1 januari 2015: nieuwe btw-regels voor de plaats van e-commerce diensten

Vanaf 1 januari 2015 treden nieuwe btw-regels voor de plaats van dienst voor e-commerce diensten in werking. Deze regels zorgen voor aanvullende eisen waaraan (ook) een Nederlandse ondernemer moet voldoen. Tot en met 31 december 2014 is de plaats van de belastingheffing voor e-commerce diensten gelegen in het land waar de leverancier is gevestigd. Vanaf 1 januari 2015 wijzigt dit in de plaats waar de afnemer is gevestigd. Een ondernemer zal derhalve bij elke dienst moeten beoordelen wat de vestigings- dan wel woonplaats van zijn afnemer is. Ook moet de ondernemer vaststellen of zijn afnemer een andere ondernemer of een particulier is. Deze beoordeling is relevant voor de situatie waarin de btw-regels niet juist zijn nageleefd. Draagt een afnemende ondernemer namelijk de btw niet af, dan kan de leverende ondernemer daarvoor aansprakelijk worden gesteld.

Dat voortaan de vestigingsplaats van de afnemer doorslaggevend is, betekent dat de Nederlandse ondernemer voor elke afzonderlijke dienst moet bepalen waar zijn afnemer woont of gevestigd is. In de wet- en regelgeving (artikelen 10 tot en met 13 Uitvoeringsverordening 282/2011) zijn hiervoor wel enkele aanknopingspunten en vermoedens gegeven. Van belang is echter dat uit deze punten en vermoedens een zekere onderzoeksplicht voor de Nederlandse ondernemer volgt. De Nederlandse ondernemer moet namelijk de vestigingsplaats of de woonplaats van de afnemer beoordelen aan de hand van de beschikbare informatie. Die beschikbare informatie wordt vervolgens weer uitgelegd als alle informatie waarover de ondernemer beschikt of had moeten beschikken. Wat onder ‘had moeten beschikken’ moet worden verstaan, is vervolgens in het midden gelaten. In de jurisprudentie zal dit verder uitgewerkt moeten worden.

Doordat de vestigingsplaats of de woonplaats van de afnemer geldt als plaats van dienst, bestaat de kans dat een Nederlandse ondernemer in verschillende landen afnemers heeft. Vanwege de nieuwe btw-regelgeving zou de Nederlandse ondernemer zich in elk land afzonderlijk als btw-ondernemer moeten melden bij de Belastingdienst. Omdat dit op te lossen treedt op 1 januari 2015 ook het mini-one-stop-system (MOSS) in werking. Dit systeem houdt in dat de Nederlandse ondernemer de btw voor de e-commerce diensten aan buitenlandse afnemers via een webportaal in Nederland kan aangeven. De Nederlandse Belastingdienst zorgt er vervolgens voor dat de gegevens naar de betreffende landen, waar de afnemers zijn gevestigd, worden doorgezonden. Het is voor een Nederlandse ondernemer niet verplicht om de aangiften via MOSS te laten lopen. De ondernemer kan er ook voor kiezen om zich in elk afzonderlijk land als btw-ondernemer te laten identificeren en aldaar aangifte voor de btw te doen.

Kiest een Nederlandse ondernemer ervoor om gebruik te maken van MOSS dan is er een aantal regels waaraan de ondernemer zich moet houden. In de eerste plaats moet de Nederlandse ondernemer uiterlijk 20 dagen na het verstrijken van het tijdvak de aangifte via MOSS indienen. Praktisch betekent dit dat op 20 april, 20 juli, 20 oktober en 20 januari aangifte in MOSS moet zijn gedaan. Ook moet de Nederlandse ondernemer dan direct de verschuldigde btw betalen. Komt de Nederlandse ondernemer deze eisen niet na, dan zal hij een eerste aanmaning (voor het doen van aangifte of voor het doen van de betaling of voor beiden) ontvangen van de Nederlandse Belastingdienst. De overige aanmaningen worden door het land waarin de afnemer is gevestigd, verzonden. De Nederlandse ondernemer kan dus geconfronteerd worden met correspondentie van buitenlandse belastingdiensten.

Een Nederlandse ondernemer dient daarnaast zijn administratie ‘MOSS-proof’ in te richten. Dit houdt in dat de ondernemer onder andere informatie moet vastleggen over: (i) de lidstaat van het verbruik van de dienst, (ii) het soort dienst, (iii) de datum waarop de dienst is verricht, (iv) de btw die over de dienst is verschuldigd, (v) de gegevens over eventuele vooruitbetalingen, (vi) gegevens over de vestigingsplaats van de afnemer en (vii) gegevens over de woonplaats van de afnemer of zijn gebruikelijke verblijfplaats. Deze gegevens moet de Nederlandse ondernemer gedurende 10 jaar na afloop van het jaar waarin de dienst is verricht, bewaren. Voor deze gegevens geldt dus een langere bewaartermijn dan de Nederlandse ondernemer gewend is (namelijk 8 jaar).

Of de Nederlandse ondernemer aan deze administratieve eisen uit MOSS voldoet, kan gecontroleerd worden door de Nederlandse Belastingdienst. Daarbij zal de Nederlandse Belastingdienst de bevoegdheden hanteren die zij op grond van de Awb en AWR heeft. Kort gezegd betekent dit dat de Nederlandse Belastingdienst de administratie kan komen controleren door bijvoorbeeld een boekenonderzoek te houden. Ook kan de Nederlandse Belastingdienst vragen stellen aan de Nederlandse ondernemer. De controle van MOSS verschilt derhalve niet van een reguliere controle in Nederland.

Van belang is dan ook dat de Nederlandse ondernemer zich realiseert dat hij voor de tijdvakken vanaf 1 januari 2015 twee aangiften voor de btw moet doen, te weten één aangifte volgens de normale Nederlandse btw-wetgeving en één aangifte via MOSS.

Voor de Nederlandse ondernemer die e-commerce diensten verricht verandert er nogal wat op 1 januari 2015. De nieuwe regels maken het voor de Nederlandse ondernemer niet makkelijker. Hoewel MOSS ervoor zorgt dat de Nederlandse ondernemer zich niet in alle landen waarin een afnemer is gevestigd, hoeft te melden, zorgt dit systeem ook voor een lastenverzwaring. De Nederlandse ondernemer moet zijn administratie niet alleen langer bewaren, maar ook inrichten volgens MOSS. Daarnaast kan de Nederlandse ondernemer niet langer volstaan met één aangifte, maar moet hij er voortaan twee indienen. Van belang is ook dat de ondernemer moet vaststellen wat de vestigingsplaats of de woonplaats van zijn afnemer is.

Daarvoor zijn in de wet- en regelgeving wel enkele aanknopingspunten en vermoedens gegeven, maar die bieden de ondernemer geen afdoende zekerheid. De verwachting is dan ook dat de ondernemer geconfronteerd gaat worden met (belasting)onderzoeken om de juistheid van zijn beslissingen (vestigingsplaats, woonplaats, ondernemer/particulier, etc.) te controleren. Het is van belang dat de ondernemer zich tijdens zo’n controle direct door een deskundige laat bijstaan, zodat eventuele conflicten snel tot een goed einde kunnen worden gebracht.

Extreme verhogingen griffierechten van de baan

Wie er met de belastingdienst niet uit komt, kan in veel gevallen naar de rechter. Die mogelijkheid beschermt de burger tegen onjuiste belastingaanslagen. Door het recente voornemen van de Minister van Veiligheid en Justitie om de griffierechten fors te verhogen, kwam dat recht in gevaar. Gelukkig is de Minister, na aandringen door zowel rechtspraak als advocatuur, op dat voornemen teruggekomen.

Een geschil met de inspecteur van de Belastingdienst heeft een redelijk vast verloop. Kort gezegd beoordeelt de inspecteur in eerste instantie de aangifte. Indien hij de aangifte niet wil volgen, stuurt hij een brief dat hij van die aangifte gaat afwijken en vraagt de belastingplichtige te reageren. Blijft de inspecteur bij zijn standpunt, dan stelt hij uiteindelijk de aanslag met correcties vast.

Tegen die aanslag kan binnen zes weken bezwaar worden gemaakt bij de inspecteur. De inspecteur moet vervolgens in principe binnen zes weken op het bezwaar beslissen. Deze termijn kan de inspecteur eenzijdig met zes weken verlengen. Langer uitstel is alleen mogelijk als de belastingplichtige daarmee instemt. Ook kan een termijn verlengd worden in het geval de inspecteur een informatiebeschikking neemt. Neemt de inspecteur vervolgens een negatieve uitspraak op bezwaar, dan kan de belastingplichtige daartegen beroep instellen bij de belastingkamer van de rechtbank.

Om het geschil aan de rechter voor te kunnen leggen, moet een belastingplichtige griffierechten betalen. Dit zijn kosten voor het opstarten van de gerechtelijke procedure. Worden de griffierechten niet betaald, dan kijkt de belastingrechter inhoudelijk niet naar de zaak.

De hoogte van de griffierechten in fiscale zaken hangt af van de soort zaak en de vraag of een burger of een bedrijf de procedure opstart. Daarnaast is de hoogte afhankelijk van de instantie waarvoor wordt geprocedeerd. Een burger die beroep instelt voor een procedure over de inkomstenbelasting is in 2014 bij de rechtbank een griffierecht verschuldigd van € 45. Wordt hij door de rechtbank in het ongelijk gesteld en zoekt hij zijn heil bij de belastingkamer van het gerechtshof, dan is de burger aldaar € 122 aan griffierechten verschuldigd. Daarnaast is voor een aantal belastingmiddelen, bijvoorbeeld omzetbelasting, een hoger tarief aan griffierechten verschuldigd. Stelt een burger beroep in tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting dan is hij bijvoorbeeld € 165 aan griffierechten verschuldigd bij de rechtbank en € 246 bij het gerechtshof. Voor een bedrijf gelden andere tarieven, namelijk € 328 aan griffierechten bij de rechtbank en € 493 bij het gerechtshof.

Op 17 september 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een wetsvoorstel ingediend met als doel de hoogte van de griffierechten aan te passen. Daarbij stond de Minister extreme verhogingen van de griffierechten voor ogen. In plaats van € 45 (voor een procedure over de inkomstenbelasting) wilde de Minister een burger € 77 aan griffierechten laten betalen. Dit is een stijging van 75%. Ook de kosten voor een hoger beroepsprocedure stegen aanzienlijk, namelijk van € 122 naar € 189. Naast het verhogen voor de griffierechten in fiscale zaken wilde de Minister ook de griffierechten voor civiele zaken (zaken van burgers onderling) flink verhogen.

Dit voorstel van de Minister stuitte op veel weerstand. Begin 2014 liet bijvoorbeeld de Raad voor de rechtspraak weten dat het verhogen van de griffierechten in ieder geval zou leiden tot een flinke daling van het aantal handelszaken. Ook vanuit de advocatuur (Orde van Advocaten) kwamen grote protesten. Door de verhoging van de griffierechten komt de toegang tot de rechter immers onder druk te staan. Een burger moet zich kunnen verweren tegen bijvoorbeeld onjuiste belastingaanslagen van de inspecteur. Indien de griffierechten dermate hoog worden dat het niet voor een ieder mogelijk is om deze kosten te betalen, kan dit ervoor zorgen dat de burger niet in beroep komt.

De Minister heeft inmiddels alle commentaren ter harte genomen en ziet af van de extreme verhogingen. De verhogingen die de Minister thans voorstelt, zijn te overzien. Een burger die in beroep komt tegen een aanslag inkomstenbelasting moet, vanaf 1 januari 2015 vermoedelijk € 46 aan griffierechten gaan betalen. Dit is € 1 meer dan in 2014. Krijgt hij geen gelijk van de rechtbank en gaat hij naar het gerechtshof toe, dan is hij € 160 kwijt. Komt hij in beroep en eventueel hoger beroep voor een naheffingsaanslag omzetbelasting dan is hij € 170 (rechtbank) en € 285 (gerechtshof) aan griffierechten verschuldigd. Indien een bedrijf een fiscale procedure wil starten dan is het bedrijf vanaf 1 januari 2015 vermoedelijk € 338 (rechtbank) en € 507 (gerechtshof) aan griffierechten verschuldigd.

De Minister is hiermee tijdig tot ‘inkeer’ gekomen. Door de extreme verhogingen terug te draaien, is de toegang tot de rechter voor iedere burger en voor ieder bedrijf weer veilig gesteld.

Tegemoetkoming proceskosten in belastingzaken verschraald

In een procedure tegen de Belastingdienst is het mogelijk om een tegemoetkoming in de proceskosten te krijgen. Voor de hoogte van deze tegemoetkoming zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht afspraken vastgelegd. Dat besluit wordt per 1 januari 2015 aangepast, hetgeen een achteruitgang in de rechtsbescherming van de belastingplichtige inhoudt.

De hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend door middel van een puntensysteem. Voor het voeren van een bezwaarprocedure geldt nu bijvoorbeeld nog een tarief van € 243 (per 1 januari 2014) per punt en voor een beroepsprocedure een tarief van € 487 (per 1 januari 2014) per punt. Met het toekennen van punten is het Besluit niet scheutig. In een bezwaarprocedure worden bijvoorbeeld alleen punten toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift (1 punt), het verschijnen bij het hoorgesprek (1 punt) en het verschijnen bij een eventueel nader hoorgesprek (0,5 punt). Een inzage in het dossier van de inspecteur en na afloop daarvan een aanvullende motivering indienen levert dus geen punten op en dus ook geen vergoeding.

In de beroepsfase worden wel voor de meeste te zetten processtappen punten toegekend. Die punten zijn echter minimaal. Bijvoorbeeld 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en maar 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek. Deze tarieven en punten gelden zowel voor procedures over de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting als voor de WOZ (waardering van onroerend goed).

De hoogte van de toe te kennen tegemoetkomingen dekt bij lange na niet de daadwerkelijke kosten van een belastingplichtige. In plaats van daaraan aandacht te schenken, gaat het Ministerie van Veiligheid en Justitie totaal andere kant op.

Het is het Ministerie een doorn in het oog dat in procedures over de WOZ forse proceskostenvergoedingen worden toegekend. Dit heeft de Minister ertoe aangezet om medio 2013 op internet een consultatiedocument te plaatsen. Dit document had als doel een nieuw Besluit proceskostenvergoeding in WOZ-zaken in het leven te roepen. Basis voor het opstellen van dit document was het verlagen van de proceskostenvergoedingen in WOZ-zaken. Kennelijk waren deze zaken te lucratief voor de adviespartijen die zich daar mee bezighielden.

Op dit document heeft het Ministerie de nodige reacties ontvangen. Dit heeft voor een koerswijziging binnen het Ministerie gezorgd. In plaats van het voortzetten/uitvaardigen van het aparte besluit voor WOZ-zaken bleek recent dat er geen aparte regeling meer komt voor WOZ-zaken, maar dat het Besluit proceskosten bestuursrecht per 1 januari 2015 wordt aangepast.

Die aanpassing voorziet in een nieuwe terminologie voor het begrip ‘samenhangende zaken’. Tot 1 januari 2015 is doorslaggevend de vraag of de bezwaar- c.q. beroepschriften gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend bij de Belastingdienst of de rechtbank en dat daarin inhoudelijk eenzelfde motivering is opgenomen. Het nieuwe criterium is dat de inspecteur of de rechtbank de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt.

Dit nieuwe criterium zorgt ervoor dat veel sneller sprake is van samenhangende zaken. Als een belastingplichtige bijvoorbeeld een procedure heeft over de hoogte van de winst uit onderneming (box I) in een bepaald jaar en daarnaast een procedure over de hoogte van zijn vermogen (box III) in een ander jaar, dan was er onder de oude tekst geen sprake van samenhangende zaken. Onder de nieuwe tekst is dit wel het geval als de rechtbank of de inspecteur de bezwaren/beroepen gelijktijdig behandelt. De onderwerpen zijn echter dermate verschillend dat de rechtsbijstandverlener voor de ene procedure niet kan putten uit gegevens/informatie/etc. uit de andere procedure.

Dit betekent dus een aanzienlijke achteruitgang in de rechtsbescherming van de belastingplichtige. De belastingplichtige moet zich immers op een gedegen wijze kunnen verdedigen tegen onjuiste correcties van de inspecteur. Die mogelijkheid heeft hij weliswaar nog steeds, maar de kosten daarvoor komen meer en meer voor zijn eigen rekening.

Ook nu blijkt dus weer dat het Ministerie via een omweg de ‘goede’ en ‘kwade’ belastingplichtigen over één kam scheert. Belastingplichtigen in de sfeer van inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting of de omzetbelasting werden niet ‘verdacht’ van lucratieve handel in proceskostenvergoedingen, maar moeten nu wel op de blaren zitten. 

Een uitnodiging aan ons om als professionele rechtsbijstandverlener (nog) vaker een beroep te doen op het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding!