet voorafgaand aan het nemen van het besluit is gehoord. Zijn de belangen geschaad, dan leidt dit tot vernietiging van het besluit. Is de belastingplichtige niet geschaad in zijn belangen, dan stelt de belastingrechter vast dat het verdedigingsbeginsel is geschaad, maar dat daaraan geen rechtsgevolgen worden verbonden. Deze belangenafweging past ook binnen de kaders die het Europese Hof van Justitie heeft gegeven in het arrest Kamino. In dat arrest overwoog het Hof dat een schending van het verdedigingsrecht pas tot nietigverklaring van het besluit (de belastingaanslag) leidt als de procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Wat het Hof met ‘een andere afloop’ precies op het oog heeft, is nog niet duidelijk. Dit zal verder uitgewerkt moeten worden in de nationale jurisprudentie of in een nieuwe procedure voor het Europese Hof.

Verdedigingsbeginsel en fraude

Belastingrechters vragen zich kennelijk ook af of een belastingplichtige die wordt verdacht van het plegen van belastingfraude of daarvoor is veroordeeld wel aanspraak kan maken op toepassing van het verdedigingsbeginsel. Gerechtshof Den Haag[5] oordeelde dat een belastingplichtige die zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige omzetbelastingfraude geen beroep kan doen op het verdedigingsbeginsel. Dit oordeel van het gerechtshof lijkt ingegeven door de wijze waarop wordt omgegaan met (vermeende) fraudeurs en hun recht op aftrek van voorbelasting[6]. Indien een afnemer wist of behoorde te weten van een btw-carrouselfraude dan mag de aftrek van voorbelasting bij deze afnemer worden geweigerd.

A-G Van Hilten[7] concludeert terecht dat het oordeel van de belastingrechter dat een (vermeende) fraudeur geen aanspraak kan maken op toepassing van het verdedigingsbeginsel, ten enenmale onjuist is. Ook een (vermeende) fraudeur kan en moet aanspraak kunnen maken op de algemene beginselen van een behoorlijk proces. Het verdedigingsbeginsel is daar onderdeel van, zodat ook op dat beginsel een beroep kan worden gedaan.

Conclusie

Door het Europese Hof van Justitie werd het verdedigingsbeginsel op de kaart gezet als een formeel verweer waarop een aanslag kon worden vernietigd. Die uitwerking lijkt het beginsel meer en meer te verliezen. Waar de schending in eerste instantie tot directe vernietiging van de aanslag leidde, is daar thans ‘meer’ voor nodig. Zo moet er geen rechtvaardiging zijn voor het voorbij gaan aan het horen, moet de belastingplichtige zijn geschaad in zijn belangen en moet de procedure een andere uitkomst hebben gehad als de belastingplichtige wel eerst was gehoord.

[1] Conclusie A-G Van Hilten van 30 maart 2015, nr. 13/01940, ECLI:NL:PHR:2015:363 en conclusie A-G Van Hilten van 30 maart 2015, nr. 14/04046, ECLI:NL:PHR:2015:362

[2] Hof van Justitie Europese Unie 3 juli 2014, gevoegde zaken nr. C-129/13 en C-130/13 (Kamino).

[3] Hof van Justitie Europese Unie 26 september 2013, nr. C-418/11 (Texdata).

[4] Zie bijvoorbeeld rechtbank Den Haag 25 juli 2011, nrs. AWB 08/6449 OB en AWB 08/6450 OB, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2076.

[5] Gerechtshof Den Haag 27 juni 2014, nrs. BK-11/00118, 00119 en 00135, ECLI:NL:GHDHA:2014:2325.

[6] Zie voor een uitgebreide toelichting op de jurisprudentie het artikel ‘De aftrek van btw ‘staat’ niet meer rotsvast in BTW-Bulletin 2015/16’ en voor een toelichting op de begrippen wist of behoorde te weten het artikel ‘Wist of had moeten weten dat btw niet is betaald in BTW-Bulletin 2014/62 onder de kop ‘publicaties’ op de website van Jaeger Advocaten-belastingkundigen.

[7] A-G Van Hilten, 30 mei 2015, nr. 14/04046, ECLI:NL:PHR:2015:362.

Recht van verdachte op toegang tot advocaat

“You have the right to remain silent. Should you waive that right, anything you say can be held against you in a court of law. You have the right to speak to an attorney. If you cannot afford an attorney, one will be appointed for you. Do you understand these rights as they have been read to you?”

Dit citaat is de Mirandawaarschuwing (cautie) zoals die in de Verenigde Staten moet worden gegeven aan een verdachte. Tot op heden kennen wij in Nederland een dergelijke omvangrijke cautie niet. Voorafgaand aan een verhoor moest de politie een verdachte wel een cautie geven, maar die hield/houdt niet meer in dan dat de verdachte geattendeerd wordt op zijn zwijgrecht. Het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures[1] laat een nieuw beeld zien. De cautie in Nederland zal daardoor moeten worden uitgebreid. Indien het aan de Minister ligt, zal de daadwerkelijke invulling ervan echter beperkt blijven.

Richtlijn 

De Richtlijn nr. 2013/48/EU bepaalt dat alle verdachten van misdrijven het recht op toegang tot een advocaat hebben. Daarbij is uitdrukkelijk opgemerkt dat dit recht bestaat ongeacht de vraag of de verdachte is aangehouden. Daarnaast legt de Richtlijn vast dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de advocaat ook bij het verhoor van de verdachte toegelaten wordt en een actieve rol kan vervullen.

Deze Richtlijn moet door de lidstaten in de wetgeving worden geïmplementeerd. Nederland is daar thans druk doende mee. Daarom heeft de Minister daartoe een wetsvoorstel, voorzien van een memorie van toelichting, ingediend bij de Tweede Kamer. Zoals uit het navolgende blijkt, valt op dat wetsvoorstel nog het nodige af te dingen.

Recht op een advocaat voorafgaand en tijdens het (politie)verhoor 

De Richtlijn bepaalt dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat de verdachte

  1. voorafgaand aan het verhoor een advocaat kan raadplegen,
  2. de verdachte tijdens het verhoor bijstand van zijn advocaat geniet,
  3. de advocaat mag deelnemen aan het verhoor en
  4. de advocaat een aantal onderzoekshandelingen mag bijwonen.

In de wandelgangen worden deze rechten van de verdachte het ‘consultatierecht’ genoemd.

De opsporingsambtenaren moeten, volgens de Richtlijn, de verdachte verder actief wijzen op deze rechten. Dit betekent dat opsporingsambtenaren er niet meer mee weg komen als zij verdachten alleen wijzen op het zwijgrecht. Zoals hiervoor aangegeven moet de huidige ‘cautie’ steeds meer gaan lijken op de ‘Mirandawaarschuwing’.

Sinds het Europese Hof van Justitie in de zaak Salduz uitdrukkelijk heeft bepaald dat verdachten in de Europese lidstaten een consultatierecht hebben, heeft de Minister er alles aan gedaan om dat consultatierecht van de verdachte zo beperkt mogelijk uit te leggen. Die tendens is ook in het wetsvoorstel dat die Richtlijn moet implementeren, waarneembaar hoewel de Minister wel nog opmerkt dat naarmate het gaat om verdenking van een ernstiger strafbaar feit, het van meer belang is dat de verdachte over rechtsbijstand kan beschikken.

In het wetsvoorstel wordt ook een duidelijk onderscheid gemaakt in zaken waarin een verdachte altijd van consultatiebijstand moet worden voorzien en wanneer niet. Als het gaat om een ‘kwetsbare verdachte’ of een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld, dan meldt de hulpofficier van justitie actief aan de Raad voor rechtsbijstand dat de verdachte is aangehouden zodat wordt gezorgd voor bijstand van een advocaat. In alle andere gevallen kan de hulpofficier van justitie volstaan met een lijdelijke houding en kan volgens de Minister de uitvoering van de Richtlijn beperkt blijven tot het de verdachte de mogelijkheid bieden om telefonisch contact op te nemen met een advocaat. In dat geval moet het initiatief om zich te voorzien van professionele rechtsbijstand door een advocaat dus van de verdachte zelf komen. Heeft elke verdachte wel een naam en een telefoonnummer van een advocaat op zak? Is dat niet het geval, wordt de verdachte dan geholpen aan een naam en telefoonnummer? Krijgt de verdachte daarbij een keuzemogelijkheid of moet hij zich schikken in het ‘lot’ en krijgt hij bijvoorbeeld slechts één naam en telefoonnummer van de hulpofficier van justitie of krijgt hij ‘recht op één telefoontje’? Het wetsvoorstel geeft hierop geen antwoord.

De minimale uitleg van de Richtlijn door de Minister uit zich ook in de spreektijd. De verdachte mag voorafgaand aan het verhoor 30 minuten met de raadsman spreken. Die 30 minuten is kort, helemaal als het gaat om een verdachte die de Nederlandse taal niet machtig is of als een zaak omvangrijk of juridisch complex is. Binnen het tijdsbestek van 30 minuten moet de verdachte zijn verhaal kunnen doen tegen de raadsman, moet de raadsman de verdachte uitleggen wat de rechtspositie van de verdachte is en moet in overleg met de verdachte een strategie worden bepaald. Er moeten dus veel knopen worden doorgehakt in (te) korte tijd. In de memorie van toelichting wordt weliswaar opgemerkt dat over en weer redelijk dient te worden gehandeld. Maar zeker in zaken waarin opsporingsambtenaren voorzien dat (uitgebreide) consultatie het verloop van het onderzoek negatief kan beïnvloeden, zal hiervan weinig terechtkomen. Relevant hierbij is dat het opsporingsapparaat in het advies naar aanleiding van het concept wetsvoorstel opmerkt dat ondersteund wordt dat de verdachte aanvullende rechten krijgt, maar dat dit vooral niet ten koste van het onderzoek mag gaan.

Ook tijdens het verhoor legt de Minister het consultatierecht te beperkt uit. Bepaalt de Richtlijn dat de raadsman een actieve rol mag vervullen, het wetsvoorstel geeft slechts ruimte voor een veel meer lijdelijke rol. Een verdachte en/of zijn raadsman mogen het verhoor slechts één keer onderbreken voor het plegen van overleg, de raadsman mag alleen voor aanvang en na afloop van het verhoor opmerkingen maken en vragen stellen en tijdens het verhoor zou de raadsman de verhorende ambtenaar er alleen op mogen attenderen dat de verdachte een gestelde vraag niet begrijpt of dat het pressieverbod wordt overtreden.

De bevoegdheden die aan de raadsman worden toegekend, zijn dermate minimaal dat deze niet passen binnen de Richtlijn. De NOVA/NVSA heeft een Protocol raadsman bij politieverhoor opgesteld dat veel meer recht doet aan de consultatierechten van de verdachte. Voor deze belangen heeft de Minister tot op heden nog (te) weinig oog gehad. De Minister neigt (ten onrechte) naar het standpunt van de politie die een terughoudende rol van de raadsman bepleit.

Recht op bijstand van een advocaat betekent niet recht op gefinancierde bijstand

Een andere belangrijke kanttekening die gemaakt moet worden bij het huidige wetsvoorstel, is de visie van de Minister dat het recht op bijstand van een advocaat niet zo ver reikt dat de verdachte voorafgaand en tijdens het (politie)verhoor recht heeft op gefinancierde bijstand.

Niettemin is de Minister bereid gebleken om tot een bijstelling van de vergoedingen voor rechtsbijstand te komen. Ook in dit kader maakt de Minister een onderscheid tussen de verschillende aangehouden verdachten. Voor verdenkingen van (i) een misdrijf waarop een gevangenisstraf van 12 jaar of meer staat, (ii) een misdrijf met een overleden slachtoffer of zwaar lichamelijk letsel en (iii) een zedenmisdrijf met een gevangenisstraf van 8 jaar of meer of strafverzwaringsgronden stelt de Minister voor een vergoeding op basis van 2 punten toe te kennen. In alle andere gevallen van een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, wordt uitgegaan van één punt. Eén punt heeft een waarde van € 105,61. Deze vergoeding staat in geen enkele verhouding tot de omvang van de werkzaamheden van de raadsman. In de eerste drie dagen vinden normaliter meerdere verhoren plaats. Stel dat de verdachte per dag 6,5 uur wordt verhoord, dan betekent dit dat de raadsman in de eerste drie dagen 19,5 uur zal besteden aan het bijwonen van het verhoor. Daarnaast heeft de verdachte recht op 30 minuten spreektijd met de raadsman voorafgaand aan het eerste verhoor. In totaal besteedt de raadsman dan 20 uur aan de consultatiebijstand. Hiervoor krijgt de raadsman een vergoeding van € 105,61, ofwel een vergoeding per uur € 5,28. Daarmee zorgt de overheid ervoor dat de raadsman een vergoeding per uur verkrijgt die ruim onder het minimumuurloon (€ 8,66) ligt. Dat kan en mag toch niet de bedoeling zijn van een overheid die zelf het minimumloon heeft vastgesteld en erop hamert dat dit wordt nageleefd.

De Staat kent geen gefinancierde rechtsbijstand toe in de situaties van een niet aangehouden verdachte of de verdenking van een misdrijf waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegestaan. De verdachte zal in deze zaken zelf moeten zorgen voor de betaling van zijn raadsman. Voor verdachten van wie de draagkracht beperkt is, kan uiteraard geprobeerd worden een ‘toevoeging’ aan te vragen. Weinig advocaten zullen echter zonder zekerheidstelling het risico van het uiteindelijk niet toewijzen van de toevoeging willen lopen. Heeft een verdachte een beperkte draagkracht dan zal het praktisch onmogelijk zijn om zekerheid te verstrekken. Het consultatierecht dreigt hierdoor in Nederland in veel gevallen een wassen neus te worden.

Al met al valt er dus nog het nodige af te dingen op het wetsvoorstel van de Minister. Voorkomen moet worden dat de door de Minister voorgestelde minimumregels de norm worden. Hierbij dan ook de oproep aan de Tweede Kamer om de rechtsbescherming van de verdachte daadwerkelijk hoog in het vaandel te dragen en de Minister op te dragen het wetsvoorstel zo aan te passen dat de positie van de verdachte ook echt wordt versterkt. Daarbij is het belangrijk dat de Tweede Kamer ook de positie van de raadsman verbetert in die zin dat hij een adequate vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden en niet wordt gedwongen te werken onder het minimumuurloon.

Mocht u in de positie komen te verkeren dat u als verdachte wordt gehoord, dan is het belangrijk dat u zich van deskundige rechtsbijstand voorziet door een raadsman die zich niet laat beïnvloeden door de beperkte uitleg die de Nederlandse overheid (en opsporingsambtenaren) aan de verplichtingen uit de Richtlijn geeft. De advocaten van Jaeger Advocaten-belastingkundigen verschaffen rechtsbijstand aan verdachten.


[1] Wetsvoorstel ‘Implementatie van richtlijn nr. 2013/48/EU van het Europese parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PbEU L294).

Geen recht op vooraftrek of toepassing nultarief bij btw-fraude

In de btw-wetgeving geldt het uitgangspunt dat de ene ondernemer (de leverancier) de btw afdraagt en de andere ondernemer (de afnemer) de btw in aftrek kan brengen als voorbelasting. Tussen de afdracht en de aftrek kan licht zitten in die zin dat de Belastingdienst de vooraftrek wel verleent, maar van de andere ondernemer de afdracht niet ontvangt.

Fraude?

Als deze ruimte het gevolg is van btw-fraude, komt het Europese Hof van Justitie de Belastingdienst tegemoet. Het Hof oordeelde in de zaak Kittel (6 juli 2006, nr. C-439/04 en C-440/04) dat als de ondernemer (afnemer) wist of behoorde te weten dat de btw niet is afgedragen (door de leverancier) de ondernemer geen recht op vooraftrek heeft. Dit oordeel van het Hof geldt ook voor de vraag of het nultarief van toepassing is.

“Wist of behoorde te weten”

Het Hof heeft zich in de zaak Kittel niet uitgelaten over de termen ‘wist of behoorde te weten’. Gelet op de gekozen woorden gaat het in ieder geval om de wetenschap die de ondernemer (afnemer) heeft. Het begrip ‘wist’ is daarbij het makkelijkst uit te leggen. Hiervan is sprake als de ondernemer (afnemer) zelf echt geweten heeft van de fraude. In elke andere situatie zal beoordeeld moeten worden of de ondernemer (afnemer) behoorde te weten van de fraude. Daarbij is van belang of de ondernemer (afnemer) als een oplettende ondernemer heeft gehandeld en voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Deze zorgvuldigheid brengt mee dat de ondernemer (afnemer) alles moet doen wat redelijkerwijs van hem verlangd kan worden om ervoor te zorgen dat zijn activiteiten geen onderdeel vormen van een fraudeketen. Voldoet de ondernemer (afnemer) aan deze eisen dan kan hij ook bij btw-fraude in zijn keten aanspraak maken op het recht op vooraftrek of de toepassing van het nultarief. Dat een ondernemer (afnemer) behoorde te weten van de fraude mag dus niet (te) snel worden aangenomen.

Toepassing in Nederlandse zaken

Het criterium ‘wist of behoorde te weten’ is niet opgenomen in de Nederlandse Wet op de omzetbelasting. Er bestond dan ook discussie over de vraag of dit criterium wel rechtstreeks in Nederlandse zaken kon worden toegepast. Die discussie is voor de Hoge Raad aanleiding geweest om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof. Op 18 december 2014 heeft het Hof deze vragen beantwoord (18 december 2014, nr. C-131/13, C-163/13 en C-164/13). Deze zaken zijn bekend onder de naam ‘Italmoda’.

Het oordeel van het Hof in deze zaak laat zien dat het Hof ver wil gaan om fraude in de btw te voorkomen. Het Hof oordeelt dat Nederland het recht op vooraftrek of de toepassing van het nultarief kan weigeren indien de afnemer wist of behoorde te weten van de btw-fraude. Dit weigeringsrecht heeft Nederland zelfs als de Wet op de omzetbelasting die mogelijkheid niet biedt. Opmerkelijk is ook dat het Hof oordeelt dat het recht op vooraftrek geweigerd mag worden zelfs als de fraude niet in Nederland plaatsvond, maar in een andere lidstaat.

Goede bijstand belangrijk

Het is voor iedere ondernemer (afnemer) dan ook zaak dat hij ervoor zorgt dat hij niet in een keten met btw-fraude terecht komt. Mocht hij daarin onverhoopt wel verzeild zijn geraakt, dan is het zaak dat hij zich goed laat bijstaan om ervoor te zorgen dat hij alsnog zijn recht op vooraftrek of de toepassing van het nultarief kan effectueren. In zijn verdediging is het namelijk van belang dat de bewijslast dat de ondernemer (afnemer) wist of behoorde te weten van de fraude, op de inspecteur rust. De inspecteur zal aannemelijk moeten maken dat de ondernemer (afnemer) deze wetenschap had op het moment van de transactie. De inspecteur zal daarbij ook gebruik moeten maken van objectieve gegevens. Een bewijslast die voor de inspecteur in de meeste gevallen niet eenvoudig is. Hoe kan de inspecteur immers het bewijs leveren van de wetenschap van een ondernemer (afnemer) ten tijde van de transactie? In de praktijk wil de inspecteur deze bewijslast graag bij de ondernemer (afnemer) leggen.

Komt de ondernemer (afnemer) in aanraking met een btw-fraude in zijn keten dan is het zaak om alle kansen en risico’s goed in kaart te brengen. Een fiscaal advocaat heeft alle kennis in huis om de ondernemer (afnemer) daarin bij te staan.

1 januari 2015: nieuwe btw-regels voor de plaats van e-commerce diensten

Vanaf 1 januari 2015 treden nieuwe btw-regels voor de plaats van dienst voor e-commerce diensten in werking. Deze regels zorgen voor aanvullende eisen waaraan (ook) een Nederlandse ondernemer moet voldoen. Tot en met 31 december 2014 is de plaats van de belastingheffing voor e-commerce diensten gelegen in het land waar de leverancier is gevestigd. Vanaf 1 januari 2015 wijzigt dit in de plaats waar de afnemer is gevestigd. Een ondernemer zal derhalve bij elke dienst moeten beoordelen wat de vestigings- dan wel woonplaats van zijn afnemer is. Ook moet de ondernemer vaststellen of zijn afnemer een andere ondernemer of een particulier is. Deze beoordeling is relevant voor de situatie waarin de btw-regels niet juist zijn nageleefd. Draagt een afnemende ondernemer namelijk de btw niet af, dan kan de leverende ondernemer daarvoor aansprakelijk worden gesteld.

Dat voortaan de vestigingsplaats van de afnemer doorslaggevend is, betekent dat de Nederlandse ondernemer voor elke afzonderlijke dienst moet bepalen waar zijn afnemer woont of gevestigd is. In de wet- en regelgeving (artikelen 10 tot en met 13 Uitvoeringsverordening 282/2011) zijn hiervoor wel enkele aanknopingspunten en vermoedens gegeven. Van belang is echter dat uit deze punten en vermoedens een zekere onderzoeksplicht voor de Nederlandse ondernemer volgt. De Nederlandse ondernemer moet namelijk de vestigingsplaats of de woonplaats van de afnemer beoordelen aan de hand van de beschikbare informatie. Die beschikbare informatie wordt vervolgens weer uitgelegd als alle informatie waarover de ondernemer beschikt of had moeten beschikken. Wat onder ‘had moeten beschikken’ moet worden verstaan, is vervolgens in het midden gelaten. In de jurisprudentie zal dit verder uitgewerkt moeten worden.

Doordat de vestigingsplaats of de woonplaats van de afnemer geldt als plaats van dienst, bestaat de kans dat een Nederlandse ondernemer in verschillende landen afnemers heeft. Vanwege de nieuwe btw-regelgeving zou de Nederlandse ondernemer zich in elk land afzonderlijk als btw-ondernemer moeten melden bij de Belastingdienst. Omdat dit op te lossen treedt op 1 januari 2015 ook het mini-one-stop-system (MOSS) in werking. Dit systeem houdt in dat de Nederlandse ondernemer de btw voor de e-commerce diensten aan buitenlandse afnemers via een webportaal in Nederland kan aangeven. De Nederlandse Belastingdienst zorgt er vervolgens voor dat de gegevens naar de betreffende landen, waar de afnemers zijn gevestigd, worden doorgezonden. Het is voor een Nederlandse ondernemer niet verplicht om de aangiften via MOSS te laten lopen. De ondernemer kan er ook voor kiezen om zich in elk afzonderlijk land als btw-ondernemer te laten identificeren en aldaar aangifte voor de btw te doen.

Kiest een Nederlandse ondernemer ervoor om gebruik te maken van MOSS dan is er een aantal regels waaraan de ondernemer zich moet houden. In de eerste plaats moet de Nederlandse ondernemer uiterlijk 20 dagen na het verstrijken van het tijdvak de aangifte via MOSS indienen. Praktisch betekent dit dat op 20 april, 20 juli, 20 oktober en 20 januari aangifte in MOSS moet zijn gedaan. Ook moet de Nederlandse ondernemer dan direct de verschuldigde btw betalen. Komt de Nederlandse ondernemer deze eisen niet na, dan zal hij een eerste aanmaning (voor het doen van aangifte of voor het doen van de betaling of voor beiden) ontvangen van de Nederlandse Belastingdienst. De overige aanmaningen worden door het land waarin de afnemer is gevestigd, verzonden. De Nederlandse ondernemer kan dus geconfronteerd worden met correspondentie van buitenlandse belastingdiensten.

Een Nederlandse ondernemer dient daarnaast zijn administratie ‘MOSS-proof’ in te richten. Dit houdt in dat de ondernemer onder andere informatie moet vastleggen over: (i) de lidstaat van het verbruik van de dienst, (ii) het soort dienst, (iii) de datum waarop de dienst is verricht, (iv) de btw die over de dienst is verschuldigd, (v) de gegevens over eventuele vooruitbetalingen, (vi) gegevens over de vestigingsplaats van de afnemer en (vii) gegevens over de woonplaats van de afnemer of zijn gebruikelijke verblijfplaats. Deze gegevens moet de Nederlandse ondernemer gedurende 10 jaar na afloop van het jaar waarin de dienst is verricht, bewaren. Voor deze gegevens geldt dus een langere bewaartermijn dan de Nederlandse ondernemer gewend is (namelijk 8 jaar).

Of de Nederlandse ondernemer aan deze administratieve eisen uit MOSS voldoet, kan gecontroleerd worden door de Nederlandse Belastingdienst. Daarbij zal de Nederlandse Belastingdienst de bevoegdheden hanteren die zij op grond van de Awb en AWR heeft. Kort gezegd betekent dit dat de Nederlandse Belastingdienst de administratie kan komen controleren door bijvoorbeeld een boekenonderzoek te houden. Ook kan de Nederlandse Belastingdienst vragen stellen aan de Nederlandse ondernemer. De controle van MOSS verschilt derhalve niet van een reguliere controle in Nederland.

Van belang is dan ook dat de Nederlandse ondernemer zich realiseert dat hij voor de tijdvakken vanaf 1 januari 2015 twee aangiften voor de btw moet doen, te weten één aangifte volgens de normale Nederlandse btw-wetgeving en één aangifte via MOSS.

Voor de Nederlandse ondernemer die e-commerce diensten verricht verandert er nogal wat op 1 januari 2015. De nieuwe regels maken het voor de Nederlandse ondernemer niet makkelijker. Hoewel MOSS ervoor zorgt dat de Nederlandse ondernemer zich niet in alle landen waarin een afnemer is gevestigd, hoeft te melden, zorgt dit systeem ook voor een lastenverzwaring. De Nederlandse ondernemer moet zijn administratie niet alleen langer bewaren, maar ook inrichten volgens MOSS. Daarnaast kan de Nederlandse ondernemer niet langer volstaan met één aangifte, maar moet hij er voortaan twee indienen. Van belang is ook dat de ondernemer moet vaststellen wat de vestigingsplaats of de woonplaats van zijn afnemer is.

Daarvoor zijn in de wet- en regelgeving wel enkele aanknopingspunten en vermoedens gegeven, maar die bieden de ondernemer geen afdoende zekerheid. De verwachting is dan ook dat de ondernemer geconfronteerd gaat worden met (belasting)onderzoeken om de juistheid van zijn beslissingen (vestigingsplaats, woonplaats, ondernemer/particulier, etc.) te controleren. Het is van belang dat de ondernemer zich tijdens zo’n controle direct door een deskundige laat bijstaan, zodat eventuele conflicten snel tot een goed einde kunnen worden gebracht.

Extreme verhogingen griffierechten van de baan

Wie er met de belastingdienst niet uit komt, kan in veel gevallen naar de rechter. Die mogelijkheid beschermt de burger tegen onjuiste belastingaanslagen. Door het recente voornemen van de Minister van Veiligheid en Justitie om de griffierechten fors te verhogen, kwam dat recht in gevaar. Gelukkig is de Minister, na aandringen door zowel rechtspraak als advocatuur, op dat voornemen teruggekomen.

Een geschil met de inspecteur van de Belastingdienst heeft een redelijk vast verloop. Kort gezegd beoordeelt de inspecteur in eerste instantie de aangifte. Indien hij de aangifte niet wil volgen, stuurt hij een brief dat hij van die aangifte gaat afwijken en vraagt de belastingplichtige te reageren. Blijft de inspecteur bij zijn standpunt, dan stelt hij uiteindelijk de aanslag met correcties vast.

Tegen die aanslag kan binnen zes weken bezwaar worden gemaakt bij de inspecteur. De inspecteur moet vervolgens in principe binnen zes weken op het bezwaar beslissen. Deze termijn kan de inspecteur eenzijdig met zes weken verlengen. Langer uitstel is alleen mogelijk als de belastingplichtige daarmee instemt. Ook kan een termijn verlengd worden in het geval de inspecteur een informatiebeschikking neemt. Neemt de inspecteur vervolgens een negatieve uitspraak op bezwaar, dan kan de belastingplichtige daartegen beroep instellen bij de belastingkamer van de rechtbank.

Om het geschil aan de rechter voor te kunnen leggen, moet een belastingplichtige griffierechten betalen. Dit zijn kosten voor het opstarten van de gerechtelijke procedure. Worden de griffierechten niet betaald, dan kijkt de belastingrechter inhoudelijk niet naar de zaak.

De hoogte van de griffierechten in fiscale zaken hangt af van de soort zaak en de vraag of een burger of een bedrijf de procedure opstart. Daarnaast is de hoogte afhankelijk van de instantie waarvoor wordt geprocedeerd. Een burger die beroep instelt voor een procedure over de inkomstenbelasting is in 2014 bij de rechtbank een griffierecht verschuldigd van € 45. Wordt hij door de rechtbank in het ongelijk gesteld en zoekt hij zijn heil bij de belastingkamer van het gerechtshof, dan is de burger aldaar € 122 aan griffierechten verschuldigd. Daarnaast is voor een aantal belastingmiddelen, bijvoorbeeld omzetbelasting, een hoger tarief aan griffierechten verschuldigd. Stelt een burger beroep in tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting dan is hij bijvoorbeeld € 165 aan griffierechten verschuldigd bij de rechtbank en € 246 bij het gerechtshof. Voor een bedrijf gelden andere tarieven, namelijk € 328 aan griffierechten bij de rechtbank en € 493 bij het gerechtshof.

Op 17 september 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel ingediend met als doel de hoogte van de griffierechten aan te passen. Daarbij stond de Minister extreme verhogingen van de griffierechten voor ogen. In plaats van € 45 (voor een procedure over de inkomstenbelasting) wilde de Minister een burger € 77 aan griffierechten laten betalen. Dit is een stijging van 75%. Ook de kosten voor een hoger beroepsprocedure stegen aanzienlijk, namelijk van € 122 naar € 189. Naast het verhogen voor de griffierechten in fiscale zaken wilde de Minister ook de griffierechten voor civiele zaken (zaken van burgers onderling) flink verhogen.

Dit voorstel van de Minister stuitte op veel weerstand. Begin 2014 liet bijvoorbeeld de Raad voor de rechtspraak weten dat het verhogen van de griffierechten in ieder geval zou leiden tot een flinke daling van het aantal handelszaken. Ook vanuit de advocatuur (Orde van Advocaten) kwamen grote protesten. Door de verhoging van de griffierechten komt de toegang tot de rechter immers onder druk te staan. Een burger moet zich kunnen verweren tegen bijvoorbeeld onjuiste belastingaanslagen van de inspecteur. Indien de griffierechten dermate hoog worden dat het niet voor een ieder mogelijk is om deze kosten te betalen, kan dit ervoor zorgen dat de burger niet in beroep komt.

De Minister heeft inmiddels alle commentaren ter harte genomen en ziet af van de extreme verhogingen. De verhogingen die de Minister thans voorstelt, zijn te overzien. Een burger die in beroep komt tegen een aanslag inkomstenbelasting moet, vanaf 1 januari 2015 vermoedelijk € 46 aan griffierechten gaan betalen. Dit is € 1 meer dan in 2014. Krijgt hij geen gelijk van de rechtbank en gaat hij naar het gerechtshof toe, dan is hij € 160 kwijt. Komt hij in beroep en eventueel hoger beroep voor een naheffingsaanslag omzetbelasting dan is hij € 170 (rechtbank) en € 285 (gerechtshof) aan griffierechten verschuldigd. Indien een bedrijf een fiscale procedure wil starten dan is het bedrijf vanaf 1 januari 2015 vermoedelijk € 338 (rechtbank) en € 507 (gerechtshof) aan griffierechten verschuldigd.

De Minister is hiermee tijdig tot ‘inkeer’ gekomen. Door de extreme verhogingen terug te draaien, is de toegang tot de rechter voor iedere burger en voor ieder bedrijf weer veilig gesteld.

Tegemoetkoming proceskosten in belastingzaken verschraald

In een procedure tegen de Belastingdienst is het mogelijk om een tegemoetkoming in de proceskosten te krijgen. Voor de hoogte van deze tegemoetkoming zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht afspraken vastgelegd. Dat besluit wordt per 1 januari 2015 aangepast, hetgeen een achteruitgang in de rechtsbescherming van de belastingplichtige inhoudt.

De hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend door middel van een puntensysteem. Voor het voeren van een bezwaarprocedure geldt nu bijvoorbeeld nog een tarief van € 243 (per 1 januari 2014) per punt en voor een beroepsprocedure een tarief van € 487 (per 1 januari 2014) per punt. Met het toekennen van punten is het Besluit niet scheutig. In een bezwaarprocedure worden bijvoorbeeld alleen punten toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift (1 punt), het verschijnen bij het hoorgesprek (1 punt) en het verschijnen bij een eventueel nader hoorgesprek (0,5 punt). Een inzage in het dossier van de inspecteur en na afloop daarvan een aanvullende motivering indienen levert dus geen punten op en dus ook geen vergoeding.

In de beroepsfase worden wel voor de meeste te zetten processtappen punten toegekend. Die punten zijn echter minimaal. Bijvoorbeeld 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en maar 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek. Deze tarieven en punten gelden zowel voor procedures over de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting als voor de WOZ (waardering van onroerend goed).

De hoogte van de toe te kennen tegemoetkomingen dekt bij lange na niet de daadwerkelijke kosten van een belastingplichtige. In plaats van daaraan aandacht te schenken, gaat het Ministerie van Veiligheid en Justitie totaal andere kant op.

Het is het Ministerie een doorn in het oog dat in procedures over de WOZ forse proceskostenvergoedingen worden toegekend. Dit heeft de Minister ertoe aangezet om medio 2013 op internet een consultatiedocument te plaatsen. Dit document had als doel een nieuw Besluit proceskostenvergoeding in WOZ-zaken in het leven te roepen. Basis voor het opstellen van dit document was het verlagen van de proceskostenvergoedingen in WOZ-zaken. Kennelijk waren deze zaken te lucratief voor de adviespartijen die zich daar mee bezighielden.

Op dit document heeft het Ministerie de nodige reacties ontvangen. Dit heeft voor een koerswijziging binnen het Ministerie gezorgd. In plaats van het voortzetten/uitvaardigen van het aparte besluit voor WOZ-zaken bleek recent dat er geen aparte regeling meer komt voor WOZ-zaken, maar dat het Besluit proceskosten bestuursrecht per 1 januari 2015 wordt aangepast.

Die aanpassing voorziet in een nieuwe terminologie voor het begrip ‘samenhangende zaken’. Tot 1 januari 2015 is doorslaggevend de vraag of de bezwaar- c.q. beroepschriften gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend bij de Belastingdienst of de rechtbank en dat daarin inhoudelijk eenzelfde motivering is opgenomen. Het nieuwe criterium is dat de inspecteur of de rechtbank de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt.

Dit nieuwe criterium zorgt ervoor dat veel sneller sprake is van samenhangende zaken. Als een belastingplichtige bijvoorbeeld een procedure heeft over de hoogte van de winst uit onderneming (box I) in een bepaald jaar en daarnaast een procedure over de hoogte van zijn vermogen (box III) in een ander jaar, dan was er onder de oude tekst geen sprake van samenhangende zaken. Onder de nieuwe tekst is dit wel het geval als de rechtbank of de inspecteur de bezwaren/beroepen gelijktijdig behandelt. De onderwerpen zijn echter dermate verschillend dat de rechtsbijstandverlener voor de ene procedure niet kan putten uit gegevens/informatie/etc. uit de andere procedure.

Dit betekent dus een aanzienlijke achteruitgang in de rechtsbescherming van de belastingplichtige. De belastingplichtige moet zich immers op een gedegen wijze kunnen verdedigen tegen onjuiste correcties van de inspecteur. Die mogelijkheid heeft hij weliswaar nog steeds, maar de kosten daarvoor komen meer en meer voor zijn eigen rekening.

Ook nu blijkt dus weer dat het Ministerie via een omweg de ‘goede’ en ‘kwade’ belastingplichtigen over één kam scheert. Belastingplichtigen in de sfeer van inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting of de omzetbelasting werden niet ‘verdacht’ van lucratieve handel in proceskostenvergoedingen, maar moeten nu wel op de blaren zitten. 

Een uitnodiging aan ons om als professionele rechtsbijstandverlener (nog) vaker een beroep te doen op het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding!