De aangifte, een drieluik, deel III: de gevolgen van het niet of onjuist doen van aangifte

De aangifte moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden gedaan. Geen aangifte doen, of opzettelijk onjuist aangifte doen, kan verstrekkende gevolgen hebben. De voorname rol van de (belasting)aangifte als instrument voor informatievergaring door de belastingdienst wordt onderstreept door de afwezigheid of onjuistheid ervan leidend te maken in de voornaamste boetebepalingen of voor de mogelijkheid strafrechtelijk te vervolgen. Bovendien zijn er bewijsrechtelijke gevolgen verbonden aan het niet of onjuist doen van de vereiste aangifte.

De consequentie van een onjuiste aangifte

Als je eenmaal bent uitgenodigd om aangifte te doen, dan blijkt die vriendelijke uitnodiging geen vrijblijvend karakter te hebben: je moet, je zal. En ook binnen de in de uitnodiging genoemde termijn. Vlug wat. Geen makkelijke klus, want de fiscaliteit is complex en voortdurend aan wijziging onderhevig. En als klap op de vuurpijl: de inspecteur kan van het resultaat van deze noeste arbeid afwijken naar zijn goeddunken. De aangifte is voor hem slechts een informatief ding. En in het digitale tijdperk waarbij steeds meer informatie tussen overheden en administratieplichtigen wordt uitgewisseld, weet de belastingdienst al heel veel. De aangifte inkomstenbelasting is voor velen al helemaal ingevuld door de belastingdienst. Desalniettemin zijn de gevolgen van het verwijtbaar onjuist doen van een aangifte zeer aanzienlijk: Een andere verdeling van de bewijslast, beboeting, mogelijk zelfs strafrechtelijke vervolging.

De verdeling van de bewijslast

Het niet doen van de vereiste aangifte (en ook het onherroepelijk worden van een informatiebeschikking) heeft omkering (en verzwaring) van de bewijslast tot gevolg (het 3e lid van artikel 25 AWR in bezwaar, respectievelijk 27e AWR in beroep en hoger beroep). Bij makkelijk vast te stellen feiten is de bewijslastverdeling nauwelijks van belang. In veel gevallen is er echter discussie over (wat) de feiten (zijn). Of is de juistheid van gestelde feiten lastig aan te tonen. Wijkt de inspecteur af van een aangifte, dan dient hij in beginsel de feiten die aanleiding zijn voor het verhogen van de heffing aannemelijk te maken. Als er niet onaanzienlijke gebreken zijn in de aangifte moet de aangifteplichtige bewijs aandragen voor de onjuistheid van de door de inspecteur toegepaste correctie op de aangifte (of diens schatting bij het ontbreken van de aangifte). Het is echter niet voldoende dat hij met dat bewijs in bezwaar aannemelijk maakt dat de inspecteur ten onrechte corrigeerde of te hoog schatte. Hij moet ‘doen blijken’ dat de aanslag onjuist is. En in beroep moet hij de rechter ‘doen blijken’ dat de uitspraak op het tegen de aanslag gemaakte bezwaar onjuist is. Bij ‘aannemelijk maken’ moet een rechter slechts vinden dat het volgens hem meer voor de hand ligt dat de correctie juist is, dan onjuist. Bij ‘doen blijken’ mag er nagenoeg geen twijfel zijn. Naast omkering is er dus ook sprake van een aanzienlijke verzwaring van de bewijslast. Zie verder hierover ook het blog ‘Wat als de fiscale bewijslast wordt omgekeerd?’ van Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma van 4 december 2017 en het blog ‘Omkering van de bewijslast: kan de inspecteur op zijn lauweren rusten?’ van Marloes Lammers van 23 januari 2020.

Vereisten voor omkering

Aan het omkeren en verzwaren van de bewijslast voor het niet doen van aangifte zijn gelukkig wel de nodige waarborgen verbonden. Zo moet de rechter nagaan of het doen van aangifte verplicht was. Is de belastingplichtige wel uitgenodigd tot het doen van aangifte, is hij toen de aangifte uitbleef ook aan die uitnodiging herinnerd en vervolgens, toen nog steeds geen aangifte was gedaan, aangemaand? Zo niet, kan geen omkering volgen.

De achtergrond van de omkering en verzwaring van de bewijslast, die volgens ‘vaste’ rechtspraak niet als bestraffend kan worden gezien, is (onder meer) dat het een redelijke compensatie is voor het op achterstand plaatsen van de inspecteur door hem niet van de vereiste gegevens te voorzien. De maatregel van het omkeren van de bewijslast, zowel wegens het niet doen van aangifte als wegens het doen van een aangifte tot een aanzienlijk te laag bedrag, moet zo bezien wel in redelijke proporties staan tot de door de inspecteur opgelopen achterstand. Dat betekent dat – door de rechter – de vraag dient te worden gesteld en beantwoord: op hoeveel bewijsachterstand is de inspecteur eigenlijk gezet?

Problematischer is dat het initiatief tot het omkeren en verzwaren van de bewijslast niet door de inspecteur hoeft te worden genomen. Zelfs als de inspecteur zich niet op omkering en verzwaring van de bewijslast heeft beroepen, of volgens de rechter slechte argumenten daarvoor aanvoert, maar er in de ogen van de rechter wel goede argumenten  zijn, kan omkering en verzwaring volgen. De rechter moet zijn voornemen om de bewijslast om te keren en te verzwaren wel ter zitting voorleggen aan partijen, zodat de belastingplichtige kan reageren en argumenten kan aandragen om dat niet te doen.

Vereisten voor beboeting en bestraffing

Ook bij beboeting en bestraffing heeft te gelden dat de belastingplichtige moet zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte, dat de termijn daartoe moet zijn verstreken en dat bij het uitblijven van de aangifte moet zijn aangemaand tot het doen daarvan.

Als te laat aangifte is gedaan, is dat niet meer de aangifte die ‘bij belastingwet is voorzien’, de vereiste aangifte is dan niet gedaan. Voor een op te leggen boete heeft dat niet veel consequenties: het belastingbedrag in een opgelegde aanslag is in beginsel de grondslag voor de boete en dan maakt het niet veel uit of het bedrag dat uiteindelijk wordt vastgesteld als de verschuldigde belasting is gebaseerd op het niet doen van de aangifte of het onjuist doen van de aangifte. In het strafrecht komt het er wat preciezer op aan. Immers moet de juiste verwijtbare gedraging ten laste worden gelegd. Het niet doen van aangifte kan niet worden verweten, indien er niet is uitgenodigd of de aangifte binnen de termijn gesteld in de aanmaning alsnog is gedaan. Een onjuiste aangifte kan weer niet worden verweten indien de aangifte te laat is ingediend, omdat dat stuk niet de bij belastingwet voorziene aangifte is.

Vals geschrift en specialiteit

Pogingen van het Openbaar Ministerie om de valkuilen van wat precies een aangifte is te omzeilen door het stuk als vals geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht) te vervolgen lopen vaak spaak. In mijn ogen terecht: de vervolging van het ontbreken van een aangifte of van een foutieve aangifte is aan meer vereisten gebonden dan de vervolging van een vals geschrift. En om te voorkomen dat deze vereisten worden omzeild is in artikel 69 AWR bepaald dat vervolging voor het gebruik maken van een vals geschrift niet mag indien het verwijt ook kan worden geschaard onder de fiscale delictsbepaling. Veel van de aanvullende vereisten voor vervolging hebben te maken met het specifieke karakter van het belastingrecht. Evenals bij de omkering van de bewijslast en bij beboeting moet het verweten gedrag bij bestraffing leiden tot een belastingnadeel voor de fiscus. In het boeterecht vloeit die eis voort uit het systeem van boetevaststelling omdat belastingheffing over de onjuistheid de grondslag is van de boete. In het strafrecht brengt het vereiste dat het handelen moet strekken tot het heffen van te weinig belasting, dat mee. Overigens is dit criterium, evenals de verwijtbaarheid waarover ik het in mijn vorige blog had, geobjectiveerd: het gaat niet om de vraag of de specifieke gebrekkige aangifte tot nadeel leidt, maar of de gedraging in zijn algemeenheid dat gevolg zou kunnen hebben. In dit geval is er geen nadeel, maar het had gekund. Of rechters zo’n ‘het had gekund’ redenering, na het TV programma van Lubach op Zondag over de uitlatingen van Thierry Baudet, nog met droge ogen aan het papier durven toe te vertrouwen, zal de toekomst uitwijzen. Gelet op de kritiek van menigeen dat het criterium door te vergaande objectivering volledig is uitgehold, kan Lubach wellicht het laatste zetje hebben gegeven hier weer (wat) op terug te komen.

In ieder geval heeft het delict van de onjuiste aangifte door het strekkingsvereiste , naast de kenmerken van ‘het valse geschrift’ ook wat kenmerken van oplichting in zich.

Vervolging vals geschrift

De wet sluit alleen vervolging uit van het doen van een foutieve aangifte als het gebruik van een vals geschrift, als het gaat om een verwijtbaar foutieve aangifte. Vervolging voor het vervalsen zelf is niet uitgesloten. Het verweer dat vervalsen in de regel vooraf gaat aan het gebruik maken van die vervalsing, en vervolging voor het vervalsen zelf het gebod fiscaal te vervolgen uitholt, is slechts in uitzonderingsgevallen succesvol.

Het lukt over het algemeen niet een te laat ingediende foutieve aangifte te vervolgen als valsheid in geschrift. De achterliggende gedachte bij die vervolging is dan dat het een niet de bij wet voorziene aangifte is en  vervolging dus niet afstuit op het gebod het fiscale delict ten laste te leggen. Nadat een aanslag is opgelegd, wordt vaak alsnog een aangifte gedaan met als doel de aanslag verminderd te krijgen. De vervolging van een dergelijk stuk, bij onjuistheid, als valsheid stuit af op de vrijheid van procederen. In het geval het stuk als bezwaarschrift, of als motivering van het bezwaarschrift, moet worden aangemerkt, heeft het geen bewijsbestemming als bedoeld in de delictsomschrijving van valsheid in geschrift. De ruime vrijheid om een procedure (waartoe ook de bezwaarfase al behoort) naar eigen goeddunken vorm te geven prevaleert. Of zo’n onjuiste te late aangifte, in het geval het niet in een procedure is gebruikt en dus als verzoek om een aanslag ambtshalve te verlagen moet worden aangemerkt, eveneens geen bewijsbestemming heeft moet nog worden uitgemaakt.

Dit is het slot van een drietal blogs over de aangifte. Over de aangifte, de verplichting aangifte te doen en de noodzaak om achteraf een aangifte te corrigeren ging mijn eerste blog in deze reeks. Het door de inspecteur volgen van de aangifte en het (on)juist doen van aangifte is beschreven in het tweede deel van deze reeks. Er valt zeker nog meer over te zeggen. Specifieke punten zullen vast in toekomstige blogs door mij, dan wel mijn kantoorgenoten, worden uitgewerkt. Voor zover dat niet al eerder is gebeurd: zie de al gepubliceerde blogs over onder meer de aangifte op onze website.

Conclusie

De gevolgen van het niet doen, of verwijtbaar onjuist doen van een belastingaangifte kunnen behoorlijk verstrekkend zijn: omkering en verzwaring van de bewijslast, beboeting of zelfs strafrechtelijke vervolging. Is de bewijslast terecht omgekeerd, is de boete wel passend en kan voor deze foutieve aangifte strafrechtelijk worden vervolgd? Het zijn boeiende vragen waarop in dit blog mogelijke antwoorden zijn geformuleerd. Die antwoorden zijn niet steeds makkelijk, want het betreft een, in dit blog globaal beschreven, leuk maar lastig deel van het formeel belastingrecht. En het is nog volop in ontwikkeling, wat het een mooi onderdeel maakt van de praktijk op ons kantoor.

De aangifte, een drieluik, deel II: het doen van aangifte, onjuistheden en vooroverleg: wanneer verwijtbaar onjuist?

Bijna niemand heeft zin in het doen van aangifte. En dan moet die ook nog juist zijn. Gelet op de complexe fiscale wetgeving is dat geen sinecure. De aangifte moet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden gedaan. Kan dat anders bij een digitale aangifte? Wat te doen bij twijfel, of als de toelichting wat anders voorschrijft dan ik juist acht? Zo maar een boel vragen bij het doen van aangifte. Hierin een aanzet tot beantwoording.

Wat maakt het uit wat ‘de aangifte’ is?

In mijn voorgaande blog beschreef ik wat ‘de aangifte’ is. Ondanks het belang dat ogenschijnlijk wordt gehecht aan het doen en juist doen van de aangifte, is die alleen van belang voor het vaststellen van een eventuele aanslag, meer niet. De inspecteur kan in de aanslag gewoon afwijken van de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting. Of loon- of omzetbelasting naheffen, indien hij meent dat er te weinig is aangegeven en betaald. Zo belangrijk lijkt de aangifte dus niet te zijn. Er is geen enkele verplichting voor de inspecteur om dit belangrijke aanknopingspunt voor het heffen van belastingen te volgen. Hij moet een afwijking wel melden. En als hij de aangifte heeft gevolgd dan kan hij daar meestal op terugkomen. Bij de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting heeft de inspecteur alleen een nieuw feit nodig als een eerdere definitieve aanslag te laag was of achterwege is gebleven. Zie voor de iets genuanceerdere opvatting over de vraag of dit een drempel is het blog ‘Wanneer mag de inspecteur navorderen’ van Nick van den Hoek van 25 oktober 2019. Bij de loon- en omzetbelasting zelfs dat niet. Over het nieuwe feit wordt zo af en toe wel leuke jurisprudentie gewezen (zie het al wat oudere voorbeeld: Hof ‘s-Hertogenbosch 25 augustus 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8213: als aftrekbare hypotheekrente neemt iemand abusievelijk een bedrag van € 3.419.635 op in plaats van € 3419 en de aanslag conform aangifte blijft in stand). Maar die jurisprudentie is in mijn ogen wel de spreekwoordelijke witte raaf. Over het algemeen hoeft de inspecteur niet verder te kijken dan zijn neus lang is, tenzij de aangifte een onverzorgde indruk maakt. Dat laatste is best lastig bij een digitale aangifte. Zie hierover het blog ‘De onverzorgd ogende digitale aangifte en het monster van Loch Ness’ van Marloes Lammers van 23 september 2019.

De aangifte lijkt dus niet van groot belang in het proces van belasting heffen, toch speelt de vraag wat de (vereiste) aangifte is in veel belastingprocedures. Om deze reden ga ik in dit blog nader in op de gevolgen van het niet of onjuist doen van de aangifte en wanneer die onjuist is.

De vereiste aangifte, de aangifte, de bij de belastingwet voorziene aangifte

In de artikelen over de omkering van de bewijslast staat dat het gaat om ‘de vereiste aangifte’. Bij beboeting rept de wettekst van ‘de aangifte’, bij strafrechtelijke vervolging van de ‘bij de belastingwet voorziene aangifte’. Het lijkt verschillend maar het gaat in alle drie de gevallen om  ‘de aangifte’: het verwijtbaar niet doen, niet tijdig doen, of onjuist doen daarvan.

Bij lezing van een uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari jl. drong zich de in die uitspraak niet aan de orde gestelde vraag op of het niet toch mogelijk is aangifte onder voorbehoud te doen (wat dus per definitie onverstandig is). Bij de aangifte, maar denkbaar is ook het verzenden van een brief gelijktijdig met het digitaal doen van aangifte, is een brief gevoegd waarin nadrukkelijk een voorbehoud wordt gemaakt op de ingediende aangifte. Is dat dan wel de bij belastingwet voorziene aangifte? Ik heb ooit jaren terug bij een papieren aangifte de ‘z’ van zonder voorbehoud weggestreept. Mijn humor bleek niet dezelfde als die van de betrokken ambtenaar te zijn. Hoe dan ook: een voorbehoud formuleren is in dit kader onverstandig, beter is om een toelichting te geven. Tsja, goochelen met woorden. Het geeft advocaten soms een slechte naam, maar kan vaak net van belang zijn.

De wet en ook de aangifte zelf stelt dat deze duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moet worden gedaan. In het digitale tijdperk is het niet stellig en onduidelijk doen, evenals het onverzorgd doen, van aangifte knap lastig geworden. Het bijvoegen van documenten waaruit de inspecteur de fiscale consequenties maar moet halen is onmogelijk. Ook een voorbehoud maken is lastig. De voornaamste discussies over de aangifte gaan over onjuist versus juist en de mate van verwijtbaarheid bij onjuistheden.

Vooroverleg bij twijfel?

Twijfel is menselijk, evenals vergissen. Daarbij komt dat de fiscale wetgeving complex is en jaarlijks wijzigt. Daarbij spelen aanpassingen om vermeende onwenselijke ongelijkheden recht te trekken een grote rol. Een leuk voorbeeld is altijd de ‘eigen woning’. Ogenschijnlijk een simpel begrip, maar de regelgeving op dit punt is extreem gedetailleerd en de jurisprudentie voegt daar  nog uitzonderingen en afwijkingen aan toe. Het is dus niet altijd helder hoe de aangifte moet worden ingevuld.

Hoewel inspecteurs en zelfs rechters nog wel eens moeten worden gecorrigeerd op dit punt, staat nergens voorgeschreven dat bij twijfel vooroverleg de aangewezen weg is. Voldoende zorg betrachten bij de poging een juiste aangifte te doen is alles wat kan worden verlangd. Of in strafrechtelijke termen: niet de aanmerkelijke kans accepteren dat het fout is en dat risico niet voor lief nemen. Bevestiging van het standpunt dat ‘volgzaamheid’ niet leidend is bij de beantwoording van deze vraag, bleek wel weer uit overweging 3.3.2 van een arrest van de Hoge Raad van 14 februari jl:

De omstandigheid dat de belastingplichtige zich bewust is van de, al dan niet aanmerkelijke, kans dat de inspecteur zijn standpunt niet zal delen, en die kans bewust aanvaardt, brengt op zichzelf niet mee dat hij welbewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat te weinig belasting wordt geheven. De juistheid van de opvatting van de inspecteur is immers niet gegeven.

Overigens wordt bij dit criterium wel uitgegaan van de redelijk denkende mens, het criterium wordt dus geobjectiveerd. De (geveinsde) naïeveling of domkop stoot dus wel degelijk het hoofd.

Persoonlijk ben ik geen voorstander van vooroverleg. Terzijde: de belastingdienst kan vooroverleg over ‘alles’ niet aan en ook is het innemen door de inspecteur van standpunten vooraf steeds meer beperkt. Los daarvan: overleg leidt in onze poldercultuur bijna altijd tot een oplossing in het midden. Dat is lang niet altijd bevredigend. Ik ben wel voorstander van transparantie. Als je twijfel hebt bij een standpunt dat je ‘verborgen’ inneemt in de aangifte, leg dat standpunt dan uit en stuur die uitleg gelijktijdig met, maar apart van, de aangifte toe. Dat is een mooi en effectief midden. Het helpt niet tegen correctie, maar kan goed dienst doen als argumentatie tegen bestraffing en beboeting. En zoals in het kader gezegd: niet formuleren als voorbehoud, maar als toelichting.

De waarde van uitlatingen van de belastingdienst

De belastingdienst geeft veel algemene informatie. Zijn website is een belangrijke kenbron van ‘uitleg’ en ook de toelichting bij de aangifte, de vraagtekentjes achter in te vullen informatie, bevat uitleg. Naast neutrale uitleg, kan deze informatie ook standpunten bevatten waarover je van mening kunt verschillen en zelfs onjuistheden.

Het is ‘vaste’ rechtspraak dat informatie op de website van de belastingdienst, zelfs de toelichting op de aangifte, geen vertrouwen kan wekken waar je voor de rechter met succes een beroep op kan doen. Slechts bij een zaaks-specifiek standpunt, soms zelfs als dat is verkregen via de belastingtelefoon, is dat anders. De inspecteur kan dus corrigeren ook al is de uitleg in de toelichting gevolgd in de aangifte. In beginsel zal de inspecteur dan geen boete kunnen opleggen want van verwijtbaarheid voor de onjuistheid op dit punt in enige aangifte zal geen sprake zijn. Aangezien het uitgangspunt is dat je er niet vanuit kan gaan dat de informatie die de website van de belastingdienst te bieden heeft juist is, noch dat de toelichting op de aangifte klopt, is het niet volgen van inlichtingen op de website, en/of een ander standpunt innemen dan volgt uit de toelichting bij de aangifte (als je die al hebt gelezen) op zichzelf geen reden de aangifte verwijtbaar onjuist te achten. Daar moet wat bijkomen (ook al denken inspecteurs daar wel anders over). De toelichting is een opvatting. Op zijn best een weldoordachte opvatting. Afwijken mag, maar het is dan wel wijs dat eveneens doordacht te doen en het uit te (kunnen) leggen. Ook hierin zie ik bevestiging in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 14 februari jl.

Pas ‘afwijken’ in bezwaar

De inspecteur kan het bewust afwijken van het standpunt van de belastingdienst in een aangifte aanmerken als het doen van een onjuiste aangifte, met alle gevolgen van dien. Dit speelt niet alleen bij het volgen van de website of toelichting, maar ook als bijvoorbeeld de (feitelijke) gevolgen van een boekenonderzoek bekend zijn en doorwerken naar een aangiftetijdvak waarover nog aangifte moet worden gedaan. Als veilig alternatief kan ervoor worden gekozen om in de aangifte ‘volgzaam’ te zijn, de opvattingen van belastingdienst en inspecteur in de aangifte over te nemen en pas in het bezwaarschrift de afwijkende opvattingen te ventileren. In bezwaar en beroep vallen nagenoeg alle stellingnamen onder de vrijheid van het inrichten van de procedure zoals je dat wil en kunnen onjuistheden niet meer tot een verwijtbare onjuistheid in de aangifte leiden. Het enige risico dat je loopt (bij feitelijke afwijkingen, niet bij juridische) is dat je zelf een afwijking aannemelijk moet maken, niet de inspecteur. Ook dit is wellicht te voorkomen door direct bij het doen van aangifte duidelijk te maken waarom een opvatting is opgenomen die niet de eigen opvatting is.

Verwijtbaarheid en pleitbaar standpunt

Zoals ik al schreef gaat het bij de beoordeling van de verwijtbaarheid van fouten in een aangifte om (geobjectiveerde) verwijtbaarheid. De aangifteplichtige moet zich minst genomen ervan bewust zijn dat zijn aangifte onjuist is. De objectivering zit in dit geval in het beoordelen wat de ‘redelijke maatman’ had moeten beseffen. De vergelijkbare redelijke mens, wel te verstaan. Specifieke kennis vanwege de eigen professie kan wel doorwerken in het verwijt. De argumentatie is vergelijkbaar met die bij het strafrechtelijke ‘opzet’.

In het fiscaal boeterecht, doorgetrokken naar het fiscaal strafrecht, is de doctrine van ‘het pleitbaar standpunt’ tot ontwikkeling gekomen. Als aan een onjuistheid in de aangifte een pleitbaar standpunt ten grondslag kan worden gelegd, kan geen bestraffing of beboeting plaatsvinden. Na flink touwtrekken heeft ook de strafkamer van de Hoge Raad de objectieve leer tot de zijne gemaakt. Om het makkelijk te houden is dit weer een iets andere objectivering. Naïef en stupide gedrag zijn, geobjectiveerd beschouwd, verwijtbaar. Maar ondanks die objectivering blijft uitgangspunt dat wordt gekeken naar de (subjectieve) bedoelingen van de aangifteplichtige. Bij het pleitbaar standpunt doen die bedoelingen er echter niet toe. Hoe slecht de bedoelingen ook zijn, als het aangegeven bedrag te verdedigen valt op basis van gangbare fiscale opvattingen (ook al worden die pas achteraf kenbaar, bijvoorbeeld door rechtskundige bijstand tegen die tijd), kan niet beboet of bestraft worden, ondanks dat de aangifte onjuist is.

Hoewel dit bij mijn weten nog niet uitdrukkelijk is beslist door de rechter, belet een pleitbaar standpunt zelfs bij slechte bedoelingen het oordeel dat de aangifte verwijtbaar onjuist is gedaan.

Fout moet leiden tot substantieel belastingtekort

Wil een fout verwijtbaar zijn dan moet het gebrek in de aangifte tot gevolg hebben dat de aangegeven belasting te laag is. Het verschil met het juiste bedrag moet zowel verhoudingsgewijs aanzienlijk zijn, als in absolute zin. Het verhoudingsgewijze criterium ligt ergens in de buurt van de 10 tot 15% van de verschuldigde belasting bij een juiste aangifte, maar de Hoge Raad noemt (terecht) geen vaststaand percentage. Dit is dus een afgeleide van uitgeprocedeerde zaken.

Dit roept dan direct een nog niet geheel uitgekristalliseerde kwestie op: kan het niet beantwoorden van (de in omvang toenemende hoeveelheid) vragen in de aangifte waarvan het antwoord voor de heffing van de belasting niet van belang kan zijn, leiden tot het oordeel dat de aangifte verwijtbaar onjuist is? In mijn ogen niet. Er is geen wettelijke grondslag voor het stellen van dergelijke vragen en ze behoeven dus niet (duidelijk, stellig en zonder voorbehoud) te worden beantwoord. Via de aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting allerhande informatie binnenhalen kan een belang van de overheid dienen. Bijvoorbeeld omdat die informatie om heel andere redenen dan de aanslag waar de aangifte op ziet, nuttig voor de belastingdienst is. Maar dit is niet een belang waarvoor de wet de aangifteplicht in het leven heeft geroepen. Met deze kritiek op het via de aangifte op oneigenlijke wijze verzamelen van gegevens schaar ik mij in het gezelschap van prof. Boer en prof. Zwemmer:[1]

“Al deze vragen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij gericht zijn op het verkrijgen van informatie (…). Zij geven geen informatie over het inkomen. (…). In mijn visie zijn dit derhalve vragen die in een aangifte inkomstenbelasting niet thuis horen en waarvan niet beantwoording niet kan leiden tot de constatering dat de vereiste aangifte niet is gedaan.”

Zie over dit soort informatieve vragen uitvoeriger mijn blog ‘Strafvervolging belastingadviseur mogelijk voor onbeantwoorde informatieve vraag in aangifte IB?’ van 9 augustus 2018. Over de aangifte, de verplichting aangifte te doen en de noodzaak om achteraf een aangifte te corrigeren ging mijn eerste blog in deze reeks. Over de gevolgen van het niet doen van de vereiste aangifte gaat het laatste deel van dit drieluik.

Conclusie

Het belang van de aangifte is in eerste instantie de noodzakelijke informatievoorziening aan de belastingdienst. De inspecteur kan bij aanslag zonder veel belemmeringen van een aangifte afwijken. De digitale aangifte is uit haar aard ook duidelijk, stellig en zonder voorbehoud. Uit de bij afwijkingen van een aangifte gehanteerde bewoordingen kan worden afgeleid dat fouten als snel worden verweten en de door de belastingdienst verstrekte informatie (website en toelichting bij aangiften) doorslaggevender wordt gevonden dan die is. Een fout moet, eer die consequenties kan hebben, verwijtbaar zijn en bovendien een niet onaanzienlijk belastingnadeel voor de schatkist opleveren. Diepgaande studie voorafgaande aan het invullen hoeft niet, vooroverleg evenmin. Bij twijfel transparant zijn, kan wel goed werken.  Als veilig alternatief kan  het van de belastingdienst afwijkende standpunt pas in het bezwaarschrift worden ingenomen.


[1] J.W. Zwemmer, “Steeds meer vragen in de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/vermogensbelasting en vennootschapsbelasting”, FED 1986/838, blz. 2621.

De aangifte, een drieluik, deel I de verplichting tot het doen van aangifte

In het belastingrecht speelt de (belasting)aangifte vanzelfsprekend een voorname rol. Loon- en omzetbelasting moet op aangifte worden voldaan of afgedragen. Inkomsten- en vennootschapsbelasting worden weliswaar bij wege van aanslag geheven, maar daarbij is de aangifte (slechts) een belangrijk ‘hulpmiddel’. Iedereen heeft wel een idee bij wat een aangifte is, maar een aangifte is zeker niet altijd ‘de vereiste aangifte’. Zeker voor de consequenties (deel III) is een juiste beoordeling van het begrip noodzakelijk.

De aangifte

Hoofdstuk II, de artikelen 6 t/m 10a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gaat over ‘de aangifte’. Gek genoeg tref je daar geen omschrijving aan van wat een aangifte is. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de belastingaanslag staat ook in de opsomming van begrippen in artikel 2 AWR niet omschreven wat in de AWR onder de aangifte wordt verstaan, laat staan onder de vereiste aangifte. Wel is duidelijk dat de inspecteur iemand kan uitnodigen tot het doen van aangifte als diegene, naar de mening van de inspecteur, vermoedelijk belastingplichtig of inhoudingsplichtig is. Bovendien kan je vragen om uitreiking van een aangifte, waarbij de wet voorschrijft dat je dan ook daadwerkelijk die aangifte moet doen. Tot slot kan het verplicht zijn om te vragen om een uitnodiging. Maar wanneer je verplicht bent daarom te vragen, is niet in de wet geregeld. Dat is geregeld in een Ministeriële regeling (Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, verder de uitvoeringsregeling). Het komt erop neer dat je altijd wanneer je belastbaar bezig bent geweest moet vragen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte. Dus heb je bijvoorbeeld inkomsten genoten dan ben je verplicht om een uitnodiging te vragen.

Het is niet alleen een omslachtige regeling, maar bovendien is de verplichting om te vragen om een uitnodiging een dode letter geworden. In de praktijk komt het erop neer dat zonder uitnodiging niet wordt opgetreden tegen het niet doen, of meer precies het niet vragen om te worden uitgenodigd. Aangezien de meeste aangiften inmiddels digitaal moeten worden ingediend, is het zelfs niet mogelijk aangifte te doen zonder te zijn uitgenodigd, omdat met de uitnodiging de aangifte die moet worden gedaan in de digitale omgeving wordt geplaatst. Zonder dit ‘klaar zetten’ kan je niets indienen.

De wettelijke regeling is wat archaïsch, zullen we maar zeggen.

De uitnodiging tot het doen van aangifte

Verder duid ik de ‘uitnodiging tot het doen van aangifte’, het wettelijke begrip, maar kortweg aan als de aangifte zelf. De wet gaat ervan uit dat in de uitnodiging de verlangde gegevens staan, maar die staan in het digitale ‘ding’ waarnaar je in de uitnodiging wordt verwezen, of die in het ‘eigen digitaal belastingdomein’ is te vinden. In de aangifte wordt vanzelfsprekend gevraagd om gegevens die van belang kunnen zijn voor de heffing. Een criterium dat we ook kennen bij de algemene informatieverplichting jegens de inspecteur (artikel 47 AWR). De gevraagde gegevens moeten duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld binnen de door de inspecteur gestelde termijn. Wat dit inhoudt beschrijf ik in het volgende blog.

Bij de aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting moet worden aangemaand als indiening uitblijft, bij de loon- en omzetbelasting niet.

De verplichting aangifte te doen

Gaat alles gewoon zoals het hoort, dan is niet erg van belang wat nu eigenlijk de aangifte is, en wat daarover is geregeld. Wat volstaat is dat je verplicht bent aangifte te doen indien je daartoe bent uitgenodigd en praktisch gezien alleen dan.

Maar dan ook wel echt voor de in de uitnodiging gestelde datum, even afgezien van de mogelijkheid om uitstel te krijgen. In de gevangenis, alle stukken in beslag genomen door de FIOD, of gewoon ziek, zwak, misselijk, niet in staat te lezen, of een computer te gebruiken: in vrijwel alle (uitgeprocedeerde) gevallen is dat een risico dat voor rekening komt van degene die aangifte moe(s)t doen. Je hebt het maar te regelen.

Wanneer is er reden een onjuiste aangifte te corrigeren?

Op het gevaar af in een semantische discussie te belanden, is het gelet op het voorgaande duidelijk dat een aangifte niet kan worden vervangen door een nieuwe aangifte, noch dat er enige verplichting bestaat om een eerdere onjuiste aangifte te herstellen. Wel zijn er inmiddels meldplichten in het leven geroepen voor het melden van onjuistheden. Dat wil niet zeggen dat buiten deze meldplichten geen aanleiding kan zijn om ook in andere gevallen achteraf geconstateerde fouten niet toch te melden en/of te herstellen.

Omzetbelasting

De verplichting onjuistheden in eerdere aangiften omzetbelasting te melden is sinds 2012 opgenomen in het toen toegevoegde artikel 10a AWR. Dat artikel is daarmee een wat vreemde eend in de bijt van hoofdstuk II AWR, ”Aangifte”. Deze verplichting onjuistheden te melden staat los van de vraag of er enige bewustheid was van de onjuistheid bij het eerder doen van de desbetreffende aangiften omzetbelasting.

Melden moet zo spoedig mogelijk gebeuren na de constatering dat eerdere aangiften onjuist waren. Niet melden is een verzuim, opzettelijk niet melden kan worden bestraft met een vergrijpboete van 100% van het ten onrechte niet aangegeven bedrag.

Aangezien het gaat om het corrigeren van gedane aangiften, bestaat de verplichting niet als er (ten onrechte) in het geheel geen aangiften zijn gedaan. Zie de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2018 voor een bevestiging van dit standpunt. De strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde voorts op 10 juli 2018 dat strafrechtelijke vervolging  van het niet melden van onjuistheden niet mogelijk is, nu dat alleen staat omschreven als beboetbaar, niet ook als vervolgbaar, feit.

Loonbelasting  

Sinds 2017 kent de aangifte loonbelasting het verzoek om onjuistheden uit eerdere perioden te herstellen. Het niet nakomen van deze verplichting levert (maximaal) een verzuim op.

Inkomsten- en vennootschapsbelasting

Er bestaat geen enkele verplichting om een onjuistheid in een aangifte inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting te herstellen.

Inkeer

Indien de onjuistheid al bij het doen van de aangifte voor alle hiervoor genoemde belastingen bekend was en de onjuistheid dus verweten kan worden, dan kan er reden zijn om ‘in te keren’ voordat de inspecteur van de onjuistheid op de hoogte raakt. Het tijdig zelf melden van de onjuistheid voorkomt strafrechtelijke vervolging (met uitzondering van fouten in box 2 of 3 van de aangifte inkomstenbelasting). Ook heeft de Belastingdienst een beleid om de boete dan te matigen. De zogenaamde inkeerregeling is de laatste jaren voor de inkomstenbelasting wel enorm uitgekleed. Zie hierover het recente blog ‘Afschaffing inkeer met een hakbijl: een stille revolutie met grote gevolgen’ van Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma van 7 november 2019.

Over het volgen van de aangifte en het (on)juist doen van aangifte gaat mijn volgende blog. Over de gevolgen van het niet doen van de vereiste aangifte gaat het laatste deel van dit drieluik.

Conclusie

Wat een aangifte is, is niet wettelijk gedefinieerd. In de zo langzamerhand erg digitaal geregelde informatie-uitwisseling met de belastingdienst, is de aangifte eigenlijk het digitale programma dat de Belastingdienst aanbiedt ter ‘invulling’. Het melden of corrigeren van onjuistheden in de aangiftebelastingen (bijvoorbeeld: omzetbelasting) is verplicht, bij de aanslagbelastingen (bijvoorbeeld: inkomstenbelasting) is er slechts sprake van een stimulans om opzettelijke onjuistheden te herstellen voordat die zijn ontdekt. De stimulans om onjuistheden in de aangifte inkomstenbelasting te melden nam enorm af door het uitkleden van de inkeerregeling.

Vormverzuimen en de fiscus: Mag de belastingdienst dan alles?

De dader zal gestraft worden, maakt niet uit hoe. Belastingen zullen geheven en geïnd worden, de wijze waarop doet er niet toe. Cynisch? Vast, maar ook een feitelijke constatering als je naar een paar ‘constateringen’ in alleen al de maand november 2019 kijkt. Onverstandig, want het ‘afdekken’ van missers ondermijnt uiteindelijk het vertrouwen van de burger in de rechtstaat.


Onthutsende uitzending Zembla

Op 7 november 2019  keek ik naar de uitzending van Zembla over Officieren van Justitie die doorschieten in hun ‘dienstijver’. De uitzending schetst een beeld van officieren van justitie die bewust een verkeerde voorstelling van zaken geven. Onthutsend is het deel van de uitzending waarin ‘de baas’ van het OM blijft ontkennen dat bewust niet de waarheid vertellen, liegen is. Met zo’n voorman is geen verbetertraject te verwachten.

De uitzending stelt de vraag of het door de Hoge Raad uitgezette ‘beleid’ van het gedogen van vormfouten niet te ver is doorgeslagen. Als een zaak niet meer stuk gaat op bewust gemaakte fouten, dan staat er voor politie en openbaar ministerie toch een premie op liegen en bedriegen?

De uitzending riep bij mij de vraag op of het in het belastingrecht beter gaat. Of zijn er in het fiscale ook prikkels te vinden die eufemistisch gezegd niet er aan bijdragen dat magistraten zich ook daadwerkelijk magistratelijk gedragen en dat burgers niet gefrustreerd raken bij het halen van hun recht.

Het rapport OMZIEN in verwondering

14 november jl. presenteerde een commissie haar interim-advies over wat er mis is gegaan bij de belastingdienst Toeslagen. Volgens de commissie, onder leiding van Minister van Staat Donner, heeft de belastingdienst Toeslagen de grenzen van de handhaving doelbewust opgezocht en overschreden.

Veel geschokte reacties, nog meer excuses. Maar ook hoor je de vergoelijkende constatering dat hier sprake is van een doorgeslagen reactie na de verontwaardiging over ‘de Bulgarenfraude’ . Wat kan je eigenlijk van een ambtelijk apparaat verwachten? Kennelijk niet dat men beseft dat het beleidsmatig slachtofferen van waarschijnlijk onschuldige burgers aan het hogere doel van de fraudebestrijding, wederom tot grote ophef zou leiden. En evenmin dat het verstrekken van zwart gelakte dossiers aan de getroffen burgers geen zinvolle bijdrage levert aan het doen bedaren van de commotie.

Duidelijk is, volgens het rapport en nagenoeg alle critici van het gewraakte optreden van de Dienst Toeslagen, in ieder geval dat de rechtsbescherming te kort is geschoten en dat alle ‘checks’ en ‘balances’ in het systeem de zaak niet in evenwicht hebben gehouden. Al snel na de openbaring van het rapport moest staatssecretaris Snel zich hierover in de Kamer verdedigen. Saillant detail uit het debat is dat toen Snel de belastingtelefoon ter sprake bracht als optie voor getroffen burgers om problemen aan de orde te stellen, hem hoongelach ten deel viel. Nieuw ‘gedonder’ heeft hem er inmiddels toe gebracht zijn portefeuille in te leveren. Een geste die weliswaar verantwoordelijkheidsbesef toont, maar niemand iets verder helpt, zeker de getroffen burgers niet.

Misbruik van recht

Laat ik beginnen met enkele constateringen over hoe het de burger vergaat die fouten maakt, of het recht aanwendt voor zaken waarvoor het niet is bedoeld.

Op 17 januari 2019 verscheen de opinie van mr. dr. Djebali ‘Balanceren tussen rechtsbescherming en rechtsmisbruik’ in het NTFR. Ik beken ruiterlijk dat ik me bij het lezen van die opinie afvroeg of rechtsmisbruik door de burger of diens gemachtigde nu zo veel voorkomt. Gedurende het afgelopen jaar zijn we echter op meerdere zaken getrakteerd waarin zulk misbruik evident was. De uitspraken in de zaken waarin van misbruik van recht door de burger sprake was, waren gelijkluidend: rechtsmisbruik werd telkens genadeloos afgestraft. Ook werden we afgelopen jaar geconfronteerd met uitspraken waarin te lezen viel dat een gemachtigde (bij mijn weten wel steeds dezelfde) wegens de rechter onwelgevallig taalgebruik verder uit de rechtszaal werd geweerd. Het ging daarbij om sterk diskwalificerende uitingen richting inspecteur, rechters en de overheid in het algemeen.

Fouten van belastingplichtigen worden over het algemeen nietsontziend afgestraft, waarbij het boetearsenaal al snel wordt aangesproken. Met als voorlopig hoogtepunt de herintroductie van de schandpaal in de vorm van een wettelijke regeling die  het mogelijk maakt om boetes opgelegd aan professionals te publiceren. Te laat bezwaar of beroep instellen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, van verschoonbaarheid is alleen bij hoge uitzondering sprake. Niet motiveren, geen volmacht overleggen, andere verzuimen niet (tijdig) herstellen, eveneens. En dan heb ik het nog niet eens over de wettelijk ingebakken ongelijkheid in de behandeling van de verzending van stukken. Of de wijze waarop een belastingplichtige die bewijs wil leveren, wordt afgescheept als hij dat onhandig doet.

En hoe gaan we dan vervolgens om met fouten, onwelgevalligheden en onfatsoenlijkheden van de kant van de procederende inspecteur?  Als de fiscus – al of niet in de vorm van de strafrechtelijk opererende FIOD –  fouten niet adequaat heeft kunnen toedekken, niet wil voldoen aan verzoeken van een rechter, heeft hij altijd nog een hem vaak welgezinde (cassatie)rechter. 

De tipgever

In een niet zo heel ver verleden was het uitgangspunt dat een inspecteur zijn werk deed met als uitgangspunt: hard op de inhoud, zacht op de aanpak (fortiter in re, suaviter in modo). Een verweerschrift werd tijdig ingediend, aan verzoeken van een rechter werd voldaan. In 2015 merkte Van der Voort Maarschalk in het tijdschrift voor Formeel Belastingrecht al op dat verweerschriften te vaak als een soort tiendagenstuk werden ingediend. Sindsdien is daar weinig verbetering in gekomen, ondanks de druk vanuit de ambtelijke top. Maar omdat er geen sanctie staat op het niet of veel te laat indienen van een verweerschrift, blijft het bij een reprimande ter zitting.

Het niet voldoen aan een rechterlijk verzoek of zelfs een rechterlijke opdracht gaat echter nog verder. Dat de weigering om te voldoen aan een informatieverplichting door de inspecteur niet denkbeeldig is, blijkt heel nadrukkelijk (en meermaals) uit de zogenoemde Tipgeverszaak, waarin een bankemployee van een Luxemburgse bank tegen betaling aan de belastingdienst bankgegevens had verstrekt van Nederlandse cliënten. In 2015 vernietigde Hof Arnhem-Leeuwarden de aan een Nederlandse cliënt van de Luxemburgse bank opgelegde (navorderings)aanslagen. Het Hof oordeelde dat de Nederlandse rechtsorde was geschokt doordat de inspecteur geen gehoor gaf aan het oordeel van de geheimhoudingskamer dat de bij de zaak betrokken belastingambtenaren als getuigen verklaringen dienden af te leggen. De Hoge Raad vond echter dat in het systeem van de AWB de inspecteur na het oordeel van de geheimhoudingskamer de keuze had om mee te werken aan het afleggen van  getuigenverklaringen door de ambtenaren of dat niet te doen en de consequenties van die weigering te aanvaarden. Anders dan het Hof was de Hoge Raad klaarblijkelijk niet geschokt dat een oordeel wordt gevraagd aan een geheimhoudingskamer, om vervolgens, als het oordeel je niet bevalt, dat domweg niet op te volgen. Verwijzingshof ’s-Hertogenbosch vernietigt de aanslagen wederom. Ditmaal omdat de inspecteur, ondanks verzoek daartoe van het Hof, te weinig inzicht verschaft in zijn afweging van de belangen van een juiste belastingheffing tegen een zuiver rechtsstatelijk handelen door de overheid. Ook deze keer wijst de Hoge Raad het Hof terecht. Blijkens zijn uitspraak twijfelde het Hof toch niet aan de betrouwbaarheid of authenticiteit van de bankgegevens? De (Nederlandse) overheid heeft volgens het Hof toch niet de hand gehad in de (criminele) verkrijging van die gegevens door de tipgever? Hoewel een inspecteur volgens de Hoge Raad bij het niet opvolgen van een rechterlijke opdracht de consequenties die de rechter daaraan verbindt  heeft te aanvaarden, gaat de consequentie van het vernietigen van de aanslagen de Hoge Raad twee keer te ver. Het lijkt mij passender dat de Hoge Raad de consequenties accepteert die twee Hoven aan niet magistratelijk optreden van de inspecteur verbinden.

Het lijkt er op neer te komen dat na het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2019 gewoon een inhoudelijk oordeel moet komen over hoeveel belasting er moet worden betaald. Heffing prevaleert in dit soort gevallen. Aan Hof Amsterdam om die makkelijke taak uit te voeren en deze kwestie finaal te beslechten. Zie eventueel mijn noot in NLF bij  dit arrest.


Niet overleggen stukken

De Tipgeverzaak staat niet op zichzelf. Het niet (tijdig) indienen van een verweerschrift evenmin. De strijd gaat met regelmaat over de juiste invulling van de verplichting van de inspecteur om aan de rechter en de procederende burger een compleet dossier te leveren (artikel 8:42, lid 1 Awb). Een logische verplichting, want zonder een compleet dossier kan een beslissing van de overheid niet op juistheid worden getoetst. Het niet nakomen van die verplichting wordt echter ook met grote regelmaat gedoogd.

De Hoge Raad heeft de deur voor het nalaten een consequentie te verbinden aan het verzaken van deze wettelijke eis wagenwijd open gezet. Het uitgangspunt is steeds helder: Op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. Daar blijft het echter niet bij. In een overzichtsarrest van 10 april 2015 wijst de Hoge Raad nog op (onder meer) een tweetal aspecten. Allereerst: De verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen geldt voorts ongeacht of de belanghebbende gebaat is bij het overleggen van de desbetreffende stukken of dat de belanghebbende is geschaad in zijn belangen indien deze stukken niet worden overgelegd (zie HR 23 mei 2014, nr. 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, BNB 2014/186). De verplichting staat in de wet, is duidelijk, en moet breed worden opgevat. Maar dan komt het: Indien een partij verzuimt te voldoen aan de verplichting om stukken over te leggen is het op grond van artikel 8:31 Awb aan de rechter om daaruit de gevolgtrekkingen te maken die hem geraden voorkomen. Dit voorschrift staat toe dat de rechter onder omstandigheden de gevolgtrekking maakt dat voorbijgegaan moet worden aan dit verzuim (zie HR 14 november 2014, nr. 12/05832, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46). De rechter mag geen toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8:31 Awb zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten (zie HR 3 april 2015, nr. 14/04129, ECLI:NL:HR:2015:740).

De rechter mag dus volstaan met de constatering dat de inspecteur zich niet van zijn verplichting heeft gekweten. In een arrest van 15 november 2019 zien we dit oordeel terug komen. Het niet verbinden van een gevolg aan het niet overleggen van stukken is niet onbegrijpelijk, ook al oordeelt het Hof dat hieruit wellicht zou kunnen blijken dat de inspecteur misbruik maakt van zijn bevoegdheden. Extra cru in deze zaak is dat het gaat om een informatiebeschikking en het eindoordeel is dat de belanghebbende informatie heeft te geven, daar waar het niet volledig informeren van de rechter door de inspecteur wordt gedoogd.

Twee maten? Je zou het haast denken. Ook overigens op het punt dat de Hoge Raad (zie eind citaat uit het arrest van 10 april 2015) de rechter opdraagt om ter zitting nadrukkelijk aan de orde te stellen dat hij voornemens is om wel gevolgen te verbinden aan het niet op juiste wijze voldoen aan de wettelijke verplichting om die stukken te overleggen ter zitting nadrukkelijk aan de orde te stellen. Eveneens op 10 april 2015 oordeelt de Hoge Raad dat uit de bijlage bij de uitnodiging om op zitting te komen duidelijk blijkt dat je getuigen mee kan nemen. Doet een belanghebbende ter zitting het verzoek getuigen te horen, dan is die bijlage bij de oproepingsplicht voldoende mededeling. Daaruit kon hij begrijpen dat hij de getuigen maar mee had moeten nemen en is de kous af. De mededeling in een brief is dus een voldoende kennisgeving en daaraan mag direct de consequentie worden verbonden die de rechter gerade acht, te weten de getuigen niet oproepen. Een wettelijke verplichting daarentegen os iets waar de inspecteur nog wel even op moet worden gewezen. Mogen we van onze inspecteurs niet verwachten dat ze hun wetboek ooit hebben doorgelezen? Staat er in de brief aan de inspecteur, waar hij in kennis wordt gesteld van een beroep en hem de gelegenheid wordt geboden zich te verweren, niet dat hij ook de stukken van het geding moet insturen?

Formele vereisten die worden gesteld aan een belanghebbende blijven bij niet naleving dus zelden zonder consequentie, een inspecteur moet eerst worden gewaarschuwd voor enige consequentie en die consequentie mag maar zelden ten koste gaan van de belastingheffing.

En de rechter dan?

15 november 2019 was een droeve middag als je kijkt naar de gevolgen die verbonden worden aan procedurele voorschriften. Hiervoor kwam het gedogen van het niet inbrengen van een volledig dossier al aan de orde. Van de zes arresten die te scharen zijn onder het formeel belastingrecht waren er nog twee die zien op ‘vormverzuimen’.

Allereerst het verzuim de cautie te geven: Verzuimt de rechter de cautie te geven, dan blijft dat zonder gevolgen als de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Dan nog het vergeten in te gaan op een cassatiemiddel: Beetje jammer, maar geeft niet, doen we alsnog: artikel 81, lid 1, RO.

Conclusie

De uitzending van Zembla stelt de vraag of het door de Hoge Raad uitgezette ‘beleid’ van het gedogen van vormfouten niet te ver is doorgeslagen. Als een zaak niet meer stuk gaat op bewust gemaakte fouten, dan zou er toch een premie staan op liegen en bedriegen? Een terechte vraag in mijn ogen, zoals ik schets met voorbeelden, ook in het belastingrecht. Te vaak wordt een belastingplichtige het bos in gestuurd op grond van formele procesregels, te vaak worden verzuimen van een inspecteur bedekt onder de mantel der liefde. Beide deugt niet. Een procedure van een belastingplichtige moet niet te snel sneuvelen op formele gronden, een inspecteur moet het niet voldoen aan regels vaker ook echt voelen door zijn procedure op die grond te verliezen. In ieder geval mogen de sancties bij partijen die in hun procedure gelijk horen te worden behandeld, niet ongelijk uit te pakken. Natuurlijk zijn het onvergelijkbare grootheden die ik aanhaal, natuurlijk kan ik ook verzinnen waarin de verschillen zitten en dat de Awb nou eenmaal soms wel en soms niet consequenties aan handelen verbindt. Een te groot verschil is echter niet uit te leggen. Een te groot verschil draagt ook bij aan een verharding van het debat, welke verharding belastingadviseurs inspecteurs verwijten en inspecteurs adviseurs en laatstelijk ook fiscaal advocaten. Bovendien, en zeker niet onbelangrijk, draagt het afstraffen van fouten bij de overheid bij aan de acceptatie dat zij nog immer magistraten zijn.

Een af te leggen verhoor bij de FIOD, deel II: Hoe ga ik verklaren, met respect voor mijn vertrouwensfunctie?

De druk op adviseurs in het strafrecht neemt toe. ‘Witteboorden en hun facilitators komen er te makkelijk vanaf.’ Ik schreef over nut en risico van verklaren in voorgaand blog. De uitnodiging om een verklaring af te leggen noopt tot een heel aantal lastige afwegingen. Na deel 1 waarin de vraag aan bod kwam of je zou moeten verklaren, deel 2: Hoe ga ik verklaren?

De bereidheid te verklaren

De afweging of het afleggen van een verklaring meer voordelen biedt dan nadelen, waarover het 1e deel van dit blog ging, is gemaakt. Informatie is ingewonnen, min of meer is duidelijk wat de FIOD wil en in ieder geval of je (vooralsnog) bent aangemerkt als getuige of (al direct) als verdachte. En dan?

Een verklaring afleggen: advocaat inschakelen!

Indien wordt besloten een verklaring af te leggen, zou ik immer een advocaat in de arm nemen. FIOD-ambtenaren zijn bedreven in het afnemen van verhoren. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik eigenlijk wel respect heb voor de mate waarin ze goede inschattingen weten te maken van diegene die ze tegenover zich hebben en hoe ze diegene weten te bespelen. Uitlokken dat de getuige of verdachte kwaad wordt en ‘die domme ambtenaar’ wel even uitlegt hoe het in elkaar steekt, of juist erg paaien waardoor het opgevijzelde ego (te) praatgraag wordt. Vanwege hun ervaring en – in de regel – het volstrekte gebrek aan jouw ervaring hiermee, is het opheffen van de onevenwichtigheid wenselijk. Voorts leert de praktijk dat FIOD-ambtenaren vriendelijker zijn en blijven in aanwezigheid van een raadsman. En als het dan toch onvriendelijk wordt, is meestal de raadsman de gebeten hond. Om nog maar te zwijgen over het voordeel dat je je kan concentreren op de af te leggen verklaring. De raadsman ziet dan toe op ongewenste druk, herhalingen, speculatie, een ongewenste geleidelijke verschuiving van een getuigenverklaring naar verdachtenverklaring met de mogelijkheid van zelfincriminatie. En hij waakt over de juiste en volledige vastlegging van wat er wordt verklaard.

Ik ben nog nooit een bevestiging tegengekomen van de veel gehoorde mening dat het meenemen van een advocaat benadrukt dat er veel loos is. Ik ben nog nooit een bevestiging tegengekomen van de veel gehoorde mening dat het inschakelen van een advocaat wijst op schuld. Wel is vaak de gedachte bij de FIOD dat inschakeling van een advocaat leidt tot gebruikmaking van een zwijgrecht. En tot mijn spijt zijn er nog te veel advocaten die uit automatisme, niet uit zuivere strategische inschatting, inderdaad adviseren te zwijgen. Om die reden heeft het wel eens de schijn dat de FIOD liever niet ziet dat advocaten worden ingeschakeld.

Zeker omdat zwijgen of verklaren een zelfstandige afweging moet zijn, eventueel in overleg met de eigen cliënt, die in dat geval in de regel de hoofdverdachte is, kan dat geen reden zijn inschakeling van een advocaat achterwege te laten. Slechts om bij de keuze van een advocaat te zoeken naar iemand die bij je past.

Gehoord worden als getuige

Adviseurs hebben een vertrouwensfunctie. Die verhoudt zich gevoelsmatig slecht met het afleggen van een verklaring, of dat nou is als getuige, of als verdachte. De NOB schrijft in artikel 4 van het Reglement Beroepsuitoefening bijvoorbeeld geheimhouding voor en geeft in de toelichting bij dat artikel een aantal uitzonderingen weer. De 30 pagina dikke brochure van de NOB ‘Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht van de belastingadviseur’ zoomt nog dieper in en geeft minutieus de reikwijdte aan van de geheimhoudingsplicht.

Als getuige hoeft een adviseur geen verklaring af te leggen aan een ambtenaar. Hij kan dus ‘afdwingen’ dat het verhoor wordt afgenomen door de rechter-commissaris. Aangezien deze zijn taak echter weer kan mandateren aan de FIOD ambtenaar, is de vraag wat het recht om in eerste instantie te zwijgen oplevert. Een voordeel kan overigens zijn het recht op bijstand van een advocaat. De FIOD kan een advocaat weigeren bij het getuigenverhoor. Is het een verhoor door de rechter-commissaris, of door hem aan de FIOD gemandateerd, dan bestaat er wel recht op bijstand.

Kan verklaren de cliënt baten of schaden?

Als de af te leggen verklaring de cliënt kan schaden is het in het licht van zowel de verstandhouding met de cliënt, als de potentiële civiel- of tuchtrechtelijke aansprakelijkheid, in de regel verstandig gedwongen te worden tot spreken. Als de cliënt niet wil dat een verklaring wordt afgelegd, waarschijnlijk evenzeer.

Het verkrijgen van een mandaat van de rechter-commissaris om te verhoren is in de regel een formaliteit. Maar het kost wel tijd en moeite. Het kan dus goodwill creëren niet aan te sturen op dat traject. De reden dat in de regel wordt geadviseerd je te laten dwingen tot spreken is gelegen in de vertrouwensfunctie en de tuchtrechtelijke uitwerking van spreken waar zwijgen mogelijk was. Bij veel taken die een adviseur verricht, maakt hij gebruik van de hem toevertrouwde informatie om zijn dienst goed te verrichten. Als procesadvocaat gebruik ik veel vertrouwelijke informatie bij het opstellen van processtukken. Geheimhouding is dus geen automatisme, het is een afweging door de adviseur in het belang van de cliënt. Een strategische afweging, aldus, die heel vaak gebiedt vertrouwelijke gegevens te gebruiken en verstrekken. Bij het afleggen van een verklaring aan de FIOD kan die afweging hetzelfde zijn: de cliënt is gebaat bij de te geven uitleg! Bijvoorbeeld in de onderbouwing van het standpunt dat de cliënt volledig is afgegaan op het advies van de adviseur. Houd hierbij vanzelfsprekend wel in de gaten dat een verhoor zomaar van kleur kan verschieten en de cautie (het recht om te zwijgen), omdat je ineens verdachte bent geworden, snel is gegeven.

Fair play

De belastingkamer van de Hoge Raad heeft 23 september 2005 beslist ‘dat het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen beginsel van fair play zich ertegen verzet dat een inspecteur van zijn bevoegdheid ex artikel 47 AWR gebruik maakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden voorzover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren.[1] Fiscaal is hiermee een informeel verschoningsrecht erkend.

De (belasting)adviseur komt geen (algemeen) verschoningsrecht toe. In 1986 oordeelde de strafkamer van de Hoge Raad dat, gelet op onder meer het niet homogene karakter van de beroepsgroep en het ontbreken van een specifieke taak in het wettelijk systeem van de rechtshulpverlening, de belastingadviseur niet kan worden gerekend tot de specifiek genoemde groep van verschoningsgerechtigden.[2] Het fiscaal erkende informele verschoningsrecht lijkt daarmee strafrechtelijk van betrekkelijk weinig waarde te zijn.

Vertrouwelijkheid adviseur toch erkend?

Na het verschijnen van het arrest over het (ontbreken van een) verschoningsrecht van de belastingadviseur is zijn vertrouwelijke functie wel erkend in de Wwft: voor zover een belastingadviseur voor een cliënt werkzaamheden verricht betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, is de meldplicht niet op hem van toepassing.[3] Het hiervoor geciteerde arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad, van nagenoeg 20 jaar na het arrest van de strafkamer, erkent ook een verschoning die in lijn ligt van het belichten van de rechtspositie.

Hoewel een functionele verschoning zoals de advocaat die heeft een brug te ver is, heeft de materiële toets zoals die in de Wwft is aangelegd en door de belastingkamer van de Hoge Raad is omschreven ook strafrechtelijk betekenis. Waarom zou de FIOD wel ‘oneerlijk spel’ mogen spelen?

Dat betekent dat de adviseur afwegingen die hebben gespeeld bij de advisering niet hoeft prijs te geven. Overigens: Er dient alleen gevraagd te worden naar feiten uit eigen waarneming en een afweging is geen feit, maar eerder speculatie.

Mag de adviseur zijn cliënt in kennis stellen van zijn verhoor?

In artikel 23 Wwft is geregeld dat geen informatie over de melding van een ongebruikelijke transactie aan de cliënt mag worden gegeven. Artikel 126bb Sv kent een geheimhouding ter zake de inzet van bijzondere opsporingsmethoden in het strafrecht. Op de uitnodiging een verklaring af te leggen ziet deze bepaling niet. Artikel 67 AWR regelt de geheimhouding in fiscale zaken. Inspecteurs bepleiten dat op basis van deze bepaling een ‘tipping-off verbod’ geldt bij derdenonderzoeken. FIODambtenaren willen weleens suggereren dat de adviseur zijn cliënt niet in kennis mag stellen van de ontvangen uitnodiging.

Een wettelijk verbod om de cliënt in te lichten is er niet. Ervan uitgaande dat de FIOD zich voor zo’n verbod zou willen baseren op de uitleg die de inspectie menigmaal aan artikel 67 AWR geeft, wijs ik onder andere op de opinie van prof. mr. De Bont in het NTFR van 28 maart 2019. In deze opinie fileert hij overtuigend de niet-bestaande geheimhoudingsplicht van de adviseur jegens zijn cliënt.

Los hiervan zou de FIOD moeten bedenken dat het uitermate onverstandig is om een vertrouwenspersoon geen overleg met zijn cliënt toe te staan. Zonder dat overleg is hij al snel genoodzaakt waar mogelijk te zwijgen en waar niet mogelijk met de handrem erop te verklaren. Niet erg bevorderlijk voor een zinvol verhoor en het op te maken proces-verbaal. Overleg met de cliënt voorafgaand aan het verhoor is dus niet alleen niet verboden, het is noodzaak.

Gehoord worden als verdachte

Zijn de afwegingen bij een verhoor als verdachte wezenlijk anders? Ik zou menen van niet. Alhoewel ik bij een verdachte wel attenter ben op de plek waar wordt verhoord. Vindt het verhoor niet plaats bij de FIOD, maar op een politiebureau, dan is de kans op afname van vingerafdrukken, het maken van foto’s, zelfs het mogen overnachten, aanmerkelijk groter.

Aan de andere kant, als ze er echt op uit zijn om iemand te verhoren, dan was er waarschijnlijk geen uitnodiging verstuurd, dan was je gewoon redelijk vroeg op de dinsdagmorgen uit bed getild. Dat dat niet is gebeurd, is de eerste geruststellende gedachte.

Discussie over het recht op geheimhouding hoeft niet meer te worden gevoerd, want er bestaat een hard zwijgrecht. Dat gezegd, blijft de primaire afweging of het verstandig is om een aantal zaken toe te lichten. Wel merk ik nog op dat het moeilijk blijkt weer over te gaan tot zwijgen als er eenmaal is gesproken en dat het selectief beantwoorden van bepaalde vragen is af te raden. Of zwijgen, of verklaren, anders wordt het een drama.

Conclusie

Indien op basis van een gedegen afweging wordt besloten een verklaring af te leggen in het kader van een FIOD onderzoek, schakel dan een raadsman in. Wees je als adviseur bewust van de geheimhoudingsplicht jegens de cliënt, maar besef dat met hem gemaakte afwegingen ook in een verhoor niet kenbaar hoeven te worden gemaakt. Overleg met de cliënt, de vermoedelijke hoofdverdachte, mag niet alleen, het is een noodzakelijke voorwaarde voordat wordt verklaard.

mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 


[1] Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3140.

[2] Hoge Raad 6 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB9405, NJ 1986, 814.

[3] Artikel 1a, vijfde lid, Wwft.

Verhoor adviseur bij de FIOD, deel I: Ga ik verklaren? Zwijgen is niet altijd goud …

Vergis ik me niet, dan worden adviseurs steeds vaker uitgenodigd om een verklaring af te leggen bij de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De uitnodiging noopt tot een heel aantal lastige afwegingen. Dit blog, in twee delen, helpt hopelijk bij het maken van die afweging. Deel 1: ga ik verklaren? In deel 2 komt ‘hoe’ te verklaren aan bod.

De uitnodiging om een verklaring af te leggen

De FIOD bereidt verhoren goed voor. In de regel is een uitvoerige vragenlijst van tevoren opgesteld en hoeven alleen de antwoorden te worden ingevuld. Uitzonderingen daargelaten komt dit omdat de FIOD tegen de tijd dat verhoren plaats hebben al uitvoerig onderzoek heeft gedaan. Veelal is de hele administratie een paar maanden eerder opgehaald, of van de belastingdienst gekregen die een lopend boekenonderzoek in stilte heeft overgedragen.

De uitnodiging om langs te komen bij de FIOD is, afgezet tegen de mate van voorbereiding, opmerkelijk summier: weinig meer dan een tijdstip en in een paar woorden waarom het te doen is. Over het algemeen meldt de brief wel dat het om een getuigenverhoor gaat, dan wel dat de genodigde is aangemerkt als verdachte. De scheidslijn daartussen is echter dun en zeker (op dat moment) niet in beton gegoten.

Wat doe je? Ga je of niet? Leg je een verklaring af of niet? Bespreek je de uitnodiging met je cliënt of niet? Neem je een advocaat mee?

De FIOD: het zijn net mensen

De summiere uitnodiging biedt geen aanknopingspunt voor het maken van inschattingen. Iedereen die wordt gevraagd langs te komen wil, al is het maar voor de eigen gemoedsrust, een beeld hebben van wat hem of haar te wachten staat. Vaak is het enige dat je weet dat er eerder maatregelen door de FIOD en het OM ter opbouw van hun dossier zijn getroffen.

Bellen met de ambtenaar die de brief heeft geschreven is niet alleen de meest logische reactie, het levert meestal ook nuttige informatie op. Het is namelijk mijn ervaring dat de terughoudendheid van de FIOD ambtenaar om telefonisch in gesprek te gaan behoorlijk meevalt. Dus ook over datum, tijdstip, aanwezigheid raadsman, het vooraf verstrekken van stukken ter voorbereiding, hoe lang het gaat duren, zelfs over de ingeschatte beladenheid van het verhoor, kan vooraf contact worden opgenomen. En als er reden is om geen antwoord te geven, dan hoor je dat vanzelf, vaak zelfs met uitleg waarom. En ook dat is verhelderend.

Het voornaamste dat je je moet afvragen is of je als genodigde zelf moet bellen, of dat je het aan een kantoorgenoot overlaat, of liever aan een in te schakelen advocaat. De afweging hangt natuurlijk af van hoe goed je de eerste inschattingen kan maken. Bij twijfel zou ik nooit zelf bellen. Direct een advocaat inschakelen kan, maar is niet altijd nodig. Op het misverstand dat inschakelen van een advocaat contraproductief is kom ik in deel 2 van dit blog over een aantal weken terug.

Waartoe dient het verhoor?

Ik begin even met een open deur: het verhoor dient ertoe duidelijkheid te krijgen in het strafrechtelijk onderzoek. Waarheidsvinding. Beoogd wordt voor openstaande vragen een antwoord schriftelijk vastgelegd te krijgen. Het proces-verbaal van het verhoor is een bewijsstuk in het uiteindelijke dossier. Veelal gaat het om het afkaarten van losse puntjes. De meeste conclusies zijn op basis van de in het voorafgaande onderzoek aangetroffen stukken al getrokken, vaak onontkoombaar. Stukken zijn in de regel harder bewijs dan een verklaring.

Het uiteindelijke nut van een verhoor, de toegevoegde waarde voor welke partij dan ook, hangt allereerst af van de bereidheid van de getuige of verdachte om antwoord te geven. Een hele dag een beroep doen op een zwijgrecht kan nodig zijn, echt toegevoegde waarde creëert het meestal niet. De bereidheid om te verklaren hangt af van veel aspecten waarbij natuurlijk een belangrijke factor, zo niet de belangrijkste, is het (vooraf) kunnen maken van inschattingen over wat de FIOD concreet verwijt en wat de eigen rol daarin is. En hoe duidelijk een en ander is. Voorts, niet alleen bij de FIOD, kan enige voorbereiding bij de adviseur helpen bij het concreet en duidelijk antwoord kunnen geven. Een voortdurend ‘het staat me niet exact meer bij’ kan het juiste antwoord zijn op de gestelde vraag, het helpt het onderzoek weinig verder. En soms is het zinvol daar wel een bijdrage aan te geven.

De bereidheid te verklaren

Het strafrechtelijk onderzoek dient de waarheidsvinding. De cliënt, maar ook de adviseur, kan gediend zijn bij het ondersteunen van die waarheidsvinding. Niet elke verdenking is terecht, niet elke fout opzettelijk begaan, nagenoeg altijd ligt het genuanceerder en inkleuring biedt ruimte voor begrip.

Laat ik het maar direct zeggen: ik ben geen grote voorstander van een automatisch (en te gemakkelijk) beroep op het zwijgrecht. In sommige gevallen is het (voorlopig) een goede strategie, maar er zijn veel situaties denkbaar waar het zwijgrecht repercussies krijgt. Het lijkt zelfs of die toenemen en openlijker worden toegegeven. Zie hiervoor ook het blog van mijn kantoorgenote Helwegen van 19 januari 2017, waarin zij de risico’s van zwijgen beschrijft. ‘Zwijgen kan niet tegen je worden gebruikt’ is een te simpel en ook achterhaald standpunt. Kies je bewust en afgewogen voor een beroep op het zwijgrecht, al is het maar voorlopig, dan zou ik wel altijd expliciet maken waarom. Bedenk ook dat de kans op afname van vingerafdrukken, het maken van foto’s, zelfs het mogen overnachten, bij zwijgen aanmerkelijk groter is. Vergeet in dat geval dus niet uw identiteitskaart, tandenborstel en schoon ondergoed mee te nemen.

Zwijgen omdat het mag/kan volstaat niet. Wel: omdat ik onder druk wordt gezet; omdat ik heb gevraagd mij te informeren maar jullie mij geen enkel aanknopingspunt hebben gegeven; omdat jullie alles wat ik zeg verdraaien dan wel in twijfel trekken; omdat jullie mij geen raadsman toestaan. Zowel een duidelijk door een raadsman strikt geredigeerde als een maanden later afgelegde verklaring doet afbreuk aan de geloofwaardigheid. Zo schetste Hof Amsterdam in een uitspraak van 18 december 2015 het toetsingskader bij witwassen.[1] Volgens het Hof heeft de zittingsrechter een aantal stappen te doorlopen. Als voldoende aannemelijk is dat zonder meer sprake is van witwassen, dient de zittingsrechter een eventuele alternatieve verklaring van de verdachte voor de herkomst te onderzoeken. Het Hof geeft hierbij aan: ‘Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.’ Anders gezegd: hoe vroeger je verklaart, hoe eerder je tegenwicht geeft, hoe geloofwaardiger je bent.

Stroomschema / handleidingen

Afwegingen te over. Allereerst dient natuurlijk duidelijk te worden in welke hoedanigheid je wordt gehoord: als getuige of als verdachte. Een ander etiket, een andere set regels. Als verdachte heb je het recht over alles te zwijgen. Als getuige is er geen plicht om te spreken bij een verhoor door een FIOD ambtenaar. In dat stadium hoeft de vertrouwelijkheid dus niet te worden doorbroken. Pas bij verhoor door een rechter, of bij een door een rechter aan de FIOD gemandateerd verhoor (en dat is in eerste instantie nagenoeg nooit zo) ontstaat pas de verplichting om te antwoorden. Het eenvoudige stroomschema voor als een toezichthouder aan de deur staat biedt ook bij een uitnodiging om een verklaring af te leggen antwoord op een heel aantal vragen en inzicht in welke zaken vooraf helder moeten worden. De handleidingen op onze website geven een goed overzicht van rechten en plichten .

Is een inschatting te maken?

Als op basis van een eerder (afgebroken) boekenonderzoek, of op basis van op voorhand verstrekte stukken, dan wel anderszins, een redelijke inschatting is te maken waar de FIOD op uit is, wat ze (toch al) weten en waar de risico’s en kansen liggen bij een af te geven verklaring, is het de overweging waard een verklaring af te leggen. Neem hierbij wel de verhoortips in acht! Voor de minder stoïcijns aangelegde genodigde kan natuurlijk voordien veel worden doorgesproken, bijvoorbeeld met een advocaat. Ook bestaat de mogelijkheid een heuse verhoortraining te doorlopen, bijvoorbeeld bij (het van ons onafhankelijke) Fendere Legal.

Is de inschatting of de voordelen van het afgeven van een verklaring groter zijn dan de nadelen niet te maken, laat dan een advocaat je dan zeer stellig adviseren (nog) geen verklaring af te leggen. Geef de FIOD aan dat je dus geen verklaring aflegt op uitdrukkelijk advies, waarom dat advies is gegeven en dat dit vermoedelijk anders komt te liggen als (bijvoorbeeld) openheid wordt gegeven over het onderzoek. Bijvoorbeeld door verstrekking van het aanvangsproces-verbaal en andere op dat moment al beschikbare stukken.

Conclusie

Adviseurs worden steeds vaker betrokken in het opsporingsonderzoek naar vermeende belastingfraude. Hoe om te gaan met het al dan niet afleggen van een verklaring? Het maken van een goede afweging of er niet gewoon een verklaring kan worden afgelegd die helpt, is daarbij noodzaak. Zwijgen of halfslachtig verklaren is soms weliswaar een recht, maar wel een recht dat forse repercussies kan hebben. De uitnodiging om een verklaring af te leggen dient dus aanzet te zijn tot het verkrijgen van informatie over het lopende strafrechtelijk onderzoek. En tot een verdieping in de rechten en plichten, de kansen en risico’s, en wellicht zelfs de eigen karakterstructuur.

mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 


[1] Gerechtshof Amsterdam 18 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5279.


Over boeven, schorem, en het geteisem dat ze bijstaat

Belastingontduiking moet te vuur en te zwaard worden bestreden. Steeds meer informatie moet standaard worden verstrekt. Rechtsmisbruik moet hard worden bestraft. Belastingadviseurs, die dan opeens in mooi Nederlands facilitators gaan heten, moeten publiekelijk aan de schandpaal. En ondertussen blijven ‘we’ het belastingrecht ingewikkeld houden en ingewikkelder maken, omdat elke keer wel weer een te bestrijden situatie die in dat specifieke geval ongewenst is tot wetswijziging noopt. Is het nog wel proportioneel adviseurs te verwijten dat ze het hele speelveld niet meer overzien en daarbij een fout maken?

Maatregel op maatregel

Belastingontduiking mag niet en boeven moeten worden bestraft. Weinigen zullen dat bestrijden. Kwaadwillende accountants, belastingadviseurs, en wat dies meer zij, mogen daarbij de dans niet ontspringen. Sterker nog, gelet op hun functie in de maatschappij en het vertrouwen dat wij in ze hebben maakt het hen extra verwijtbaar wanneer ze bewust de fout in gaan. Maar in die bewustheid zit hem nu juist een belangrijk deel van de crux. En is de constatering dat een enkeling de fout in gaat afdoende rechtvaardiging om nagenoeg eenieder te betrekken in de strijd tegen dat kwaad?

Op de golf van de publieke verontwaardiging over belastingfraudeurs en bedrijven die te weinig bijdragen aan de maatschappij wordt maatregel op maatregel gestapeld om belastingontduiking tegen te gaan:

  • Op de verbetering van de samenwerking tussen overheidsinstanties, medio 2014, is nauwelijks wat aan te merken, alhoewel best vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de ongebreidelde gegevensuitwisseling tussen allerhande overheidsorganisaties. Zeker als er geen maatregelen zijn om te controleren wat er is uitgewisseld en er geen mogelijkheid bestaat om het terug te draaien als de uitgewisselde informatie niet blijkt te kloppen;
  • Het in 2014 schrappen van rechtsbescherming bij de uitwisseling van informatie in internationaal verband ging het EU Hof gelukkig te ver;
  • Tegen de in januari 2017 aangekondigde inperking van het verschoningsrecht van advocaten (het wetsvoorstel is er nog niet, maar schijnt wel binnenkort te komen) is ook (onder meer Unierechtelijk) het nodige in te brengen;
  • Het aanleveren van adviezen over structurering, de zogenaamde ‘mandatory disclosure’, heeft de gemoederen flink beziggehouden.

En momenteel is het wetsvoorstel Openbaarmaking vergrijpboeten via het internet beschikbaar ter consultatie. Het wetsvoorstel is een uitvloeisel van de Panama maatregelen die de staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 17 januari 2017 aan de Tweede Kamer heeft aangekondigd om belastingontduiking aan te pakken. Het betreft een wetsvoorstel over de openbaarmaking van vergrijpboeten opgelegd aan deelnemers aan een beboetbaar feit (juridische beroepsbeoefenaren/adviseurs). Met het voorstel wordt (vooral) een preventieve werking beoogd.

Belastingontduiking

Belastingontduiking: het is zo’n makkelijk begrip. Althans, in elke aankondiging van bijvoorbeeld de staatssecretaris over verdergaande maatregelen ter bestrijding van belastingontduiking wordt gesuggereerd dat er een helder onderscheid is tussen het illegale belasting ontduiken en het legale belasting ontwijken. Alleen al de poging deze nuancering in een gesprek (en nu in dit blog) aan te brengen doet menigmaal de nodige wenkbrauwen fronsen. Wellicht ook nu bij menig lezer. Ook belastingontwijking is laakbaar, is dan kennelijk de gedachte. Op grond van de geldende regels zo min mogelijk belasting betalen is dan ineens net zo verfoeilijk geworden als fraude.

Niet dat ik de discussie heel vaak aanga, maar ik wil in zo’n gesprek nog wel eens vragen of iemand het huis waarin hij woont gekocht heeft. En zo ja, of hij de hypotheekrente die hij betaalt in mindering brengt op zijn inkomen. Het antwoord is natuurlijk ja, want dat mag, zo zijn de regels. Precies. En dan ben ik nog niet eens begonnen over de opbrengsten uit Airbnb en huizenruil… En zo zijn er nog honderden voorbeelden te bedenken dicht bij ieders huis. De meest ferme fronser heb ik hier niet mee overstag, maar het lijkt me duidelijk dat het gebruiken van de regels om de belastingdruk te verminderen gemeengoed is bij iedereen die aangifte doet van zijn inkomen. De grens tussen acceptabele en moreel verwerpelijke ontwijking zit ‘m in de nuance. En de grens tussen ontwijking en ontduiking is ook veel minder zwart-wit dan in zijn algemeenheid wordt aangenomen.

De complexiteit van regelgeving

Niemand heeft er moeite mee dat hypotheekrente wordt afgetrokken, ook al is het natuurlijk een vorm van belastingontwijking. En iedereen die gebruik maakt van dat aftrekrecht kent vanzelfsprekend de regels wanneer gebruik gemaakt kan worden van dat recht tot aftrek. Het criterium eigen huis, hoe moeilijk kan het zijn? Of toch niet? Eind 2017 meende de Raad van State dat de eigenwoningregeling, waaronder de hypotheekrenteaftrek, zodanig gecompliceerd is geworden dat zelfs in veel voorkomende situaties een deskundige moet worden ingeschakeld om er (nog) wijs uit te worden. Een foutje maken bij de toepassing van deze ogenschijnlijk simpele, maar door een opeenstapeling van wijzigingen gecompliceerd geworden regeling, is dus best snel gemaakt. En daarmee is de grens van ontwijking dus overschreden en is het ontduiking geworden. Gelukkig dan maar dat u de volgens de Raad van State noodzakelijke deskundige niet bent en dus volstrekt onwetend bent van de fouten die u in uw aangifte maakt. Of had u die deskundige in moeten schakelen en bent u door dat nalaten al verwijtbaar?

Belastingontwijking

En natuurlijk is niet alleen de eigenwoningregeling complex. Veel meer, zelfs puur nationale regelingen, zijn voor de breed georiënteerde belastingadviseur niet meer te volgen en zelfs voor de specialist niet duidelijk. En daar komt bij dat ook de maatschappelijke opvattingen veranderen en wellicht een rol spelen bij de uitleg van regelgeving. Het volgende citaat uit de uitspraak van Hof Amsterdam van 8 oktober 2015 geeft dit duidelijk aan:

“Gelet op de wettekst, de door belanghebbenden aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis en de op grond daarvan in de fiscale vakliteratuur verdedigde opvattingen, kan naar ’s Hofs oordeel niet worden gezegd dat belanghebbenden met hun structuur en hun aangiften, alsmede met de door hen vóór het opleggen van de aanslagen verstrekte informatie de grens naar strafwaardig handelen in de hiervoor bedoelde zin hebben overtreden; wat die informatieverstrekking betreft verwijst het Hof nog naar hetgeen is overwogen in 4.2.26 en 4.2.27 dat hier mutatis mutandis van toepassing is.

Bij zijn oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen dat in het maatschappelijk klimaat ten tijde van het opzetten en implementeren van de structuur en het doen van de aangiften, in de maatschappelijke kringen waarvan belanghebbenden en haar adviseurs deel uitmaakten structuren als de onderhavige als legaal en toelaatbaar werden beschouwd.”

In mijn blog van 9 augustus 2018 haalde ik al de discussie over het (niet) beantwoorden van een vraag in de aangifte Inkomstenbelasting aan als ander voorbeeld van een discussie over onjuistheden. Gerenommeerde auteurs onderschrijven de gehanteerde opvatting, maar een garantie tegen vervolging blijkt dat niet te zijn.

Wanneer ontwijking overgaat in ontduiking is vaak voor discussie vatbaar. En mochten deskundigen al menen dat iets in strijd is met de wet en er dus sprake is van ontduiking, dan zegt dat nog steeds weinig over de bewustheid van diegene die het onjuiste standpunt heeft ingenomen.

Openbaarmaking boeten

Het wetsvoorstel openbaarmaking boeten beoogt een preventieve werking te hebben. Dat oogmerk veronderstelt dat professionals bewust de fout in gaan. Iemand die meent op legale wijze zijn vak uit te oefenen zal immers niet ineens anders adviseren wetende dat beboeting van een onjuistheid publiekelijk wordt gemaakt.

Nog daargelaten dat ook bij grove schuld, dus op het moment dat bewustheid niet wordt verondersteld, de professionele boeteling aan de schandpaal moet, blijkt in de praktijk dat ook het onderscheidend karakter van ‘opzet’ veel minder groot is dan je bij dit soort regels zou willen. Onder opzet valt bijvoorbeeld ook voorwaardelijk opzet. Bij voorwaardelijk opzet had je beter moeten weten. De preventieve werking voor de professional die zich niet bewust is, maar beter had moeten weten, is vanzelfsprekend evenzeer nihil. En dan heb ik het nog niet over de gevallen waar in mijn ogen te gemakkelijk achteraf wordt gezegd dat iemand het gevolg heeft gekend en heeft gewild.

Anders gezegd: ik moet de eerste adviseur die mij bij een verwijt van opzet toevertrouwt dat hij de gok gewaagd heeft nog tegenkomen. Heel cynisch gezegd is het meer een kwestie van toevallig een keer aan de beurt komen, dan van willens en wetens fout adviseren.

En rechtvaardigt dat pek en veren?

‘Naming and shaming’ van het kantoor

Louter de naam van de professional bekend maken gaat – kennelijk – het wetsvoorstel Openbaarmaking boeten niet ver genoeg. Naast bekendmaking van de naam van de professional (als hoofdregel, dus niets eens onder bepaalde voorwaarden of in specifieke gevallen), geeft de toelichting op het voorstel aan dat ook de kantoornaam onderdeel uitmaakt van de bekendmaking:

De openbaar te maken gegevens betreffen de naam van de overtreder, het kantoor waaraan de overtreder is verbonden en het vestigingsadres van het kantoor. Openbaarmaking vindt plaats door het plaatsen van een bericht op de website van de Belastingdienst.

Tussen ‘daad’ en het onherroepelijk worden van een boete ligt al snel een periode van 5 à 10 jaar. Aannemende dat het gebruik in de toelichting van de tegenwoordige tijd bewust is gehanteerd, wordt de kantoornaam gepubliceerd waar de boeteling op dat moment werkzaam is. Gelet op het tijdsverloop kan dat zeer gemakkelijk een ander kantoor zijn dan waar de verweten gedraging heeft plaats gehad. Het wetsvoorstel geeft blijk van het besef dat publicatie vergaande gevolgen kan hebben voor de overtreder. Geen rekenschap geeft het echter van de gevolgen voor een kantoor. Een kantoor dat heel wel niets met de verweten gedraging van doen heeft gehad en zich bovendien in beginsel niet tegen de openbaarmaking kan verzetten.

Hoewel ik het idee achter het voorstel nog wel snap, lijken de consequenties onvoldoende doordacht.

Conclusie

De strijd tegen belastingontduiking gaat almaar verder. De maatregelen volgen elkaar op. De repressieve maatregelen drijven echter wel op de gedachte dat er een duidelijk onderscheid is tussen belastingontduiking en belastingontwijking. En dat als er sprake is van ontduiking, de fout al snel bewust is gemaakt. Beide is niet waar, althans naïef. Publicatie van de kantoornaam is bovendien ondoordacht. De wetgever zou er beter aan doen echt werk te maken van de door velen uitgesproken wens tot simpeler regelgeving.

mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 

Strafvervolging belastingadviseur mogelijk voor onbeantwoorde informatieve vraag in aangifte IB?

Het Functioneel Parket bij het Openbaar Ministerie is voornemens belastingadviseurs en/of de betrokken kantoren strafrechtelijk te vervolgen voor het niet beantwoorden van een vraag in de aangifte inkomstenbelasting. Ongeacht of daar nou enig fiscaal nadeel uit is voortgevloeid. De Belastingdienst moet gewoon juist worden voorgelicht! Kan dat wel? Bestaat er een verplichting om informatieve vragen te beantwoorden? Noopt de ‘trustvraag’ in de aangifte inkomstenbelasting altijd tot het geven van het door de Belastingdienst gewenste antwoord? Ik meen van niet.

Het verstrekken van informatie

De inspecteur heeft niet voor niets een ruimhartige bevoegdheid om informatie en stukken op te vragen bij belastingplichtigen en derden, zo schreef ik in mijn vorige blog ‘Het verstrekken van bankafschriften buitenlandse bankrekening’. Maar ziet die ruimhartige bevoegdheid ook op informatie die niet relevant is voor het bepalen van de hoogte van de te betalen belasting? En is dat anders als de vragen al in de aangifte zijn gesteld in plaats van in een aparte brief?

In de AWR staan de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing in een aparte afdeling opgenomen. In artikel 47 is de verplichting opgenomen om desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Vrij vertaald: er moet een belang zijn voor de berekening van de hoogte van de te betalen belasting en het moet voor de eigen belastingheffing van belang zijn. Is de relatie niet te leggen tussen de vraag en deze belangen, dan mag de vraag wellicht nog wel gesteld worden, maar behoeft er geen antwoord te worden gegeven.

Artikel 53 breidt voor administratieplichtigen de verplichting uit tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen over derden. De belastingadviseur kan op die basis om informatie worden gevraagd over cliënten.

Vragen in de aangifte

Apart van de hiervoor beschreven verplichtingen is in de artikelen 7 en 8 AWR verordonneerd dat ook in aangiften om informatie kan worden gevraagd en er een gehoudenheid bestaat die vragen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te beantwoorden. In artikel 7 staat verwoord dat het moet gaan om gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.

Hoewel de bewoordingen in de artikelen 7 en 8 wel afwijken van dat wat in de artikelen 47 en verder AWR is opgenomen, komt de strekking van de verplichting overeen.

Hoewel daar bij mijn weten geen jurisprudentie over is, is op basis van

  • de tekst van de wet;
  • het wettelijke onderscheid tussen informatie over zichzelf of over derden;
  • de wel aanwezige jurisprudentie over de artikelen 47 en 53 AWR; en
  • de elementaire logica,

wel een duidelijke beperking aan te leggen wat voor vragen in een aangifte gesteld mogen worden en wanneer die vragen daadwerkelijk beantwoord moeten worden.

In de hierna volgende uitwerking spits ik mij toe op de trustvraag in de aangifte inkomstenbelasting.

De trustvraag

In 2010 is ingevoerd dat ‘zwevend vermogen’ in aanmerking wordt genomen bij diegene die vermogen in een trust heeft ingebracht. Maar ook al in de jaren daarvoor kan betrokkenheid bij een trust in een bepaalde vorm met zich meebrengen dat het vermogen van die trust in het box III in aanmerking moet worden genomen. Onderstaande vraag, hier in de versie van 2004, kan dus in sommige gevallen relevant zijn voor de heffing van inkomstenbelasting.

De meest voor de hand liggende uitleg bij het bepalen wanneer de vraag instemmend moet worden beantwoord, oftewel de vraag wanneer er sprake is van betrokkenheid, is door de vraag als volgt te lezen: “Is uw betrokkenheid bij een trust van belang voor de vaststelling van de objectieve belastingplicht in de inkomstenbelastingheffing?”[1]

Uit de gegeven toelichting bij de vraag kan echter worden opgemaakt dat de strekking veel breder is. Volgens de toelichting is immers in de navolgende gevallen (al) sprake van ‘betrokkenheid’:

Duidelijk is dat in een heel aantal gevallen waarin op basis van de toelichting de vraag positief zou moeten worden beantwoord, die ‘betrokkenheid’ irrelevant is voor de belastingheffing van degene waar de betreffende aangifte op ziet.

De waarde van de toelichting

Volgens vaste jurisprudentie kan de toelichting op de aangifte geen vertrouwen wekken. U mag er niet vanuit gaan dat de toelichting klopt, evenals u er niet vanuit mag gaan dat de informatie die de website van de Belastingdienst te bieden heeft juist is. Anders gezegd: de toelichting is ook maar een opvatting. Uit de toelichting kunnen geen rechten voor de inspecteur geschapen worden, die de wetgever niet in het leven heeft geroepen.

Sterker nog: ditzelfde criterium kan ook worden losgelaten op de vraag zelf. Vragen waarvan het antwoord voor de heffing van de belasting niet van belang kan zijn, worden in ieder geval niet gesteld op grond van de in artikel 7 AWR geboden wettelijke grondslag en hoeven om deze reden dan ook niet op grond van artikel 8 AWR duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden beantwoord. De toelichting op een vraag kan al helemaal geen verplichtingen scheppen, die hun grondslag niet vinden in de wet.

Via de aangifte inkomstenbelasting allerhande informatie opvragen is wellicht een voorstelbaar belang van de overheid. Bijvoorbeeld omdat die informatie om heel andere redenen dan de aanslag IB waar de aangifte op ziet, nuttig voor de Belastingdienst kan zijn. Maar dit is niet een belang waartoe bij wet de mogelijkheid is geschapen. In deze kritiek op het op deze wijze verzamelen van gegevens schaar ik mij in het gezelschap van de in de eerste voetnoot aangehaald prof. Boer en de ook door hem geciteerde prof. Zwemmer:[2]

“Al deze vragen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij gericht zijn op het verkrijgen van informatie (…). Zij geven geen informatie over het inkomen. (…). In mijn visie zijn dit derhalve vragen die in een aangifte inkomstenbelasting niet thuis horen en waarvan niet beantwoording niet kan leiden tot de constatering dat de vereiste aangifte niet is gedaan.”

De belastingheffing van derden

Duidelijk wordt uit de toelichting dat de vraag niet alleen in veel gevallen is bedoeld om geïnformeerd te raken (en bij een positief antwoord direct nader onderzoek te doen) over de aangifteplichtige zelf, maar ook over derden. Een heel aantal functies bij een trust worden immers aangemerkt als ‘betrokken’, terwijl evident is dat die betrokkenheid niet fiscaal relevant is voor de eigen heffing.

De aangifteplichtige voor de inkomstenbelasting is in zijn hoedanigheid van aangever nimmer een administratieplichtige. Informatie over derden kan niet worden gevraagd. Het zou ook niet logisch zijn om vragen over cliënten van een belastingadviseur te stellen in de aangifte van de belastingadviseur.

Ook de logica gebiedt dat de vragen in de aangifte zich moeten beperken tot de aangever, zo nodig tot de minderjarige kinderen en eventuele fiscaal partner. In de vraagstelling ligt deze beperking ook besloten. De taalkundige lezing van de verplichting, waar staat dat het moet gaan om de belasting, maakt ook duidelijk dat het moet gaan om de belasting waar de aangifte op ziet: de eigen inkomstenbelasting van de aangever. Niet op belasting waar andere aangiften wellicht op kunnen zien.

De heffing van eigen inkomstenbelasting

Volgens het Team Constructiebestrijding van de Belastingdienst, de FIOD en het Openbaar Ministerie is de trustvraag bedoeld om in ruim verband inzichtelijk te maken wat iemands relatie is met een trustvermogen. Via de informatie van de één, kan immers de juistheid van de opgaaf van de ander worden gecontroleerd. Ik snap die wens best, ik snap alleen niet waarin de wettelijke basis voor het afdwingen van het antwoord is gelegen.

Deze wens, dit belang, is immers niet een belang dat te relateren valt aan enige relevantie voor de belastingheffing van die aangever in dat jaar. De verplichting om de vraag positief te beantwoorden bestaat derhalve alleen in enig jaar dat de betrokkenheid ook consequenties heeft voor de grondslag van de belastingheffing. En ik besef mij terdege dat dit de vraag nagenoeg irrelevant maakt, want bij consequenties voor de heffing dient die consequentie immers ook in getallen tot uitdrukking te komen in de aangifte en is de vraag overbodig.

Veel vragen in de digitale aangifte hebben echter die uitwerking: pas bij het positief beantwoorden van een vraag kunnen de relevante getallen op de daartoe bestemde plek worden ingevuld.

Onderzoek constructiebestrijding

Het Team Constructiebestrijding van de Belastingdienst heeft onderzoek gedaan naar SPF’s (een Curaçaose trustachtige) die vlak voor de invoering van de transparantiewetgeving in 2010 zijn geliquideerd. Door deze wetgeving wordt zwevend vermogen, dat voordien niet kon worden toegerekend, toegerekend en zodoende wel in de heffing betrokken. Dit onderzoek heeft een heel aantal dossiers opgeleverd waar discussie is over de vraag of de SPF wel daadwerkelijk irrevocable en discretionary is, of dat de feiten en omstandigheden uitwijzen dat een belastingplichtige toch over het vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

Recente uitspraken wijzen uit dat de Belastingdienst het maar moeilijk heeft met het voldoende aannemelijk maken dat er sprake is van beschikkingsmacht bij diegene aan wie een aanslag is opgelegd.[3] Duidelijk is daarmee in ieder geval dat een discussie over de juistheid van de heffing (ook) feitelijk is, voor discussie vatbaar is en lastig is in te schatten. Reden genoeg, zou je zeggen, om er strafrechtelijk de vingers niet aan te branden.

Vervolging belastingadviseurs

Niets is echter minder waar. Volgens het Openbaar Ministerie is het tijd om adviseurs duidelijk te maken dat ook informatieve vragen beantwoording behoeven. Dat ook betrokkenheid in de zin zoals omschreven in de toelichting reden is voor het positief beantwoorden van de trustvraag. Het belang van de vervolging zit niet in het feit dat de schatkist geld is tekort gekomen in het specifieke geval. Het verwijt is dat informatie is onthouden op basis waarvan de Belastingdienst onderzoek had willen doen en welke informatie ze nu op andere wijze hebben bemachtigd. Obstructie!

Om de norm (die in mijn ogen dus de onjuiste is) in te perken en publiekelijk duidelijk te maken, bestaat het voornemen een paar advieskantoren dan wel betrokken adviseurs te vervolgen voor de vermeend onjuiste interpretatie van ‘betrokkenheid bij een trust’. En de generale preventie gebiedt dan natuurlijk dat daarbij de publiciteit wordt gezocht. De consequentie voor dat ‘slachtoffer’ wordt ondergeschikt gemaakt aan de generale preventie die uit moet gaan van het hanteren van deze schandpaal.

Verwijtbaarheid versus pleitbaarheid

Ik meen stellig dat de trustvraag alleen positief moet worden beantwoord indien de financiële beslommeringen van die trust waarbij betrokkenheid bestaat ook gevolgen heeft voor de heffing van de aangifteplichtige in het betreffende jaar. Zo dit standpunt niet juist is, is het pleitbaar. Ondanks een paar aanwijzingen voor het tegendeel in de jurisprudentie. In de uitleiding van het genoemde artikel van Boer verwoordt hij het zo:

De belastingplichtige die weliswaar een relatie heeft tot een trust, maar het pleitbare standpunt inneemt dat vanwege het gebrek aan belang voor de inkomstenbelastingheffing de vraag in elk geval niet met “ja” dient te worden beantwoord, kan niet anders dan “nee” kiezen. Het zou echter onredelijk zijn om de belastingplichtige hieromtrent een verwijt te maken, omdat het aangiftebiljet zelf een nadere toelichting onmogelijk maakt.

FIOD en OM menen dat er zelfs geen sprake is van pleitbaarheid in dit soort gevallen. Ze moeten ook wel, want anders zou de handdoek vanzelfsprekend in de ring moeten worden geworpen.

Pleitbaarheid wordt inmiddels objectief uitgelegd. Dat wil echter nog niet zeggen dat hetgeen een adviseur voor ogen stond, subjectief, geen rol meer speelt. De subjectieve visie van de belastingadviseur zegt immers nog steeds iets over zijn willen en weten en of er sprake is van opzet. Of de – uitgaande van de opvatting dat er zelfs geen sprake is van pleitbaarheid – in dat geval onjuiste subjectieve opvattingen van de belastingadviseur voldoen aan het criterium van de maatman, de redelijk denkende adviseur, hangt deels af van de opvattingen van andere adviseurs.

Oproep tot bundeling van krachten

Het lijkt mij verstandig dat belastingadviseurs die de trustvraag onbeantwoord hebben gelaten op basis van de ook door mij aangehangen uitleg hun krachten bundelen. Ik roep om die reden via dit wellicht daartoe wat eigenaardige medium adviseurs op zich (desgewenst in eerste instantie anoniem) te melden, alsmede advocaten die betrokken zijn bij lopende FIOD onderzoeken. Wellicht kunnen we in gezamenlijkheid het Openbaar Ministerie op andere gedachten brengen. Gelijk krijgen bij de rechter is immers leuk, maar bij publiciteit is de reputatie van het betrokken kantoor en de adviseur al veel schade aangedaan.

Conclusie

De trustvraag ligt al lang en redelijk uitgesproken onder kritiek. Er bestaat geen recht op informatie, anders dan bij een heffingsbelang. Op basis van een onjuiste analyse van welke vragen in een aangifte mogen worden gesteld en welke beantwoording kan worden afgedwongen, dreigt vervolging door het Openbaar Ministerie van het vermeend onjuist beantwoorden van de trustvraag. Met publiciteit, omdat het de beroepsgroep maar duidelijk moet worden; ‘naming and shaming’ in optima forma. Wellicht dat, zo niet juist, de gangbaarheid van de opvattingen binnen de beroepsgroep het tij nog kan keren.

Mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 

[1] Zie bijvoorbeeld ook J.P. Boer, “Aangiftebiljet bewust(e) v(r)aag over trusts”, WFR 2005/1301.

[2] J.W. Zwemmer, “Steeds meer vragen in de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/vermogensbelasting en vennootschapsbelasting”, FED 1986/838, blz. 2621.

[3] Rechtbank Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4990; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3621; Rechtbank Gelderland 5 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2477.

 

Het verstrekken van bankafschriften buitenlandse bankrekening

Aanslagen moeten gebaseerd zijn op feiten. Feiten behoeven bewijs en in de fiscaliteit is bewijs vaak een schriftelijk stuk. Niet voor niets heeft de inspecteur een ruimhartige bevoegdheid om informatie en stukken op te vragen bij belastingplichtigen en derden. Maar wat nou als die stukken er niet zijn? Een ieder is gehouden om de inspecteur desgevraagd te informeren, mits het relevant kan zijn voor de belastingheffing. Privé is het niet verplicht om een administratie bij te houden of te bewaren, dus de gevraagde informatie kan er niet (meer) zijn. Maar stel nu dat de inspecteur die wel wil hebben, hoever gaat dan de plicht om deze informatie (nogmaals) te bemachtigen?

Beschikken, dan wel kunnen beschikken

Uitgangspunt bij het verstrekken van informatie aan de inspecteur is vanzelfsprekend dat er geen verplichting bestaat om inlichtingen te verstrekken waarover iemand niet beschikt en ook niet kan beschikken. Er bestaat geen plicht iets te fabriceren wat er niet is, ook al kan dat nog zo dienstig zijn aan het onderzoek van de inspecteur. Bij twijfel aan de betrouwbaarheid van de informatie, omdat manipulatie mogelijk is, is druk uitoefenen op verstrekking ook al snel uit den boze. Zoals het criterium ‘niet kunnen beschikken’ impliceert, bestaat er wel een zekere inspanningsverplichting om stukken te bemachtigen. Het ‘niet beschikken’ is daarmee vooral een praktisch en geen formeel criterium. Op 10 februari 2017 bevestigde de Hoge Raad nog het uitgangspunt van het Hof dat de informatieverplichting meebrengt dat stukken die een derde heeft en ter beschikking van de belastingplichtige heeft gesteld, aan de inspecteur moeten worden aangeleverd, onafhankelijk van de vraag of die derde daar toestemming voor geeft:[1]

Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor in onderdeel 2.3.1 weergegeven oordeel, wordt vooropgesteld dat de strekking van de in artikel 47, lid 1, letters a en b, AWR opgenomen verplichtingen meebrengt dat degene aan wie een in deze bepaling bedoeld verzoek is gedaan en die toegang heeft tot (de inhoud van) door een derde ter beschikking gestelde gegevensdragers, gehouden is bij het beantwoorden van de door de inspecteur gestelde vragen van die gegevensdragers gebruik te maken en deze, indien daarom is verzocht, voor raadpleging ter beschikking van de inspecteur te stellen, zonder de voldoening aan het verzoek afhankelijk te kunnen stellen van instemming door de derde die hem de gegevensdragers – al dan niet tijdelijk – ter beschikking heeft gesteld.

 Inspanningen getroosten

Een ieder heeft die inspanningen te getroosten die in redelijkheid van hem kunnen worden gevergd, om te verkrijgen waar hij niet over beschikt. Anders gezegd, je moet er wel wat moeite voor doen. Zo oordeelde de civiele kamer van Hof Arnhem-Leeuwarden op 3 november 2015, dat van de  belastingplichtige mag worden gevergd dat zij druk uitoefenen op de KB-Lux om alsnog informatie te verkrijgen, in elk geval door hun advocaat een sommatiebri

ef te laten versturen. Door de Staat was aannemelijk gemaakt dat de informatie mogelijk nog bestond. Bij de invulling van de norm wat (dan) kan worden gevergd, is kennelijk de (eerdere) opstelling van de belastingplichtige van belang:

Bij het antwoord op de vraag wat van [appellanten] verwacht mag worden stelt het hof voorop dat van [appellanten] enerzijds niet het onmogelijke mag worden verwacht, maar dat van hen anderzijds wel een forse inspanning mag worden gevergd om het materiaal toch te bemachtigen. Daarvoor is redengevend dat [appellanten] er al vanaf 2002 mee bekend zijn dat de belastingdienst informatie van hen wenst te ontvangen over het verloop en de saldi van (in elk geval) de rekening bij KB-Luxbank. Het hof acht aannemelijk dat [appellanten] in elk geval over enige informatie zouden hebben kunnen beschikken indien zij toen voortvarend op zoek zouden zijn gegaan naar die informatie. Nu zij dat klaarblijkelijk hebben nagelaten, mag van hen thans in redelijkheid het nodige worden gevergd om die informatie alsnog te verkrijgen.

Opvragen bankafschriften

Bij het verstrekken van informatie hebben bankafschriften altijd al een wat bijzondere rol ingenomen. Het verstrekken van bankgegevens heeft van oudsher behoord tot de categorie stukken die een belastingplichtige maar had te leveren. Daar speelde bij mee dat het voor de inspecteur een stuk lastiger was om deze stukken te bemachtigen. Zeker in landen met een strikt bankgeheim. De afweging wat in redelijkheid kan worden gevergd, leidt tot nog toe eigenlijk altijd tot de verplichting bankafschriften, althans informatie, te leveren.

Wat redelijk is, hangt echter niet alleen af van de mogelijkheden van de belastingplichtige. Het gaat ook om een redelijke verdeling van wat om welke reden van wie kan worden verlangd. Daarom spelen de mogelijkheden van de inspecteur in de afweging eveneens een rol. Zo blijkt ook uit de afloop van de hiervoor geciteerde civiele zaak. In de procedure over de informatiebeschikking die mede zag op verstrekking van bankgegevens bevestigde de Hoge Raad[2] recent de eerdere (gedeeltelijke) vernietiging door het Hof[3] van de informatiebeschikking om reden dat de bankgegevens (toch) niet (meer) beschikbaar waren.

In overweging 4.9 betrekt het Hof nadrukkelijk de mogelijkheid van de inspecteur zelf om informatie te vragen:

Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende, die meermalen en op verschillende wijzen de KB-lux en [C] om het verstrekken van bankafschriften heeft verzocht, en daarbij telkens als antwoord heeft gekregen dat de banken niet meer over deze gegevens beschikken, niet gehouden worden tot het verstrekken van inlichtingen waarover hij niet beschikt en evenmin kan beschikken (vgl. HR 25 januari 2002, nr. 36 063, ECLI:NL:HR:2002:AD8475). Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende niet de beschikking heeft en evenmin de beschikking kan krijgen over de gevraagde informatie. De Inspecteur heeft nagelaten zijn stelling dat belanghebbende wel over de gegevens kan beschikken, voldoende te onderbouwen. Hij had daartoe wel de mogelijkheid door bijvoorbeeld zelf aan [C] informatie te vragen over de beschikbaarheid van gegevens.

 Wat redelijk was is niet langer redelijk

Ik kan de rechtspraak best volgen in de gedachte dat een belastingplichtige best wel de nodige moeite mag doen. Ik snap zelfs de soms wat achterdochtige gedachte dat een gemachtigde van een belastingplichtige wel erg snel genoegen heeft genomen met de mededeling dat alles al is vernietigd. Zeker in het licht van de Zwitserse banken die heel snel aan belastingplichtigen informatie leverden ten behoeve van ‘inkeren’, maar niet aan informatiezoekende overheden vanwege het bankgeheim. Die situatie is echter inmiddels grondig anders geworden.

Het bankgeheim is niet meer wat het was; banken leveren inmiddels alle informatie uit en ook steeds vaker zelfs automatisch. Als er aanwijzingen zijn, kan de Staat eenvoudig zelf aan verlangde (ook buitenlandse) informatie van banken komen.

Daarnaast berekenen de banken flinke kosten voor het alsnog aanleveren van gevraagde informatie. De ‘kleine’ administratieve bijdrage die wordt gevraagd, is inmiddels al zo’n vijf- à zesduizend euro. Een dergelijke kostenpost valt – zeker bij een wanverhouding ten opzichte van het fiscaal belang – niet langer onder een redelijke inspanning.

 Conclusie

De tijden zijn veranderd. Het opvragen van bankafschriften is kostbaar geworden. Banken verstrekken minder gemakkelijk informatie aan (voormalige) cliënten, terwijl de inspecteur veel gemakkelijker zelf aan informatie kan komen. De Staatssecretaris roemt de informatie-uitwisseling en waarschuwt allen die nog steeds in het buitenland een verzwegen bankrekening aanhouden.

Onder die omstandigheden is het niet langer redelijk om van de belastingplichtige te vergen dat hij informatie aanlevert, waar de inspecteur ook zelf aan kan komen. Het uitgangspunt dat van de belastingplichtige wel de inspanning kan worden gevergd bankafschriften te verstrekken, moet daarom worden vervangen door het uitgangspunt dat de inspecteur minder gemakzuchtig moet zijn. Hij moet die informatie zelf vergaren in plaats van iemand anders voor zijn karretje te spannen.

 

Mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 

 

 

 

[1] Hoge Raad 10 februari 2017, nr. 16/01377, ECLI:NL:HR:2017:192, overweging 2.3.2.

[2] Hoge Raad 13 april 2018, nr. 17/04027, ECLI:NL:HR:2018:568

[3] Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2017, nr. 15/01235, ECLI:NL:GHARL:2017:5864

Termijnen, het lijkt zo eenvoudig.

Termijnen spelen in het recht, en in het belastingrecht al helemaal, een belangrijke rol. Zo opende ik ook voorgaande blog al. U zou kunnen denken dat vanwege dat belang alle vragen over wanneer een termijn aanvangt en, crucialer, eindigt, wel zijn uitgekristalliseerd. Niets is echter minder waar. Net even te laat bezwaar maken is in de meeste gevallen fataal. Bewijs van het niet ontvangen hebben van aanslagen ligt zelfs in veel gevallen bij de belastingplichtige. Gelukkig kan ook de inspecteur stevig in de problemen komen indien hij zich niet aan de voor hem geldende termijnen houdt. Of niet? [1]

man leaning over with head in oversized mailbox

In veel gevallen meen ik dat onze overheid het voor zichzelf wel heel goed heeft geregeld en verplichtingen vooral bij de burger heeft gelegd die zijn recht wil halen. Bovendien staat op nagenoeg elke verplichting van de burger een sanctie bij niet nakoming. Verplichtingen aan de zijde van de overheid, in de fiscaliteit meestal de inspecteur, zijn veel schaarser. En er staat zelden een sanctie op. Meten met twee maten, maar kennelijk is er geen sprake van gelijke monniken. Gelukkig heeft de wetgever wel oog gehad voor de ergernis over ambtelijke traagheid. De termijn om uitspraak te doen op fiscale bezwaarschriften is teruggebracht van een jaar naar in beginsel zes weken en overschrijding kan de inspecteur op een dwangsom komen te staan. Bovendien is er de mogelijkheid om beroep in te stellen zonder uitspraak. Tot slot kan echte traagheid, het doen van uitspraak meer dan een half jaar te laat € 500 aan immateriële schadevergoeding per halfjaar opleveren wegens spanning en frustratie. Ik beschrijf in dit blog enkele discussiepunten over het einde van de beslissingstermijn.

Verlenging van de beslissingstermijn

De termijn om uitspraak op bezwaar te doen is strikt geregeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht: 6 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Ik begin hier nu niet over complicaties die in voornoemde wettelijke formulering liggen besloten. Afgezien van verlenging van de termijn wegens verzuimen die aan het bezwaarschrift kleven, bestaat de mogelijkheid om de termijn met 6 weken te verdagen. Van beide verlengingen moet de inspecteur schriftelijk mededeling doen. Tot slot biedt de wet ook de mogelijkheid om de termijn op afspraak te verlengen.

De schriftelijke mededeling

Termijnen zijn er ten behoeve van de rechtszekerheid. Aan die zekerheid heeft iemand pas wat als hij op de hoogte raakt van veranderingen. Vandaar de verplichting voor de inspecteur om termijnverlengingen op schrift te stellen. Het ligt dan een beetje voor de hand dat de verlenging ook pas geldt vanaf het moment dat diegene die bezwaar heeft gemaakt kennis heeft genomen van de (reden tot) verlenging. In dit geval bedriegt de logica.

Of een stuk dat de belastingplichtige verzendt tijdig is, hangt af van de datum van ontvangst door de inspecteur. Andersom heeft echter in beginsel te gelden dat een stuk bekend is gemaakt daags nadat het is verzonden. Dus ongeacht de datum waarop het stuk aankomt. Oneerlijk? Op basis van het uitgangspunt dat postbezorging nagenoeg feilloos is en de hoofdregel is bezorging binnen 24 uur, maakt het verschil in benadering niets uit. De uitzondering op de regel heeft echter pech. Een bedenkelijke keuze van de wetgever om deze pech voor rekening en risico van de burger te laten komen. Zeker als er inmiddels een redelijk aantal gevallen in de krant hebben gestaan waaruit bleek dat de postbezorging minder feilloos was dan te verwachten viel.

Het is daarnaast regel geworden dat de post van de Belastingdienst er een dag of vier over doet. De dag erop bezorgen is de uitzondering geworden. Een welbewuste keuze van de top van de Belastingdienst bij het nieuwe contract met PostNL, om te besparen op de kosten van postbezorging. Bezuinigen op de kosten ten laste van de rechtszekerheid van de burger heeft ook tot gevolg dat alle termijnen die de burger worden gesteld een aantal dagen worden verkort.

Me dunkt dat de vertraging door het nieuwe contract met PostNL de termijnen van de overheid moet verkorten, in ieder geval niet die van de belastingplichtige.

Verdaging van de beslistermijn

Met grote regelmaat wordt de termijn om te beslissen op een bezwaarschrift met een simpel inhoudsloos briefje verdaagd. Een verzoek om toelichting wordt vaak afgedaan met de opmerking dat de verdaging niet hoeft te worden gemotiveerd. Mag de inspecteur een van de weinige hem gestelde termijnen zo maar verlengen? Nog afgezien van fatsoen, is dat zonder meer de vraag.

In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat organisatorische problemen geen reden mogen zijn om te verdagen.[2] ‘Ik kwam er even niet toe’ is derhalve geen valide reden. Ook is in deze parlementaire geschiedenis aangegeven dat de reden van de verdaging in rechte kan worden getoetst.[3] Bij een verschil van inzicht over de vraag of er een goede reden was om te verdagen, zou derhalve ondanks de verdaging beroep moeten kunnen worden ingesteld ten einde de redenen voor de verdaging aan een rechter voor te leggen.

De schorsende werking van de informatiebeschikking

Afgezien van de eerdergenoemde mogelijkheden om de beslissingstermijn te verdagen, is er nog een belangrijk ‘instrument’ waarmee de termijn wordt verlengd: een afgegeven informatiebeschikking schorst de termijn om uitspraak te doen op bezwaar. In beginsel.

Een termijn die al is geëindigd kan vanzelfsprekend niet meer worden verlengd. Dat zou met zich mee moeten brengen dat een informatiebeschikking die is afgegeven nadat de termijn voor het doen van uitspraak al is verstreken, geen schorsende werking meer heeft. De juistheid van de redenen op grond waarvan de termijn om uitspraak te doen op bezwaar is verlengd, speelt dus een rol bij de vraag of de informatiebeschikking wel daadwerkelijk schorsende werking heeft.

Informatiebeschikking hangende beroep

De mogelijkheden om een informatiebeschikking af te mogen geven zijn door de Hoge Raad ruim uitgelegd. Een informatiebeschikking afgeven terwijl er al een beroep loopt bij de rechter, is echter niet toegestaan. Ook al is dit een beroep wegens het niet tijdig doen van uitspraak. Bijvoorbeeld om te toetsen of om de juiste redenen is aangegeven dat het nog wat langer duurt voordat een uitspraak op bezwaar volgt.

Conclusie

Inspecteurs springen wat makkelijk om met termijnen, gewend als ze zijn geraakt aan het feit dat er toch geen sanctie op staat. Het is echter de vraag of postvertraging wel terecht ten laste van termijnen van de bezwaarmaker worden gebracht. En of verdaging op onjuiste gronden de termijn daadwerkelijk verlengt. En of een ontijdige informatiebeschikking nog wel de vaak door de inspecteur beoogde schorsende werking heeft. Het is de hoogste tijd dat niet alleen de burger de consequentie van termijnoverschrijdingen ondervindt. Met het strikt hanteren van voor de inspecteur geldende termijnen kan het hem ook buitengewoon lastig worden gemaakt dossiers af te wikkelen wanneer het hem goed dunkt. Heerlijk.

Mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 

[1] Dit blog is in verkorte vorm ook geplaatst in Accountancy Vanmorgen
[2] Kamerstukken II 2008/09, 31 769, nr. 6, p. 1.
[3] Kamerstukken II 2008/09, 31 751, nr. 3, p. 9.

De verschillende snelheden van het recht, of: wat God mag, mag de koe nog niet. 1 2

Termijnen spelen in het recht – en al helemaal in het belastingrecht –  een belangrijke rol. Sommige termijnen zijn wettelijk geregeld, vele niet. Voor rechtzoekenden is duidelijk dat de overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken tot gevolg heeft dat het recht op een onafhankelijk oordeel van de rechter over een geschil met de Belastingdienst niet mogelijk is. Het is breed geaccepteerd dat als een inspecteur iets van u wil, hij niet alleen meestal een niet-wettelijke termijn van twee weken stelt, maar ook nog veronderstelt dat u zich daaraan houdt. Kom daar andersom maar eens mee.

Black and white Brahma mix bucking bull waiting in pen before a summer morning rodeo.

Kennelijk wordt van u een andere snelheid van handelen verwacht dan van andere procesdeelnemers. Dat is vreemd. En dan druk ik me nog eufemistisch uit. Hoewel ik vrij ontspannen in het leven en in mijn vakuitoefening sta, wind ik me graag op over eigenaardige ongelijkheden en schrijf ik daar ook met liefde over. Ditmaal over de constatering dat, nuanceringen weglatend, van u kennelijk een andere snelheid van handelen kan worden gevraagd dan van een ambtenaar. Om maar niet te spreken van wat we van de snelheid van de rechter mogen verwachten. Mijn ‘verbazing’ werd deze keer aangewakkerd door een uitspraak over parkeerbelastingen.

Beroep wegens een fictieve weigering

De wettelijk geregelde termijn om uitspraak op bezwaar te doen, is – alle nuanceringen weg latend – zes weken, met de mogelijkheid om zes weken te verdagen. Dat is al een hele verbetering ten opzichte van de een paar jaar geleden nog geldende termijn van een jaar, met de mogelijkheid om nog een jaar te verdagen. Na het verstrijken van die termijn kan, na ingebrekestelling, weliswaar wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar beroep worden ingesteld bij de rechtbank, maar verder staat er op de overschrijding geen sanctie. De termijn waarbinnen, na ingebrekestelling, beroep moet worden ingesteld, is nergens geregeld. Hof Den Haag oordeelde onlangs dat een beroep dat circa vier maanden na de dag waarop de mogelijkheid tot het instellen van beroep ontstond aanhangig is gemaakt, onredelijk laat is ingediend.[3] Het voorleggen aan een rechter van de vraag waarom een overheidsinstantie zich niet gewoon met gepaste wettelijk geregelde snelheid van zijn taak kwijt, moet duidelijk wel een beetje vlot gebeuren.

Voortvarend handelen

In de grote hoeveelheid procedures over verzwegen buitenlandse bankrekeningen is het criterium van voortvarend handelen ontwikkeld om te beoordelen of een inspecteur tijdig een navorderingsaanslag heeft opgelegd. Synoniemen van voortvarend zijn: doortastend, daadkrachtig en zelfs vlug, vlot. Inmiddels is redelijk uitgekristalliseerd dat binnen zes maanden iets doen voor een inspecteur kwalificeert als voortvarend handelen. En meerdere perioden van stilzitten kunnen natuurlijk niet bij elkaar worden opgeteld om alsnog de conclusie te trekken dat voortvarend toch echt wat anders is.

Het is jammer dat geheimen van de Raadkamer niet naar buiten komen. Er kan toch niet anders dan hartelijk gelachen zijn bij de beraadslaging over wat we juridisch moeten verstaan onder een lekker vlot handelende ambtenaar?

De redelijke termijn

Er is nog een juridisch begrip om snelheid van handelen mee te kwalificeren: de redelijke termijn. De redelijke termijn voor het doorlopen van een procedure is twee jaar. Duurt procederen langer, dan is dat niet redelijk en bestaat er recht op een vergoeding voor de irritatie over die vertraging. Maar het is dus heel redelijk om ruim een jaar op een mondelinge behandeling te moeten wachten en daarna nogmaals een halfjaar op de uitspraak. Rechters hebben het immers druk.

Conclusie

Voor een rechter is het gepast om anderhalf jaar te doen over datgene waar hij een dagtaak van heeft gemaakt. Pas na ruim vijf maanden reageren is voor een inspecteur, die er ook zijn professie van heeft gemaakt, lekker vlot. Maar oh wee als degene die zich niet professioneel met de fiscaliteit bezighoudt (gemachtigden daargelaten) pas na vier maanden een beroepschrift aan de rechtbank stuurt: die is onredelijk traag.

Als mijn kinderen mij vragen waarom zij iets niet mogen wat ik wel mag, scheep ik hen regelmatig af met de uitdrukking: ‘wat God mag, mag de koe nog niet’. Het is wennen dat ik in mijn professie tot de runderen behoor.

Nuancering

Iedereen die zich aangesproken voelt zal zeggen dat ik wel een heel specifieke selectie heb gemaakt van termijnen. En dat er ook uitspraken zijn waaruit een ander beeld naar voren komt. En dat klopt. Er zijn heel veel nuanceringen aan te brengen. Zo ging de zaak over de parkeerbelasting slechts over het uitblijven van een beslissing over een dwangsom. In de hoofdzaak was wel een beslissing op bezwaar genomen. De termijn van vier maanden zal dus heus geen vaste jurisprudentie worden. En soms mag de niet professional ook lekker traag zijn: op 2 augustus jl. werd het oordeel geveld dat vijf jaar te laat in bezwaar komen te billijken is.[4] Het kan verkeren.

[1] Vrije vertaling van ‘Quod licet Iovi, non licet bovi’.

[2] Dit blog is in verkorte vorm ook geplaatst in Accountancy Vanmorgen

[3] Hof Den Haag 12 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2173, V-N 2017/1814.

[4] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 maart 2017, gepubliceerd op 2 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1727

 

 

De (niet afdwingbare) gehoudenheid inlichtingen aan de inspecteur te verstrekken

Artikel 47 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat een ieder gehouden is om desgevraagd gegevens, inlichtingen en administratie aan de inspecteur te verstrekken voor zover dat van belang kan zijn voor zijn eigen belastingheffing. Nakoming van deze verplichting kan zo nodig bij de civiele rechter worden afgedwongen met een dwangsom. Het afdwingen van informatie in de fase dat een geschil is gerezen is echter in strijd met de gelijkheid van procespartijen.

Judge gavel, scales of justice and law books in court

Verstrekking van inlichtingen

Een aanslag moet zorgvuldig worden vastgesteld. Om invulling aan die zorgvuldigheid te geven, kan het natuurlijk zijn dat een inspecteur een toelichting wil krijgen op de ontvangen aangifte, dan wel de onderbouwing van bepaalde posten wil zien. De verplichting om een bijdrage te leveren aan zijn informatiebehoefte is (onder andere) in artikel 47 AWR vastgelegd.

De behoefte aan informatie is in veel gevallen begrijpelijk, vaak zal er ook weinig op tegen zijn om de gevraagde informatie snel te verstrekken en onnodige misverstanden te voorkomen. In sommige gevallen vat de inspecteur de plicht om informatie te verstrekken echter wel erg breed op en lijkt elk gegeven antwoord alleen maar nieuwe vragen op te roepen. De hoop was er op gevestigd dat procedures over de informatiebeschikking een wat duidelijker begrenzing op zou leveren van de grenzen van deze verplichting. Tot de invoering van de informatiebeschikking was het aan de kaak stellen van het door de inspecteur overschrijden van zijn bevoegdheden niet zinvol of te risicovol. Het op basis van een onjuiste inschatting weigeren te voldoen kwam in beginsel te staan op een omkering en verzwaring van de bewijslast. Het wel aanleveren van de informatie en vervolgens de rechtmatigheid van die aanlevering bestrijden zal weinig opleveren, omdat het onrechtmatig opvragen slechts in een zeer uitzonderlijk geval zal leiden tot bewijsuitsluiting, voor zover de gevoeligheid van het materiaal al het probleem was bij het moeten aanleveren.

Hoewel de Hoge Raad wel al veel antwoorden heeft gegeven op formele vraagstukken bij de informatiebeschikking, is hij (een beetje naar zijn aard) nog niet of nauwelijks toegekomen aan een concretere feitelijke afbakening van de bevoegdheid.

De dwangsom als pressiemiddel

Afgezien van het afgeven van een informatiebeschikking, omdat naar de mening van de inspecteur niet of onvoldoende is voldaan aan zijn verzoek tot het aanleveren van informatie, staat het hem vrij om de aanlevering af te dwingen in een civiele procedure. Bovendien kan een belastingplichtige wegens zijn weigering strafrechtelijk worden vervolgd. Een forse dwangsom of vervolging kan vanzelfsprekend een goed pressiemiddel zijn om toch maar alsnog tot aanlevering over te gaan. Er zijn al een behoorlijk aantal civiele procedures aanhangig gemaakt en voor de belastingplichtigen in kwestie niet erg succesrijk beslecht. Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma kwam in haar blog van 23 maart 2015, Informatieverplichtingen belastingplichtigen: gelijkheid der wapenen sinds 1988, al met het treurige voorbeeld van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2015. Ondanks dat een zaak onder de rechter is, mag de inspecteur informatie af dwingen. Hij roept immers de (civiele) rechter in om te oordelen over de bevoegdheid, aldus het Hof. Wat die constatering van het Hof met de gelijkheid van strijdmiddelen in een procedure te maken heeft, ontgaat mij overigens.

De informatieverplichting door de inspecteur

Niet alleen een belastingplichtige is verplicht om informatie te geven. Ook de inspecteur. Even afgezien van bestuurlijke behoorlijkheid heeft een belastingplichtige recht op inzage in zijn dossier in het kader van het hoorrecht in de bezwaarfase. Voorts is de inspecteur verplicht om alle stukken die betrekking hebben op een lopende procedure aan de bestuursrechter te verstrekken, die deze stukken (in beginsel) weer doorstuurt aan de belastingplichtige. Daarnaast kan de rechter aan partijen, en dus ook de inspecteur, verzoeken inlichtingen te verstrekken en stukken toe te sturen. Ten aanzien van bestuursorganen, zelfs als zij geen partij zijn bij de procedure, bepaalt het tweede lid van artikel 8:45 Awb zelfs nadrukkelijk, dat zij verplicht zijn om aan het verzoek te voldoen.

Tot voor kort gingen volgens mij alle procespartijen, rechters incluis, ervan uit dat de inspecteur als vanzelfsprekend ook voldoet aan zijn verplichtingen. Kortom, als een inspecteur wordt gevraagd te leveren, dan doet hij dat. Inmiddels is uit de jurisprudentie duidelijk geworden dat dit uitgangspunt bijstelling behoeft. En niet alleen omdat de inspecteur zijn taak verzaakt, nee ook omdat hij willens en weten niet voldoet.

De weigering door de inspecteur om aan zijn verplichting te voldoen

In de spraakmakende zaak over de tipgever heeft de Hoge Raad op 18 december 2015 arrest gewezen. Volgens de Hoge Raad schendt een inspecteur niet per definitie de rechtsorde (in ernstige mate) door te volharden in zijn weigering te voldoen aan de wettelijke verplichting die hij heeft. Hij mag dus volharden in zijn weigering en heeft hoogstens de ‘naar alle omstandigheden van het geval, waaronder het belang van de waarheidsvinding’ te beoordelen aan die weigering (eventueel) te verbinden consequentie te dulden.

De voorzieningenrechter van rechtbank Zeeland-West-Brabant gaat in zijn uitspraak van 19 oktober 2016 nog een stap verder: Indien de inspecteur niet voldoet aan de hiervoor vermelde verplichtingen, kan dat gevolgen hebben voor zijn procespositie (artikel 8:31 van de Awb), zie Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1042 en Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600. Ook artikel 6 van het EVRM geeft geen regels dat of hoe de daarin vastgelegde rechten kunnen worden afgedwongen. De sanctie op het handelen in strijd met genoemd artikel 6 betekent echter dat de rechter, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, een passend gevolg verbindt aan dat handelen. De rechtbank ziet derhalve ook hierin geen mogelijkheid de inspecteur te dwingen inzage te geven of tot het overleggen van stukken. Gelet op het voorgaande kan de inspecteur in een bodemprocedure niet worden gedwongen tot het overleggen van stukken. De rechtbank ziet in het onderhavige geval dan ook geen reden de inspecteur bij wijze van voorlopige voorziening wél te verplichten de onder 1.3 genoemde stukken te overleggen.

Hiermee lijkt duidelijk te zijn dat een inspecteur niet kan worden gedwongen zijn informatieverplichtingen na te komen, maar dat het dat eventueel op een ‘passend gevolg’ komt te staan. Uit het genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat vernietiging van de aanslag niet (ter definitie) het gepaste gevolg is.

Conclusie: Doe recht aan de gelijkheid van procespartijen

Het beginsel van gelijkheid van procespartijen (‘equality of arms’) houdt in dat de rechter geen procesrechtelijke beslissingen mag nemen waardoor de gelijkheid van procespartijen zou (kunnen) worden aangetast.

Uit het voorgaande blijkt dat naast de vele wel geëigende redenen die de inspecteur kan inroepen om niet aan zijn verplichtingen te voldoen, hij ook kan volharden in zijn weigering indien die redenen zijn getoetst en niet doorslaggevend zijn bevonden. En dat de consequentie dan niet per definitie ingrijpend (genoeg) is. Het kan zo maar zijn dat de weigering vervolgens met de mantel der liefde wordt bedekt.

Op grond van de verplichting om procespartijen gelijk te behandelen moet ook het recht van belastingplichtigen worden erkend om niet te voldoen aan de verplichting tot het aanleveren van informatie. De weigering te voldoen kan niet (meer) worden afgedwongen. Middels een dwangsom, dan wel binnen het strafrecht. Ook de belastingplichtige heeft een gelijk recht om zijn hakken in het zand te zetten, en eventueel de consequenties te aanvaarden. Beoordeeld naar alle omstandigheden van het geval. Waaronder dus zeer nadrukkelijk de vraag of de belemmering die die weigering oplevert zwaar weegt bij het op tafel krijgen van de waarheid. Valt dat wel mee, dan wordt de weigering slechts met de mantel der liefde bedekt. Valt dat tegen, dan is de uiterste consequentie de verzwaring van de bewijslast. Let wel, hangende een procedure zijn procespartijen gelijk: in de aanslagregelende fase kan op deze gelijkheid geen aanspraak worden gemaakt.

 

Mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger

Belastingfraude rechtvaardigt inperking van het verschoningsrecht van advocaten

In zijn brief van 17 januari 2017 kondigt Staatssecretaris Wiebes maatregelen aan tegen (internationale) belastingontduiking. Eén van die maatregelen is de beperking van het fiscale verschoningsrecht van advocaten en notarissen. Een bij het functioneel parket van het OM al langer gekoesterde wens! Mits de aangekondigde wetswijziging niet louter verkiezingsretoriek blijkt en juist wordt vormgegeven, lijkt deze inperking van het verschoningsrecht onafwendbaar. Maar als advisering (tegelijkertijd) de bescherming krijgt die het verdient en de geheimhouding wordt uitgebreid tot andere beroepsbeoefenaren, is die aangekondigde inperking zo gek nog niet.

Businessman in panic

Het verschoningsrecht

De geheimhoudingsplicht van advocaten, en het in het verlengde daarvan liggende verschoningsrecht, vindt zijn grondslag in de gedachte dat een ieder zich in goed vertrouwen tot een professional moet kunnen wenden voor rechtskundig advies en een procedure, zonder angst dat de informatie die hij in dat kader verstrekt vervolgens openbaar kan worden. De Hoge Raad omschrijft het als volgt‘De grondslag van het aan een beperkte groep van vertrouwenspersonen toekomende verschoningsrecht moet worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.’

Het maatschappelijk belang

Het abstracte belang bij geheimhouding wringt natuurlijk regelmatig met het belang van waarheidsvinding in een specifieke casus. Is het terecht dat een belastingfraudeur zich ‘verschuilt’ achter zijn advocaat en hij daardoor niet alsnog aan de schatkist afdraagt wat hij al direct had moeten betalen en/of waardoor hij strafrechtelijke vervolging ontloopt? Weegt de verontwaardiging in zo’n specifiek geval op tegen de abstractere vrees dat zonder verschoning cliënten zich niet meer tot advocaten zullen wenden, dan wel hun advocaat minder zullen vertellen, waardoor hij zijn werk minder goed kan doen?

Het algemeen rechtsbeginsel, behorende tot de basis voor een goed functionerende democratische rechtsstaat (om maar grote woorden te gebruiken), moet bijna vanzelfsprekend in ere worden gehouden, misschien wel juist in tijden als deze waar het vertrouwen in de overheid onder druk staat. Afkalving van rechtsbeginselen draagt niet bij aan het herstel van het gebrek aan vertrouwen in onze (fiscale) overheid. Daar staat echter de druk vanuit het ‘populisme’ tegenover, de verontwaardiging over belastingontwijking en ontduiking (misschien nog wel meer over het eerste dan het laatste, overigens) en het onbegrip voor de elitaire advocaat die dit soort geboefte bijstaat. Het tornen aan een in de ogen van velen te ver strekkend verschoningsrecht kan nauwelijks verbazing wekken.

De door Wiebes aangekondigde maatregelen

Als nationale maatregelen kondigt Wiebes in zijn brief, die zelfs internationale aandacht kreeg, naast onder meer het afschaffen van de inkeerregeling en de openbaarmaking van aan medeplegende adviseurs opgelegde vergrijpboetes, het aanpassen van het verschoningsrecht aan. ‘De reikwijdte van de wettelijke bepaling over het fiscale verschoningsrecht is op dit moment naar mijn mening dan ook zeer breed en in ieder geval voor advocaten en notarissen te ongericht’, aldus Wiebes. Bepaalde fiscaal relevante feiten, zakelijke handelingen en transacties, alsmede financiële transacties die via een derdenrekening lopen, zouden niet langer aan het oog van de belastingdienst moeten kunnen worden onttrokken.

Wiebes beroept zich bij de inperking ook op de internationale context: ‘In het rapport (van de OECD)[1] wordt – in overeenstemming met artikel 26 van het OESO-modelverdrag en de toelichting daarbij – de aanbeveling gedaan om in ieder geval ten aanzien van advocaten duidelijk te maken dat het fiscale verschoningsrecht alleen geldt ter zake van vertrouwelijke communicatie die is geproduceerd met het doel van het zoeken en verschaffen van juridisch advies of met het doel van gebruik in bestaande of overwogen juridische procedures.’

Wiebes geeft aan nog dit jaar een voorstel tot aanpassing van het fiscale verschoningsrecht ter consultatie voor te willen leggen. Hij overweegt de optie om bij deze aanpassing (gedeeltelijk) aan te sluiten bij de formulering van de zogenoemde ‘procesvrijstelling’ in de Wwft.

Oude discussie

De discussie over inperking van het verschoningsrecht is niet nieuw. Vincent Leenders, landelijk coördinerend officier van justitie, gooide onder meer op 8 maart 2014 in het NRC al de spreekwoordelijke steen in de vijver. Hij herhaalde zijn oproep om het verschoningsrecht van advocaten te beperken nog dunnetjes in het interview in Follow The Money van 24 april 2014. In (onder meer) een reactie hierop in Follow The Money van 16 juni 2014 gaf ik al aan de gedachte van een meer materiële benadering van het verschoningsrecht, zoals de formulering in de Wwft, niet zo’n gekke gedachte te vinden. Een formeel criterium, het zijn van advocaat, doet in mijn ogen niet in alle gevallen recht aan de redenen dat het verschoningsrecht eerbiediging behoeft. Er zijn immers advocaten van diverse pluimage en de werkzaamheden die advocaten uitvoeren zijn zo mogelijk nog diverser. Bovendien zijn er andere juridische professionals die werkzaamheden verrichten die naar mijn mening meer voor verschoning in aanmerking komen. Een materiële toets, op basis van welke werkzaamheden er worden verricht, kan recht doen aan beide.

Reactie NOvA

De Nederlandse Orde van Advocaten is faliekant tegen aanpassing van het verschoningsrecht. Op 14 september 2015 zond zij al een brief over het professioneel verschoningsrecht aan de voorzitter van de Tweede Kamer en op de website is een kritische reactie te vinden van Rob van der Hoeven op de uitlatingen van Leenders. Twee dagen na de brief van Staatssecretaris Wiebes reageerde de NOvA direct aan alle advocaten in haar Ordebericht van januari 2017.

De kritische reactie weerlegt vilein de voorbeelden die Leenders aanhaalt als redenen voor inperking. Dat het verschoningsrecht niet onbeperkt is, is immers al vaak en duidelijk uitgemaakt en deze jurisprudentie komt in die zin al lang aan de oproep van Leenders tegemoet: ‘Die uitzonderingen hebben gemeen dat daardoor misbruik van het verschoningsrecht wordt voorkomen. Het bebloede mes in bewaring geven bij de advocaat gaat natuurlijk niet werken. Evenmin als het in bewaring geven van het originele vervalste geschrift. Deze voorwerpen zijn het instrument waarmee het misdrijf is begaan respectievelijk het voorwerp van het misdrijf. De wet zegt dat dergelijke voorwerpen (instrumenti delicti en corpora delicti) niet onder de geheimhoudingsplicht vallen en dus ook niet via het verschoningsrecht buiten de waarheidsvinding gehouden kunnen worden. Hoe Leenders in het interview dan ook kan suggereren dat een boekhouder zijn administratie onder de geheimhoudingsplicht kan brengen door dit aan zijn advocaat te geven is een raadsel.’

De NOvA tamboereert in de brief aan de Tweede Kamer en in haar Ordebericht op het algemeen rechtsbeginsel en benadrukt in het Ordebericht dat onderscheid naar een specifiek rechtsgebied, nog erger, jegens een specifieke wederpartij, met de uitgangspunten daarvan strijdig is.

Trekken aan een dood paard

De terugkerende discussie over het verschoningsrecht doet het aanzien van de advocatuur geen goed. Naar ik begrijp is het verschoningsrecht in omliggende landen beperkter dan hier, terwijl in heel Europa, verankerd door het Straatsburgs Hof, hetzelfde rechtsbeginsel uitgangspunt is. Bovendien is in de Wwft ook een inbreuk gemaakt op de reikwijdte van het verschoningsrecht naar de aard van de te verrichten werkzaamheden. De aanbeveling van de OECD is veelzeggend: ‘It is recommended that the Netherlands’ authorities make it clear that the privilege which can be claimed by lawyers under Article 53(a) of the GSTA only relates to confidential communication produced for the purpose of seeking or providing legal advice or produced for the purpose of use in existing or contemplated legal proceedings” Ibid, p. 81.’

In plaats van verzet tegen dat wat op termijn onvermijdelijk lijkt en wat bij voortduring van de discussie de beroepsgroep schaadt, komt benutten van kansen die het voorstel ook biedt, minst genomen het voorkomen van een grotere inperking dan gewenst, mij zinvoller voor.

De ‘procesvrijstelling’ van de Wwft

Het tweede lid van artikel 1 Wwft, de bepaling die Wiebes voornemens is (deels) als uitgangspunt te nemen, geeft aan dat de verplichtingen van de Wwft niet gelden voor advocaten, notarissen, gelijksoortige beroepsbeoefenaren en belastingadviseurs, voor zover zij voor een cliënt werkzaamheden verrichten ‘betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding.’

Wat het ‘bepalen van de rechtspositie’ om het lijf heeft is vanaf invoering van de voorloper van de Wwft, de WID en de Wet MOT, onderwerp van discussie geweest. Gechargeerd weergegeven heeft de (toenmalige) Staatssecretaris altijd het standpunt ingenomen dat ‘rechtspositiebepaling’ zich beperkte tot de eerste kennismaking. Sterker nog: voor zover in het eerste gesprek niet al adviezen werden gegeven. Uit het hiervoor geciteerde OECD rapport en de daaruit voortvloeiende aanbeveling blijkt al wel dat die opvatting te beperkt is, zo niet voor de Wwft, dan toch zeker voor de aangekondigde beperking van het fiscaal verschoningsrecht. De strijd om verschoning van (informatie verkregen ter) advisering mag niet ondersneeuwen in de strijd om behoud van wat nu is.

Het fair play beginsel

Procederende (en adviserende) belastingadviseurs komen er qua verschoning slecht van af. Onder meer vanwege de keuze van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs om geen wettelijk gereguleerde beroepsgroep te zijn hebben belastingadviseurs hun contractuele geheimhoudingsplicht veelal moeten beschermen met een afgeleid verschoningsrecht en het latere fair play beginsel.

Hoewel het fair play beginsel ogenschijnlijk wat weg heeft van de vrijstelling in de Wwft, ziet de Wwft ook op (feitelijke) informatie die is verkregen ten behoeve van de vrijgestelde werkzaamheid, het fair play beginsel zeker niet zonder meer. Een toets op basis van wat iemand doet, in plaats van wie het doet, zoals in de Wwft, rechtvaardigt dat ook belastingadviseurs, zoals in de vrijstelling voor de Wwft, de verschoning die Wiebes voor ogen heeft toe zou moeten komen.

Conclusie

Wiebes stelt als maatregel tegen belastingontduiking de beperking van het verschoningsrecht van (onder meer) advocaten voor. Tenzij de aankondiging van Wiebes verkiezingsretoriek blijkt en het voorstel niet daadwerkelijk in consultatie wordt gebracht, denk ik dat hij in deze gewenste beperking een meerderheid in parlement zal vinden. De NOvA verzet zich tegen aanpassing. In mijn optiek zou de aandacht meer uit moeten gaan naar de reikwijdte van het in te perken verschoningsrecht, dat ook advisering en stukken verstrekt ter advisering moet blijven omvatten, dan het blijven vast houden aan verschoning voor de hele beroepsgroep. De NOB zou de voorliggende kans te baat moeten nemen om een beter (verankerde) verschoning voor haar adviserende, en zeker procederende, leden te bewerkstelligen.

Mr. B.J.G.L. Jaeger

[1] OECD (2013), Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes Peer Reviews: The Netherlands 2013: Combined: Phase 1 + Phase 2, incorporating Phase 2 ratings, OECD Publishing.

Meer weten? Lees ook:

Het Advocatenblad ‘Recht over verschoningsrecht’ met daarin Ludwijn Jaeger;

Het verschoningsrecht van de belastingadviseur (My Way- Liber Amicorum Hans Hertoghs) »

Belangenverstrengeling bij samenwerking tussen accountants en belastingadviseurs

Een erg groot gedeelte van de belastingadviseurs werkt op een kantoor samen met accountants. Op die samenwerking zijn veel regels van toepassing die deze samenwerking aan banden leggen. Wim Gohres van de NOB kwam op 15 september jongstleden in een interview tot de uitspraak: ‘We zijn nu echt kaltgestellt’. In dit blog bespreek ik de inperking van de vrijheid om te procederen door een samenwerkende belastingadviseur.

Two men sitting in court

De VIO, de verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten.

De VIO, die zoals de niet afgekorte aanduiding al duidelijk maakt de onafhankelijkheid van accountants bij de uitvoering van controle opdrachten beoogt te waarborgen, bevat een aardige hoeveelheid bepalingen die die onafhankelijkheid van de accountant, in de uitvoering van zijn opdracht, moet bevorderen. De meest voor de hand liggende zijn: niet tegelijkertijd procederen tegen de cliënt, niet al te nauwe relaties aangaan en oppassen met geschenken.

De verordening stelt (echter) ook vergaande beperkingen ten aanzien van werkzaamheden, andere diensten dan controlediensten, die worden verleend door – daar beperk ik me nu even toe – de binnen de organisatie van de accountant werkzame belastingadviseurs.

De VIO, ondergesneeuwd en lekker vaag

De VIO, die geldt sinds 1 januari 2014, heeft voornamelijk aandacht gekregen vanwege de uit die verordening voortvloeiende verplichting om adviesdiensten en controlediensten te splitsen. Vervelend, want niets is makkelijker dan het verkopen van een goed advies aan een cliënt waarvan je weet, vanwege de controle, dat die dat advies goed kan gebruiken. Maar er zijn genoeg andere organisaties die dat advies wel mogen en kunnen geven. De ‘match’ tussen het geven van advies en de vraag wie dat advies nodig heeft is wellicht wat minder makkelijk te vinden, maar de meeste adviezen, zullen vast nog steeds worden gegeven. Maar dan niet aan de eigen cliënt, wel aan de cliënt van de concurrent die met hetzelfde probleem zit.

Mede naar ik aanneem vanwege de cryptische wijze waarop de verplichting op schrift is gesteld, is de precieze strekking en reikwijdte van de bepaling lastig aan te geven en om mij heen hoor ik dat deze (al dan niet bewust) nog niet overal is doorgedrongen.

Ook fiscale procedures vallen onder de VIO.

Bij de uitoefening van een controle opdracht worden vanzelfsprekend ook oordelen geveld over de fiscale positie. In het geval de belastingdienst het niet met dat oordeel eens is, kan het wenselijk zijn de juistheid van de wederzijdse positie voor te leggen aan een rechter. Ligt die procedure dan in het verlengde van de gedane aangifte, of is het een afzonderlijke dienst? Anders gezegd, mag een belastingadviseur van het controle kantoor bij die procedure betrokken zijn?

De belastingadviseur zal overigens voldoende onafhankelijk zijn van de accountant om de procedure te voeren. Bij de belastingadviseur zit het probleem (dus) niet. Het probleem ligt op het bord van de accountant die, uitgaande van een procedure met een groot genoeg financieel belang, zich in de jaarrekening uit moet laten over de kansen in die procedure. Kan hij zich bij die inschatting voldoende distantiëren van de inschatting die de op zijn kantoor werkzame belastingadviseurs geven en is hij in zijn beoordeling (dus) nog voldoende onafhankelijk?

De uitwerking van de VIO op fiscale procedures.

De onafhankelijkheid van de accountant is ontegenzeggelijk een groot goed. Tegen het waarborgen van die onafhankelijkheid kan weinig worden ingebracht. Beantwoording van de vraag of splitsing van controle en adviesdiensten daar een waardevolle bijdrage aan levert, laat ik aan anderen. Ik heb echter wel bezwaar tegen het noodgedwongen ‘overdragen’ van procedures. Niet zo zeer omdat de overdracht onwenselijk is, het kan altijd goed zijn dat een paar frisse ogen naar een ‘geschil’ kijken, maar vanwege de uitwerking die dit in de praktijk lijkt te hebben: de accountant schijnt vaker dan hiervoor de beslissing te nemen dat er maar niet moet worden geprocedeerd. Ik waag te betwijfelen dat de ‘stakeholders’ wiens belangen de VIO (mede) beoogd te dienen, gebaat zijn bij nog een drempel om een fiscale procedure te entameren. De grotere bedrijven gaan om allerhande andere redenen een procedure toch al (te) vaak uit de weg. Een extra drempel kan node worden gemist.

Conclusie

De verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten, de VIO,  is (in beginsel) ook van toepassing op te entameren fiscale procedures. De uitwerking van de verplichting om een te entameren procedure over te dragen aan een concurrerend kantoor lijkt te zijn dat de procedure dan maar niet wordt aangegaan. Dat gevolg is onwenselijk en kan nauwelijks overeenkomen met doel en strekking van de verordening. De VIO zou in die zin dienen te worden aangepast, dat procedures die in het verlengde liggen van bij de bij de aangifte ingenomen standpunten door het controle kantoor zelf zouden mogen worden gevoerd. Alternatief is dat kantoren goede afspraken maken over het overdragen van procedures, zodat het extern ‘uitzetten’ van het geschil niet een extra drempel vormt bij de beslissing al dan niet de belastingdienst het soms o zo nodige tegenwicht te bieden.

Mr. B.J.G.L. Jaeger

 

Hoe int u een vordering op de belastingdienst?

De belastingdienst heeft veel eenvoudige mogelijkheden om een belastingschuld te innen. Andersom, als u wat van de fiscus tegoed heeft, is het minder vanzelfsprekend die vordering daadwerkelijk betaald te krijgen. Spijtig genoeg is de belastingdienst onvoldoende ingesteld op uitbetalen om er maar gewoon op te vertrouwen dat u wel ontvangt wat u toekomt. Met name in de uitbetaling van dwangsommen, proceskostenvergoedingen en de schadevergoeding vanwege een te lang durende procedure, kost innen veel moeite. In dit blog de beperkingen, maar ook het machtsmiddel voor het geval drie keer vriendelijk vragen niets oplevert.

Small man pushing against big other hand forefinger, isolated on white.

De belastingdienst is van oudsher ingericht als inningsdienst, niet als betaalkantoor. Niet voor niets leverde de omzetting van de loonbeschikking in de voorlopige teruggaaf de nodige problemen op, het onderbrengen van allerhande subsidies bij de belastingdienst als toe te kennen toeslagen is – in de uitvoering op zijn minst – al jaren een drama.

Op 1 juli 1998 is de loonbeschikking vervangen door de voorlopige teruggaaf door de belastingdienst. Bij de loonbeschikking werden aftrekposten verwerkt in een vermindering van de in te houden loonbelasting. Zodoende werd het door de werkgever uit te betalen netto loon hoger. De omzetting in het door de belastingdienst uit te betalen bedrag is altijd gezien/gebracht als een vermindering van administratieve lasten bij werkgevers. Volgens mij niet geheel toevallig kan de ontvanger er op deze manier ook wel heel makkelijk bij als hij wat te innen heeft.

Vorderingen op de belastingdienst

Afgezien van veel drama’s bij toeslagen zal men in de regel de toeslag waar men recht op heeft wel krijgen. Ook de voorlopige teruggaaf wordt in de regel gewoon netjes uitbetaald. Ik moet zelfs toegeven dat het met de uitbetaling van aanslagen tot een negatief bedrag in de regel goed gaat. In de regel, want nagenoeg zodra er een geschil ontstaat met de fiscus, ligt verrekening van dit soort uitbetalingen al snel op de loer. In dit blog gaat het me echter om de uitbetaling van de minder gangbare vorderingen: de dwangsom, de proceskostenvergoeding, de schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn waarop een belastingprocedure moet zijn beslecht. Uitbetaling van dit soort vorderingen is een crime.

Nagenoeg elke (deels) gewonnen procedure levert op dat de rechter in zijn oordeel tevens opneemt dat het griffiegeld moet worden gerestitueerd, er een proceskostenvergoeding moet worden betaald, soms ook een dwangsom vanwege het te laat beslissen op een bezwaar, en als het lang heeft geduurd een vergoeding van  € 500 per halfjaar ter vergoeding van spanning en frustratie. Geen waanzinnige bedragen, maar des te groter de irritatie als het veel moeite kost om het oordeel van de rechter op dit punt ook gewoon uitgevoerd te krijgen. Een bijkomend probleem is dat in tegenstelling tot hetgeen tussen normale burgers gewoon is (in een civiele procedure) hoger beroep en cassatie de werking van de uitspraak van de rechter schorst en per definitie moet worden gewacht tot het oordeel onherroepelijk is.

Verrekening

Men zou zeggen dat aan een niet meer te bestrijden uitspraak van een rechter door de belastingdienst automatisch uitvoering wordt gegeven. Onze ervaring is anders. Betaling blijft veel vaker uit, dan dat die vanzelf volgt. De meest simpele inningsoplossing is dan vaak om zo’n vordering op de belastingdienst te verrekenen, zoals – wederom – in het rechtsverkeer tussen burgers gewoon is, met iets wat nog aan de belastingdienst moet worden betaald. De Invorderingswet kent echter een specifiek artikel dat ziet op verrekening met de belastingdienst. Kort gezegd komt het er op neer dat de ontvanger nagenoeg altijd mag verrekenen, de belastingplichtige nooit. Gerechtshof Amsterdam heeft (in plaats van de vraag te stellen waarom de uit te betalen bedragen niet allang daadwerkelijk zijn uitbetaald) verleden jaar het verbod op verrekening uitdrukkelijk bevestigd. De mogelijkheid om vorderingen over en weer te compenseren is voor de belastingplichtige dus uitgesloten.

Grosse

Een uitspraak van een belastingrechter levert een afdwingbare titel op. De uitspraak wordt alleen niet direct – in tegenstelling tot civiele uitspraken – in executoriale vorm, als grosse, toegezonden. Indien vragen om uitbetaling van de uit hoofde van de uitspraak verschuldigde bedragen geen reactie, althans niet de gewenste, oplevert, kan het rechterlijk college om afgifte van een grosse worden gevraagd. Alsdan krijgt u dezelfde uitspraak die u eerder werd toegezonden aangevuld met een tweetal stempels opnieuw in de bus. Met die grosse kunt u een deurwaarder op pad sturen om beslag te leggen. Bijvoorbeeld bij uzelf, op hetgeen u de belastingdienst nog verschuldigd bent. Aangezien u dan voorlopig elke betaling aan de belastingdienst onder u moet houden totdat het beslag is afgewikkeld, is de ontvanger er dan vaak als de kippen bij om alsnog te zorgen dat alles wordt geregeld.

Nakosten

Tegenover de extra werkzaamheden om betaling af te dwingen staat geen vergoeding. Ook dat is bij burgerlijke geschillen beter geregeld. De deurwaarderskosten zijn wel verhaalbaar. Daar staat tegenover dat wel wettelijke rente kan worden gevorderd vanaf 4 weken na de uitspraak. Zo oordeelde onlangs de Hoge Raad. Zelfs als de werking van die uitspraak was geschorst vanwege een ingesteld hoger beroep of cassatie.

Conclusie

De belastingdienst betaalt niet uit automatisme uit na een veroordelend vonnis. Zeker bij het voeren van meerdere procedures en bij het instellen van hoger beroep en cassatie is het noodzaak de toegekende bedragen goed in de gaten te houden. Volgt betaling ook niet na verzoek, dan is betaling af te dwingen door het opvragen van een grosse. Vergeet ook niet om wettelijke rente te vorderen indien betaling lang(er) uitblijft.

Mr. B.J.G.L. Jaeger

Is het voorwaardelijk bewijsaanbod passé?

Het is niet altijd duidelijk wie in een belastingprocedure waarvan bewijs moet leveren. Laat staan dat het van tevoren duidelijk is wat de rechter wel wil aannemen en dus niet meer bewezen hoeft te worden, ondanks dat de inspecteur het bestrijdt. Om deze reden maken gemachtigden in fiscale procedures veel gebruik van het voorwaardelijk bewijsaanbod: ‘Ik meen dat het niet aan mij is om te bewijzen, althans ik meen dat X aannemelijk is, maar mocht u een andere mening zijn toegedaan, dan wil ik nog in de gelegenheid worden gesteld aan te tonen dat het echt X is.” In een tweetal arresten heeft de Hoge Raad echter paal en perk gesteld aan het (zinvol) gebruik van zo’n aanbod.

Rechtbank bewijs

De Hoge Raad heeft uitspraken van lagere rechters bevestigd waarin het voorwaardelijk bewijsaanbod is gepasseerd. Met de onzekerheid over de vraag wie het bewijs moet leveren, zal in de toekomst dus anders moeten worden omgegaan. Ik bespreek een paar mogelijke uitwerkingen

De oude situatie

Het civiele recht kent, in tegenstelling tot het belastingrecht, tussenuitspraken. De rechter zet dan (veelal) eerst in een tussenvonnis uiteen hoe hij de zaak ziet en wat in zijn ogen door wie moet worden bewezen. In het fiscale recht is het uitgangspunt dat alle kaarten uiterlijk ter zitting op tafel komen te liggen en dat de rechter er nadien in één keer een oordeel over velt. Bij goed procederen hoort het voorkomen dat je wordt overvallen door een rechterlijke uitspraak, misschien zelfs wel het gebruik van alle mogelijke middelen om het de rechter zo lastig mogelijk te maken een onwelgevallige uitspraak te doen. In het civiele recht word je door een tussenuitspraak niet achteraf overvallen met een oordeel dat het aan jou was om bewijs te leveren. Om die situatie in het fiscaal recht min of meer na te bootsen, was één van de gebruikte middelen om elke onwenselijke ‘afslag’ te blokkeren met een (voorwaardelijk) bewijsaanbod: ‘Gaat u niet met me mee, dan moeten we nog een andere keer terug komen om door te discussiëren’.

Een bewijsaanbod moet voor het te geven oordeel van belang moet zijn. Als een te geven oordeel niet wijzigt bij de meest voordelige uitkomst van het bewijsaanbod, dan mag het worden gepasseerd. De rechter mag daarbij overigens niet vooruitlopen op hetgeen een getuige naar verwachting zal gaan verklaren. Het gaat hierbij dus om de gevallen dat de rechter al van oordeel is dat aannemelijk is wat je wilt bewijzen, of dat het niet aannemelijk zal worden, wat de getuige ook zal zeggen. Voorts moet een aanbod vanzelfsprekend voldoende specifiek zijn. Een vaag aanbod mag ook worden gepasseerd.

In 2004 haalde de Hoge Raad nog een scherp randje van het bewijsaanbod af.[1] Zonder een oordeel te vellen over de vraag aan wie het was om bewijs te leveren, kon worden volstaan met het bieden van de gelegenheid. Een rechter kon dus niet gedwongen worden om een tussenbeslissing te nemen over de verdeling van de bewijslast. Als er gelegenheid werd geboden om bewijs te leveren, dan had je dat te doen. Zo niet, dan kon het aanbod worden gepasseerd.

Getuigen direct meenemen

In de standaarduitnodiging voor een mondelinge behandeling staat aangegeven dat het mogelijk is om getuigen mee te nemen naar de zitting. Deze standaardzin is nooit bedoeld als het daadwerkelijk aanbieden van de mogelijkheid om uitvoering te geven aan een bewijsaanbod. Voor het eerst in 2014, en herhaald in 2015, heeft de Hoge Raad echter oordelen van lagere rechters, dat de uitnodiging voor de zitting als het geven van gelegenheid moest worden opgevat en om die reden een bewijsaanbod kon worden gepasseerd, in stand gelaten.[2] De Hoge Raad overwoog: ‘Een zodanige mededeling kan in of bij de oproeping voor de zitting worden gedaan door degene die het bewijsaanbod heeft gedaan te wijzen op de mogelijkheid getuigen naar de zitting mee te brengen of voor de zitting op te roepen. Het is dan aan degene die het bewijsaanbod heeft gedaan al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken. De hiervoor bedoelde mededeling volstaat niet wanneer de desbetreffende partij in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.’

Als duidelijk is wat er moet worden aangetoond en getuigen bereidwillig zijn, dan is het vaak geen probleem om getuigen (voortaan) maar direct mee te nemen naar de mondelinge behandeling.

Onpraktisch!

Zoals gezegd: het is niet altijd duidelijk wie bewijs moet leveren en welke feiten nog bewijs behoeven. In die gevallen kan deze jurisprudentie onpraktisch uitpakken. De belastingkamers van rechtbanken zijn nauwelijks ingericht op het horen van getuigen. Bovendien kost het veel tijd. Letterlijke interpretatie van deze jurisprudentie zou tot gevolg kunnen hebben dat in elke zaak enkele getuigen worden meegenomen. Een onpraktische en onwenselijke uitkomst! Meegenomen getuigen voor niets op de gang laten staan, omdat de rechter voldoende weet, lijkt me onfatsoenlijk.

Niet in redelijkheid kunnen tegenwerpen

De Hoge Raad draagt zelf een voorbeeld aan, wanneer het niet meebrengen niet kan worden tegengeworpen. Als door de zitting nieuw licht valt op de noodzaak van (tegen)bewijs is het redelijk om nog de gelegenheid te bieden dat bewijs te leveren. Natuurlijk kan tijdens de zitting (pas) blijken dat nader bewijs zinvol kan zijn. Dan kon in de aanloop naar de zitting daarmee nog geen rekening worden gehouden. Ook hieraan kleeft de onwenselijke uitwerking dat het verstandig kan zijn om meer met de kaarten op de borst ter zitting te verschijnen, omdat er alsdan ter zitting meer mogelijkheden ontstaan die het oproepen van nadere getuigen noodzakelijk maken.

Duidelijke uitwerking, wellicht regiezitting

Iedereen maar meenemen naar de zitting en het te pas en te onpas overvallen raken ter zitting zijn de minder wenselijke uitwerking van deze lijn in de jurisprudentie. De meest reële oplossing is een vooruitziende blik. Als je vooraf heel duidelijk aangeeft:

  • hoe volgens jou de bewijslast ligt;
  • bij welk deel van het bewijs van de wederpartij jij vraagtekens plaatst;
  • welk (aanvullend) bewijs jij zou kunnen leveren en vooral ook waarom je dat niet direct hebt gedaan.

Is het dan ‒ de bovenstaande punten in aanmerking nemend ‒ nog steeds terecht om de standaardzin in de uitnodiging tegengeworpen te krijgen? Hopelijk zal toekomstige jurisprudentie uitwijzen dat veel situaties van het niet direct medebrengen van getuigen naar de mondeling behandeling terecht zijn.

Sommige getuigen komen niet, al vraag je erom. Zelfs na oproeping. Dat kan toch niet worden tegengeworpen? Je denkt het bewijs al te hebben geleverd, maar je zou het kunnen versterken met een aantal getuigen. Duidelijk op voorhand aangeven dat je om deze reden nog niet ingaat op de uitnodiging, kan toch niet worden tegengeworpen? Het zijn zo veel getuigen dat dit nooit in een keer ter zitting kan worden afgedaan. Vooraf vragen om een planning, zodat duidelijk is welke getuigen op welke dag zullen worden gehoord, kan toch niet worden tegengeworpen? Een goede uiteenzetting geven van de mogelijkheden om bewijs te leveren en om die reden vragen om een regiezitting?

Duidelijk is wel dat van een gemachtigde wordt gevraagd zich actiever op te stellen ten aanzien van het bewijs.

ludwijn blog 7

Conclusie

Vooraf is niet altijd duidelijk wat een rechter vindt van het door hem ontvangen dossier. Daardoor is het soms lastig in te schatten wat er nog voor nodig is om een rechter te overtuigen. Van alles aan bewijs aanbieden en vervolgens achteroverleunen totdat de rechter aangeeft dat hij bepaald bewijs graag geleverd ziet, is er niet meer bij. In de motivering van het beroep, dan wel bij nader stuk, of wat mij betreft in een brief naar aanleiding van de uitnodiging om de zitting bij te wonen, zal proactief moeten worden aangedragen wat er (eventueel) nog aan bewijs moet worden vergaard. En waarom je van mening bent dat het niet (direct) aan jou is om aan te leveren.

Overigens is een door de Belastingdienst niet compleet aangeleverd dossier ‒ zelfs al heb jij de ontbrekende stukken wel ‒ voor de rechter reden om een zaak aan te houden. Doet hij dat niet, dan wijzen op dit moment de appelrechters met regelmaat terug. In sommige gevallen een goed alternatief om een extra gelegenheid te krijgen als de zitting anders loopt dan gedacht.

Mr. B.J.G.L. Jaeger

[1] HR 17 december 2004, nr. 38831, ECLI:NL:HR:2004:AR7741, BNB 2005/152

[2] HR 23 mei 2014, nr. 12/05526 , ECLI:NL:HR:2014:1194, BNB 2014/154, herhaald in HR 10 april 2015, nr. 14/02806,  ECLI:NL:HR:2015:912.

Geheimhoudingsplicht belastingdienst wordt misbruikt

De belastingdienst heeft veel informatie en vraagt ook veel informatie. Als u door de inspecteur om inlichtingen wordt gevraagd, moet u in de regel de verlangde informatie en stukken verstrekken. Maar is die informatie in betrouwbare handen? Is de fiscus, als u wil weten wat de belastingdienst over u weet en daar naar vraagt, naar u net zo transparant als u naar hen moet zijn? De plicht om vertrouwelijk met uw informatie om te gaan is een farce. Deze plicht wordt niet gebruikt ter bescherming van uw belangen. Alleen als de belastingdienst u van inzage af wil houden en om informatie voor u af te schermen beroept de fiscus zich op hun geheimhoudingsplicht. Loopt u hier ook tegenaan? Procederen over de stukken die aan de rechter moeten worden gegeven biedt wellicht een uitkomst.

iStock_000046695222_Medium Confidential

De geheimhoudingsplicht

In artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) is geregeld dat iedereen die zich met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet bezig houdt, in principe alles geheim moet houden. Alles wat hij in dat kader ziet, opmerkt of te horen krijgt, mag hij alleen bekend maken als dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet en de invordering van belastingschulden. Een belangrijke bepaling, want het kan niet de bedoeling zijn dat alle informatie die u moet verstrekken vervolgens vrijelijk aan anderen ter beschikking wordt gesteld. Nog maar krap een jaar geleden bevestigde onze Staatssecretaris dat de belastingdienst over veel privacygevoelige gegevens beschikt en daarom de geheimhoudingsplicht strikt is.

De achtergrond van de bepaling is ook daadwerkelijk dat niemand door de vrees dat de gegevens voor iets anders dan het vaststellen van een juiste heffing worden gebruikt, moet worden weerhouden van het verstrekken van informatie aan de belastingdienst.

De uitzondering

Op deze geheimhoudingsplicht zijn vier uitzonderingen:

  1. de wettelijke verplichting tot bekendmaking;
  2. de noodzakelijke bekendmaking ten behoeve van een goede vervulling van publiekrechtelijke taken;
  3. bekendmaking aan degene op wie zij betrekking hebben, maar alleen voor zover de gegevens door of namens hem zijn verstrekt;
  4. in geval van ontheffing door de Minister.

Ad 1. De wettelijk geregelde uitzonderingen zien allereerst op de verplichting om de rechter in een fiscale procedure van de benodigde stukken te voorzien. Verder zijn er ook verplichtingen ten aanzien van de uitwisseling van informatie ten behoeve van de vaststelling van toeslagen. Maar ook aan bijvoorbeeld het college van Burgemeester en Wethouders kan informatie worden verstrekt.

Ad 2. De ‘noodzakelijke bekendmaking’ is verder en redelijk minutieus uitgewerkt.[1] Deze nadere uitwerking kent maar liefst 30 instanties die de informatie die de belastingdienst heeft op verzoek ook kan krijgen. Bij al die instanties prevaleert ‘de goede vervulling van taken’ boven het belang van geheimhouding. Deze 30 instanties maken vervolgens zelf weer een afweging wat zij met de verkregen informatie doen. Met de constatering dat er meer wel dan niet mag worden verstrekt aan andere overheidsorganen zit ik niet ver van de waarheid. Aan onder andere het Bureau Financieel Toezicht, DNB en AFM wordt bovendien spontaan informatie verstrekt als mogelijk sprake is van witwassen en/of terrorismefinanciering.

Ad 3. Bij invoering van de wettelijke bepaling over de geheimhouding adviseerde de Raad van State dat het wenselijk was de hiervoor genoemde uitzonderingen uit te breiden met verstrekking aan belastingplichtigen voor zover het gegevens over henzelf betreft. Omdat ook ‘derden’ informatie geven aan de belastingdienst en ook zij niet moeten worden weerhouden deze informatie te verstrekken, heeft de wetgever het advies van de Raad van State niet (geheel) overgenomen. De uitzondering om gegevens op verzoek te verstrekken is, lekker zinvol, beperkt tot de gegevens die zelf zijn verstrekt. Voor de rest moet ontheffing worden verkregen.

Ad 4. De restcategorie van de ontheffing is allereerst bedoeld voor stukken over jezelf, maar verstrekt door anderen. Voorts voor gevallen die eigenlijk vallen onder de tweede uitzondering, maar daarin nog niet zijn opgenomen. Tot slot voor incidentele en onvoorziene gevallen met groot maatschappelijk belang.

Gebruik van de uitzondering

Volgens de Staatssecretaris zijn, gelet op de ruime bevoegdheden om informatie te vergaren van soms privacygevoelige aard (om concurrentiegevoelige informatie maar niet te vergeten), de uitzonderingen om die reden nauwkeurig omschreven en geclausuleerd. Het komt er dus op neer dat informatie alleen mag worden verstrekt als de uitzonderingen daar in voorzien.

Gelet op de aanleiding voor de wijziging van het artikel waarin de geheimhouding is geregeld, is dat ook niet zo gek. Aanleiding voor de wijziging van artikel 67 AWR was namelijk een rapport dat de Registratiekamer, de voorganger van het College bescherming persoonsgegevens, een aantal jaren eerder had uitgebracht. Daarin werd geconcludeerd dat het in de oude wet opgenomen ontheffingenstelsel zou moeten worden vervangen om gegevensverstrekking voorspelbaarder te maken.

De uiteindelijke vormgeving van het artikel maakt duidelijk hoe onze overheid er echt in staat:

  • ondanks advies van de Raad van State mag u (in beginsel) niet zien welke informatie anderen over u hebben gegeven;
  • ondanks het rapport van de Registratiekamer waaruit volgt dat een ontheffingenstelsel niet voldoet, moet er wel een vangnet zijn voor het geval in de opsomming van 30 instanties toch iets of iemand is vergeten, waaraan het zinvol is om informatie te verstrekken.

In de nieuwe opzet van artikel 67 AWR is duidelijk aangegeven in welke gevallen de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt. Daardoor is sprake van een veel beperkter ontheffingenstelsel dan onder de oude regeling.

Misbruik van de uitzondering

De jurisprudentie leert dat de waslijst van uitzonderingen nog niet volstaat. De AFM is eerder dit jaar terug gefloten bij het gebruik van informatie over inkeerders. Deze informatie was van de belastingdienst op verzoek gekregen. In de uitwerking van de hiervoor onder 2 bedoelde uitzonderingen staat dat de belastingdienst informatie geeft over beboetingen. Hoewel dat nu weer anders is, kan een inkeerder niet strafrechtelijk vervolgd worden en kon hij niet worden beboet. De informatie mocht niet worden gebruikt.

Dit geval staat echter niet op zichzelf. Het is mij bekend dat de belastingdienst uit zichzelf informatie verstrekt die op grond van de regelgeving niet mag worden gegeven. Daarnaast rectificeert de belastingdienst de gegeven informatie niet, als naderhand blijkt dat de verstrekte informatie onjuist was, althans ten onrechte suggestief. Tot slot stuurt de belastingdienst je van het kastje naar de muur, als je heel specifiek vraagt welke informatie aan wie is verstrekt.

Veelal zal niet duidelijk worden dat de belastingdienst zijn geheimhouding heeft geschonden. Domweg omdat niet wordt opgehelderd hoe de opvolgend gebruiker aan zijn informatie is gekomen. Lang leve de anonieme meldmogelijkheden! En vaak is het kwaad al geschied als de opvolgend gebruiker iets met de informatie heeft gedaan. Om bij het in de openbaarheid gekomen voorbeeld te blijven: de (on)betrouwbaarheid van de intermediair ligt al op straat, eer de rechter verbiedt gebruik te maken van de informatie.

Op het schenden van de geheimhoudingsplicht door de inspecteur staat bovendien geen sanctie. Het uitgangspunt van onze wetgever dat overheidsdienaren de wet uit zichzelf naleven blijkt in de praktijk lichtelijk naief. Duidelijk is dat inspecteurs niet afdwingbare verplichtingen, en zo ook deze, aan hun laars lappen.

Hopelijk komt aan het gebrek aan transparantie en het niet vooraf kunnen reageren op korte termijn een einde. In het recente arrest (1 oktober 2015) van het Luxemburgse Hof van Justitie oordeelt het Hof dat de vereiste van een eerlijke verwerking van de persoonsgegevens een overheidsinstantie ertoe verplicht om de betrokkenen te informeren over het feit dat hun gegevens zullen worden overgedragen aan een andere overheidsinstantie met het oog op hun verwerking door deze laatste instantie in haar hoedanigheid van adressaat van de gegevens. De richtlijn vereist uitdrukkelijk dat elke eventuele beperking van de plicht tot informatieverstrekking wordt gesteld in een wettelijke maatregel. Ik mag hopen dat de overheid zijn eigen falen niet nu snel repareert met een onterechte aanpassing van de wet, maar erkent dat het een fatsoensmaatregel is om transparant te zijn. Juist diegenen die het niet altijd even nauw nemen met de regels moet je als overheid het goede voorbeeld geven.

Een ieder die wel eens reacties leest onder artikelen in (zelfs) het FD (zo ook hier) weet dat velen het niet veel op hebben met wettelijke formaliteiten en menen dat ‘de boef’ moet boeten. Ik meen dat een overheid die zich zelf niet aan zijn eigen regels houdt, het recht verliest om te oordelen over anderen.

Misbruik van de geheimhoudingsplicht

Er is vrij veel ophef ontstaan over ‘de tipgever’. De overheid wil de informatie geheim houden, ondanks dat het in het belang was van de belastingplichtige de betrouwbaarheid van de tipgever te toetsen. In veel andere zaken, minder pregnant en minder explosief, blijkt de belastingdienst ook buitengewoon terughoudend om duidelijk aan te geven op welke informatie een vastgestelde aanslag is gebaseerd. De gretigheid waarmee informatie aan andere overheidsorganen wordt verstrekt, de verbetenheid waarmee inspecteurs soms proberen om andere toezichthouders en het OM mee te krijgen in hun strijd tegen een belastingplichtige, steekt schril af tegen de bereidheid om verantwoording af te leggen over hun eigen ‘bevindingen’ en de getrokken conclusies daadwerkelijk toetsbaar te maken.

Opgevraagde informatie die van belang kan zijn voor het juiste oordeel in een procedure is met enige regelmaat ‘geheim’, verraadt strategieën, of zit gewoon niet in het dossier omdat de inspecteur alleen de ‘relevante’ stukken aan het dossier heeft toegevoegd. Om een belastingplichtige af te houden van kennisname van stukken wordt opeens wel te pas en ook te onpas een beroep gedaan op de geheimhoudingsplicht.

De omvang van het procesdossier

Een inspecteur moet op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht de op een procedure betrekking hebbende stukken aan de rechter toesturen. 10 april jl. heeft de Hoge Raad de (meeste) voorwaarden om te beoordelen of ook daadwerkelijk alle stukken zijn overgelegd (nogmaals) op een rij gezet. De Hoge Raad toetst de volledigheid strikt. Duidelijk is dat in beginsel alle informatie die de inspecteur ter beschikking heeft gestaan en een rol kan hebben gespeeld bij de besluitvorming moet worden ingebracht. Ook aan een gemotiveerd verzoek om stukken aan het procesdossier toe te voegen, die weliswaar niet ter beschikking van de inspecteur hebben gestaan, moet tegemoet worden gekomen.

Via dit artikel kan dus in een procedure het (alsnog) verkrijgen van veel informatie worden afgedwongen. Dan moet de informatie wel relevant zijn voor een aanslag en moet u het ook tot een procedure laten komen.

Conclusie

De belastingdienst gaat opportunistisch om met de geheimhoudingsplicht. Bij het doorgeven aan andere overheidsorganen wordt de geheimhoudingsplicht van inspecteurs uitgekleed, waar hij bij het vragen van wat er over u bekend is weer wordt aangekleed. De bepaling die is bedoeld om de informatie die er over u is geheim te houden voor derden, wordt niet ten behoeve van uw privacy gebruikt, maar wordt tegen u gebruikt. De geheimhouding is een gatenkaas als u zou willen dat uw geheimen bewaard bleven en een bastion als u transparantie wenst. Gelukkig biedt de rechter een vrij strikte mogelijkheid om in ieder geval in het kader van een procedure veel informatie boven water te krijgen. In beide gevallen is er wel vaak strijd nodig.

Mr. B.J.G.L. Jaeger

[1] art. 43c Uitvoeringsregeling AWR.

Plukken en belasten leidt tot dubbel gepakt!

Doordat het inkomen uit wederrechtelijk voordeel wordt belast in het jaar waarin het wordt verdiend en de aftrek van een velen jaren later onherroepelijk wordende ontnemingsmaatregel pas aftrekbaar wordt op het moment van betalen, leidt het heffen over crimineel inkomen (nog afgezien van een op te leggen boete) en vervolgens ‘plukken’ tot een schuld aan twee onderdelen van diezelfde overheid; plukken en belasten leidt tot dubbel gepakt!  In zijn totaliteit gaan beide de daadwerkelijk met die criminaliteit gegenereerde inkomsten verre te boven. Ondanks de bedoeling dat belastingheffing en ontneming niet cumuleren. Doordat verliezen, dus ook die ten gevolge van de aftrekbaarheid van een betaalde ontneming, maar één jaar terug en verder voorwaarts verrekenbaar zijn, biedt de aftrekbaarheid van een beetje stevige ontnemingsvordering slechts soelaas aan de crimineel met een (doorlopend) hoog inkomen. De vraag is of de in het nieuwe AAFD protocol geregelde afstemming tussen fiscus en OM voor dit probleem een oplossing biedt.

Nieuw AAFD Protocol

Per 1 juli 2015 is een nieuw protocol gaan gelden over de aanmelding en afdoening van fiscale delicten. Mijn kantoorgenote Vanessa Huygen van Dyck schreef in haar blog van 2 juli jl. al dat mogelijke strafrechtelijke alternatieven voor de ontneming er toe kunnen leiden dat meer dan de verdiensten worden afgeroomd. Een al wat langer bestaand probleem is dat de Hoge Raad het niet toestaat dat een voorziening wordt gevormd voor een nog onbetaalde ontnemingsvordering, noch afdwingbaar maakt dat op grond van het (oude) beleid daadwerkelijk afstemming plaats vindt.[1] Ik stond bij dit probleem in 2013 al uitvoerig stil in een tweetal artikelen over het beleid terzake, en over het arrest in Europees perspectief.

Hoewel veel tekst vergelijkbaar is met de oudere besluiten, is de afstemming thans als volgt verwoord:

‘Dit protocol ziet primair op de afstemming tussen Belastingdienst en OM over (voorkoming van) samenloop tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Een vergelijkbare vorm van cumulatie doet zich voor bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 74 AWR is al voorzien in een eenduidige anticumulatiebepaling bij ontneming inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Voor ontneming inzake andere delicten is echter geen vergelijkbare regeling getroffen. Vandaar dat het in die gevallen noodzakelijk is dat de Belastingdienst en het OM de handhavingsinspanningen op elkaar afstemmen.

 Het afpakken van crimineel vermogen is een waardevol middel in de bestrijding van criminaliteit. Het OM heeft regels vastgesteld voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten1. Onderdeel van die regels is onder meer dat afstemming plaatsvindt met de Belastingdienst. In het maatschappelijk verkeer genoten voordelen leiden immers in beginsel tot belastingheffing. Dat is niet anders als de voordelen wederrechtelijk zijn verkregen. Voorkomen moet worden dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Daarom is met het OM afgesproken dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert.

 Om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd, of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot ontnemen af met de Belastingdienst wanneer het geschatte voordeel ten minste € 5.000 bedraagt.’

Gaat het werken?

Afstemming was al voorgeschreven. De praktijk leerde echter dat de afstemming ofwel niet plaats vond, ofwel juist gericht leek op het elkaar informeren zodat niet louter het een of het ander gebeurde. Niet gericht dus of voorkomen van cumulatie, maar op het bewerkstelligen daarvan.

Over het op ongewenste wijze op elkaar inwerken van belastingheffing en ontneming kan verschillend gedacht worden. Ik meen in de tekst te kunnen lezen dat meer afromen dan met de criminaliteit is verdiend een ongewenste inwerking is, die met afstemming dient te worden voorkomen. Het is immers de bedoeling dat door ontneming de crimineel wordt terug gebracht in de inkomens- en vermogenspositie van voor zijn misdaad. Het is niet als aanvullende straf bedoeld. Inkomen dat uiteindelijk niet definitief wordt genoten (vanwege de ontneming, of terugbetaling aan het slachtoffer) hoeft niet te worden belast, tenzij je alleen het resultaat na belastingheffing zou ontnemen (wat nu niet het uitgangspunt is, er wordt bruto ontnomen). Ik ken echter heel wat officieren van justitie, inspecteurs en ontvangers, om nog maar te zwijgen over politici en zelfs een enkele vakbroeder, die de mening is toegedaan dat er slechts sprake is van ongewenste inwerking als het risico wordt gelopen dat ofwel de belastingheffing, dan wel de ontneming, niet ten volle zijn beloop krijgt. Zo bezien is afstemmen dan elkaar informeren!

Mogelijke belemmeringen

Bij een mogelijke belemmering door de fiscus van de ontneming kan ik me eerlijk gezegd weinig voorstellen. De instructie dat de fiscus ontneming niet moet belemmeren kenden de oude regelingen echter ook. Moet de ontvanger wachten met het innen van een aanslag die is gebaseerd op criminele verdiensten, opdat de betaling daarvan betaling van een ontnemingsvordering niet bemoeilijkt? Dat zou mooi wezen, zeker als de ontvanger na betaling van de ontneming dan zijn vordering prijs zou geven. In de praktijk ervaar ik geen uitwerking van deze instructie.

Evenals in de voorgaande regelingen staat ook nu opgenomen dat voorkomen moet worden dat nadat een ontnemingsmaatregel is opgelegd, de verdachte geconfronteerd wordt met belastingheffing over het te ontnemen voordeel. Vergelijkbare bewoordingen hebben er tot op heden altijd voor gezorgd dat de afstemming zo werd uitgelegd dat voordat de ontnemingsmaatregel er was, er niets hoefde te gebeuren. Het probleem schuilt echter in het feit dat afstemming nadat geen zin meer heeft, dan is het ‘kwaad’ al geschied.

De fiscus heeft om en nabij 5 jaar de tijd, vanaf het jaar waarin de criminele inkomsten worden verdiend, om een aanslag op te leggen waarin die inkomsten worden betrokken. Zelfs al zou het delict vrij snel na het plegen worden ontdekt, dan is de tijd die – kennelijk – nodig is voor het afronden van een strafrechtelijk onderzoek, te komen tot berechting en het afronden van een financieel onderzoek, eigenlijk altijd te lang om daarna pas tot afstemming te komen.

Vergelijk met artikel 74 Wetboek van Strafrecht

De duidelijke parallel met artikel 74 Wetboek van Strafrecht biedt hoop. Dat artikel is immers een duidelijk verbod op ontnemen in fiscale zaken. Dus geen afstemming achteraf, geen in de praktijk niet werkende ‘ongedaanmakingsverplichting’, gewoon een heldere bepaling die ‘dubbel pakken’ wil voorkomen. Op basis van die parallel kan duidelijk worden gemaakt dat de inkomsten belasten en ook in een ontneming betrekken niet samen gaat. Het is of het een, of het ander, niet beide!

Conclusie

Hoewel het nog immer afwachten is of de rechter op basis van deze gewijzigde aanwijzing zijn koers zal verleggen, biedt de huidige tekst in ieder geval (weer) meer aanknopingspunten om de bepleiten dat ook samenloop ‘vooraf’ middels afstemming voorkomen had moeten worden. Zelfs in lopende zaken kan met hernieuwde energie de strijd tegen ‘dubbel ontnemen’ worden opgepakt. Dat is dan een lichtpuntje in een overigens weinig vernieuwend, noch waarborg biedend, nieuw protocol.

[1] De hyperlink leidt naar de conclusie van AG IJzerman. De Hoge Raad heeft het desbetreffende middel afgedaan op basis van artikel 81 RO.

De risico’s van procederen: 3. De kosten van procederen.

Derde blog van de drieluik van Mr. B.J.G.L. Jaeger over de risico’s van procederen. Ditmaal de kosten van procederen uitgelicht.

Gemoraliseer in uitspraken, louter ‘sturing’ via arresten, de aangifte tegen Financiën en de trots van onze Staatssecretaris bracht mij er toe in een drieluik te bloggen over de risico’s van procederen. Het eerste deel, het risico van veel frustratie en irritatie jegens de wederpartij, de Belastingdienst, plaatste ik in de week van 27 april. Het tweede deel, over het risico van onvoldoende kwaliteit bij de procespartijen, volgde in de week van 18 mei. In dit laatste blog sluit ik het drieluik af met het risico van de kosten van procederen en de gebrekkige vergoeding daarvan bij gelijk krijgen van de rechter in een gevoerde procedure.

De discussie over de verhoging van griffierechten ten spijt, is deze kostenpost, de griffienota, in het fiscale nog altijd overkomelijk. Althans, deze valt al snel in het niet bij de kosten van een gemachtigde en bespreek ik daarom niet. Omdat een veroordeling in de kosten van de Inspecteur (anders dan bij de Ontvanger in civiele procedures) nagenoeg nooit voorkomt, laat ik ook dat risico onbesproken.[1] In dit blog beperk ik mij tot de advocaatkosten. De (eventuele) mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand laat ik daarbij buiten beschouwing, evenals de kosten van in te schakelen deskundigen en tijdens de procedure belopen schade.

De proceskostenvergoeding

Advocaten zijn duur, zeker de gespecialiseerde, en procederen is tijdsintensief. Een niet al te moeilijke procedure kost al snel € 10.000. Procedures die het tienvoudige of meer kosten zijn zeker geen extreme uitzondering. Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht regelt heel blijmoedig dat de rechter bevoegd is om de inspecteur te veroordelen in de kosten die een cliënt in verband met de behandeling van het beroep op de rechter, en het daaraan voorafgegane bezwaar (artikel 7:15 Awb), redelijkerwijze heeft moeten maken. Wie denkt dat hiermee is gegeven dat alleen onredelijke werkzaamheden, dan wel de kosten van een te dure advocaat, niet voor vergoeding in aanmerking komen, komt bedrogen uit. Behoudens uitzondering zijn de toe te kennen proceskosten gemaximeerd, ongeacht de hoogte van de daadwerkelijke declaraties.

In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is vastgesteld dat vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand plaats vindt op basis van de toekenning van punten aan proceshandelingen X een vast tarief. De meest voorkomende proceshandelingen, het beroepschrift en de behandeling ter zitting, leveren bijvoorbeeld elk 1 punt op. Het jaarlijks geïndexeerde tarief is een kleine € 500 en in de bezwaarfase is dit de helft.[2] De forfaitair bepaalde vergoeding van bezwaar en beroep samen bedraagt daardoor in de regel niet meer dan een kleine € 1.200.

Met gegrondverklaring van een bezwaar of een ingesteld beroep is volgens vaste jurisprudentie de onrechtmatigheid van de bestreden beschikking gegeven. Tenzij er sprake is van ‘eigen schuld’, zou schade die een gevolg is van die onrechtmatigheid moeten worden vergoed. Er is immers weinig reden om de gevolgen van de onrechtmatigheid niet bij de veroorzaker te leggen. Proceskosten horen daar ook onder te vallen, behoudens het dubbele redelijkheidsvereiste: het inschakelen van rechtsbijstand was onnodig of de (hoogte van de) gemaakte kosten zijn onredelijk. Om te voorkomen dat verloren procedures onze overheid te veel kost, is er echter bewust voor gekozen slechts een deel van de schade voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Niet ter voorkoming van discussie, niet om te hoge uurtarieven te vermijden, nee, domweg, omdat het anders te duur zou worden.

In het civiele procesrecht, waar in de regel burgers tegenover elkaar staan, kent men met het liquidatietarief een vergelijkbaar forfaitair systeem. In dit systeem is echter, afhankelijk van het belang van de procedure (uitgedrukt in geld, niet in ingewikkeldheid), een punt oplopend gewaardeerd van € 384 tot maar liefst € 3.211. Bij een belang boven het miljoen is de vergoeding in vergelijking tot een fiscale zaak met hetzelfde belang dus al snel 6,5 keer zo hoog.[3] Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van een maatregel of straf kan de gewezen verdachte vragen om vergoeding van de kosten van zijn raadsman. Behoudens reden voor matiging of zelfs weigering zijn de daadwerkelijke kosten uitgangspunt bij toekenning.

Fooienbesluit

Vriend en vijand is het er wel over eens dat de proceskostenvergoeding bij een gegrond verklaard fiscaal geschil in de meeste gevallen schril afsteekt tegen de daadwerkelijke kosten. Het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt in de wandelgangen dan ook wel het ‘fooienbesluit’ genoemd. Desondanks zie je in de jurisprudentie terug dat de Belastingdienst menigmaal een poging doet zelfs deze ‘schrale troost’ niet toe te kennen. Desondanks is de rechter ook niet erg genegen de ruimte die er is te gebruiken voor een iets hogere vergoeding.

Zo worden procedures al heel snel als samenhangend aangemerkt, zodat er niet voor elke procedure afzonderlijk een vergoeding wordt toegekend. Ook is de zwaarte van de procedure, voorheen gekoppeld aan een geldelijk belang, afhankelijk gesteld van hoe ingewikkeld de procedure is. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat rechters sneller een procedure bestempelen als zeer licht met een factor 0,25, zoals onlangs Hof Amsterdam, dan dat ze toegeven dat de procedure ze moeite heeft gekost: zeer zwaar, factor 2.

Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt echter een ‘escape’.

Bijzondere omstandigheden

Het derde lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht geeft aan dat in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire stelsel kan worden afgeweken. Er kan dus aanleiding zijn om de Inspecteur te veroordelen in de integrale kosten van de advocaat, althans een hoger bedrag dan het forfait.

Voor een toekenning van een afwijkende proceskostenvergoeding is volgens de Hoge Raad grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden; het zogenoemde handhaven tegen beter weten in. Voorts is in vergaande mate onzorgvuldig handelen eveneens reden een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het Besluit aan te nemen.

De rechter stelt echter niet al te hoge eisen stelt aan Inspecteurs. Niet vaak wordt de Inspecteur veroordeeld tot betaling van afwijkende proceskosten omdat zijn onjuiste standpunten tegen beter weten in zouden zijn ingenomen. Niet snel vindt een rechter dat onzorgvuldigheden erg genoeg zijn om een hogere vergoeding toe te kennen. Daar waar de vergoeding zo uit de pas loopt met de daadwerkelijke kosten, daar waar de houding van een Inspecteur zo vaak oorzaak is van extra werkzaamheden, daar waar toch juist bij de Inspecteur de expertise verondersteld mag worden van een juiste uitleg van de wet, zou een iets ruimhartiger erkenning van redenen om af te wijken van ‘het fooienbesluit’ rechtvaardig zijn. Zeker bij een ‘eenvoudige procedure’ zou het desondanks verdedigen van een onjuist standpunt toch al snel tot een verwijt moeten leiden?

Proportionaliteit

Een burger, die op initiatief van de overheid een onjuiste aanslag krijgt opgelegd, loopt derhalve een groot risico te blijven zitten met een meer dan aanzienlijk deel van de kosten om zijn recht te halen. Het risico van je tot de rechter wenden wordt zo grotendeels en op grond van discutabele uitgangspunten door de overheid afgewenteld.

Het is de hoogste tijd om ook een bijzondere omstandigheid voor afwijking van het forfait te zien in het feit dat het verschil tussen forfait en kosten dermate groot is dat het onredelijk is om daar de burger mee op te zadelen. Hoewel Hof Den Bosch in de uitspraak van 2 april 2015 de afwijking van het forfait ook ‘ankert’ in een ‘tegen beter weten in’ argumentatie, komen de bijkomende omstandigheden om af te wijken al aardig in de buurt van de hopelijk op kortst mogelijke termijn door de Hoge Raad te erkennen derde uitzondering.

Het Hof stelde:

‘(…) Dit in combinatie

  • met de omstandigheid dat werkelijke kosten van in totaal € 20.823,70 in wanverhouding staan tot het – uiteindelijk – bepaalde bedrag van de teruggaaf ad € 1.572, en
  • met de omstandigheid dat de tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar en de proceskosten volgens het puntenstelsel ((1 punt bezwaarschrift) + (1 punt beroepschrift + 1 punt zitting Rechtbank) is tezamen € 1.092 en (1 punt hogerberoepschrift + 1 punt zitting + 1 punt zitting na HvJ + 0,5 punt conclusie na HvJ + 2 punten pleiten zitting HvJ) = 5,5 x € 490 = € 2.695) van in totaal € 3.787, in wanverhouding staat tot de werkelijke kosten,

is het Hof van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden (…).’

Dit oordeel begint er al een beetje op te lijken. Maar het moet nu nog als zelfstandige grond worden erkend. En wat mij betreft bovendien zonder koppeling aan het geldelijk belang van de procedure zelf of het feit dat een beroep wordt gedaan op EU-recht.

Waarom zou een wanverhouding tussen vergoeding en daadwerkelijke kosten bij een hoog geldelijk belang wel redelijk en proportioneel zijn en geen belemmering om onjuist overheidsoptreden te bestrijden?

[1] Heel sporadisch doet zich een veroordeling voor in het geval van kennelijk onredelijk procederen.

[2] Het gewicht van de zaak, alsmede de hoeveelheid samenhangende zaken, kan nog een factor opleveren waarmee de vergoeding moet worden vermenigvuldigt.

[3] Eerlijkheidshalve moet ik hier wel aan toevoegen dat de vergoeding in een fiscale procedure al wordt toegekend bij gelijk krijgen op een mineur punt, terwijl in een civiele procedure elke partij al snel zijn kosten draagt bij over en weer gedeeltelijk gelijk krijgen.

De risico’s van procederen: 2. Onvoldoende kwaliteit van procesdeelnemers

In een column op advocatie keurde Lucien Wopereis een enkele week geleden rechterlijk gemoraliseer in uitspraken af. De Hoge Raad vraagt zich in blogstelling #2 op de jubileumwebsite af of de Belastingkamer rechtbanken en gerechtshoven uitsluitend moet ‘sturen’ via zijn arresten. Ondertussen doet de president van Hof Arnhem-Leeuwarden aangifte omdat Financiën ambtenaren zou hebben beïnvloed bij het afleggen van een getuigenverklaring en is onze Staatssecretaris, in zijn reactie op het rapport van de Ombudsman waarin conclusies worden getrokken over een recordaantal klachten, trots op de professionaliteit van de Belastingdienst. Een en ander heeft mij gebracht tot een drieluik over de risico’s van procederen. Het eerste deel, het risico van veel frustratie en irritatie jegens de wederpartij, de Belastingdienst, plaatste ik in de week van 27 april. Dit blog gaat over het risico van onvoldoende kwaliteit bij de procespartijen. In het laatste blog sluit ik over een enkele week af met de kosten van procederen en de gebrekkige vergoeding daarvan bij gelijk krijgen.

Welk risico loopt een belastingplichtige bij onvoldoende kwaliteit van de procesdeelnemers? Ik benader dit vanuit de fiscale procedure waar een advocaat als gemachtigde wordt ingeschakeld en onderwerp achtereenvolgens de advocaat, de inspecteur en het rechterlijk college aan een kritische blik.

De gebonden beschikking

In het belastingrecht wordt uitgegaan van de zogenoemde ‘gebonden beschikking’. Dat wil zeggen dat in de fiscaliteit als uitgangspunt wordt genomen dat de belastingwetten exact voorschrijven hoe de aanslag er uit moet zien. Daarbij wordt geen beoordelingsruimte gelaten aan de Belastingdienst. De inspecteur heeft de wet dus gewoon uit te voeren en toe te passen, de advocaat kan weinig meer dan uitleggen wat de juiste wetstoepassing is en de rechter geeft ‘slechts’ een oordeel over hoe de wet werkt. Zo bezien is het verbazingwekkend dat er veelvuldig in het fiscale wordt geprocedeerd.[1] Zo bezien doet alleen de kwaliteit van de rechter er toe. De advocaat en de inspecteur mogen niet van invloed zijn op de uitslag van de procedure, die zijn slechts ballast.

De praktijk is duidelijk weerbarstiger dan de theorie. Gelukkig maar. Ware dat anders, dan zou ik al snel brodeloos zijn.

De advocaat

Het voornaamste risico van het inschakelen van een advocaat zijn de kosten. Over het gebrek aan vergoeding daarvan, zelfs bij een gewonnen procedure, heb ik het de volgende keer. Minst genomen kan een advocaat zijn cliënt laten weten wat gebruikelijk is en wat afwijkend. Daarmee kan hij onzekerheid zo veel mogelijk wegnemen en irritatie en frustratie kanaliseren. Hoewel dat een belangrijke taak is, en zowel onzekerheid als irritatie heel vaak een fnuikend en veelal onderschat onderdeel van procederen uitmaakt, schuilt een voornaam risico van procederen in de keuze van (en voor) de (een) advocaat.

Het lijkt mij evident dat een goede advocaat laat weten wanneer de gewenste procedure achterwege moet blijven omdat die onvoldoende kansrijk is. Of de kosten de baten niet te boven zullen gaan. Wanneer het inschakelen van rechtsbijstand onvoldoende toegevoegde waarde heeft omdat iemand het zelf af zou moeten kunnen. Of wanneer de goede advocaat domweg niet de juiste is voor het probleem. Er zijn echter ook minder goede advocaten, sterker nog, knap slechte. Maar daar komt bij dat als overtuigingskracht een goede competentie is voor een procederende advocaat en die competentie begint bij overtuigd zijn, het weinig toelichting behoeft dat een juiste inschatting van mindere kwaliteiten binnen de advocatuur niet altijd even ontwikkeld is. En als vasthoudendheid een pre is, is ‘toegeven’ dat al snel minder. Veel alternatieven kunnen bedenken voor het eigen gelijk is een gave, maar vertroebelt wellicht de beoordeling van de kansrijkheid.

Niet elke zaak vergt een super specialist, niet elke de meest ervaren speler in het veld. De vergelijking met kwaliteit in de zorg lijkt me te maken. Daar lijkt duidelijk uit te wijzen dat kwaliteit samenhangt met het ‘kunstje’ vaak genoeg uitvoeren. Veel procederen maakt het een beetje beter mogelijk die inschattingen te maken die een goede advocaat moet maken. Dat is nog geen garantie voor succes. Maar hoewel een cliënt aan beiden weinig heeft en het verschil zelfs achteraf niet eenvoudig te duiden is, geldt (voor mij): liever een afwijkend resultaat omdat de rechter het niet heeft begrepen, dan omdat de inschatting onjuist is geweest.

De inspecteur

Naar ik begrijp beginnen rechters veelal het procesdossier te lezen met het ter hand nemen van het verweerschrift van de inspecteur. Het is ook de inspecteur die de verplichting heeft het dossier compleet aan te leveren en bij het verweer alles, voordelig en nadelig, te voegen dat van belang kan zijn voor het nemen van de juiste beslissing. Hoe goed het rechterlijk college ook is, het verweer kleurt de zaak.

Erger dan een goede inspecteur, is een slechte inspecteur. Het spreekt redelijk voor zich dat een inspecteur die ontlastende informatie onder de pet houdt schadelijk kan zijn voor de uitkomst van een procedure. Vanzelfsprekend is voor de cliënt en de advocaat in veel gevallen niet bekend wat achter wordt gehouden. Voorts heeft de rechter veelal niet veel zin mee te gaan in de gedachte dat stukken ontbreken, alhoewel daarin het tij wat kentert. Daarnaast moet ook een inspecteur veel van de inschattingen maken die ik hiervoor noemde bij de advocaat. Een slechte inspecteur zorgt voor nodeloze procedures of voor door procederen waar een oplossing voor het grijpen lag.

Het grootste risico bij een slechte inspecteur is echter dat de essentie van de procedure onvoldoende (snel) aan het licht komt. Niet (direct / echt) duidelijk maken waar het de inspecteur om te doen is, houdt niet alleen het risico in dat hij daar op een later moment nog wel mee komt. Gelet op het uitgangspunt van de ‘gebonden beschikking’ (zoals ik in het begin beschreef) bestaat zelfs het risico dat de rechter alsnog doet wat de inspecteur heeft nagelaten en in de uitspraak de belastingplichtige overvalt met wat een juiste rechtstoepassing is.[2]

De rechter

Binnen de ruimte die de wet biedt (lees: in beginsel geen) moet de rechter het oordeel vellen over het geschil. Eer je welkom bent om de zaak tegenover een rechter toe te lichten is in de regel ruim een jaar voorbij. Daarna is het vaak nog twee à drie maanden wachten op de uitspraak. Eventueel hoger beroep kost nogmaals zo veel tijd, cassatie gaat vaak iets sneller, al is het maar omdat de Hoge Raad erg weinig behoefte voelt om partijen te ontvangen. Tijdsverloop alleen is echter wellicht niet onder kwaliteit te scharen.

Bejegening en kennis wel. Advocaten zijn eigenwijs, rechters zo mogelijk nog veel eigenwijzer. Of daar, gelet op de tijds- en productiedruk waaronder rechters moeten werken, veel reden voor is waag ik met enige regelmaat te betwijfelen. Daar komt bij dat, hoewel de Belastingkamers natuurlijk al een vorm van specialisatie zijn, de rechterlijke macht een minder vergaande specialisatiegraad kent dan binnen de fiscale advocatuur gemeengoed lijkt te zijn geworden. Vier oorzaken die ‘fouten’ in de hand werken. Hoger beroep en cassatie bieden dan wel de mogelijkheid van herkansing, maar dat mag geen vergoelijking zijn van een onjuiste uitspraak, noch daargelaten dat iemand het wel op moet weten te brengen en ook kunnen gelet op de kosten die met een verdere procedure samenhangen, gebruik te maken van een herkansingsmogelijkheid.

Voor waarheidsvinding (anders dan die blijkt uit ingebrachte stukken) is geen gelegenheid. Aan getuigen is geen behoefte, zeker nu de Hoge Raad accepteert dat het aanbod daartoe kan worden gepasseerd onder verwijzing naar een standaardriedel in de uitnodiging voor de zitting dat je ze mee had mogen nemen. Het lijkt – tot slot – dat de wrakingscultuur (maar het kan ook de toegenomen productiedruk zijn of een andere oorzaak) er voor heeft gezorgd dat de rechter lijdelijker is geworden. Niet alleen in het onderzoek, al dan niet ter zitting. Ook en vooral in het ter zitting duidelijk maken waar het rechterlijk college naar neigt in zijn beslissing. Die lijdelijkheid belemmert dat eventuele vreemde ideeën ter discussie komen en onduidelijkheden voorafgaand aan de uitspraak kunnen worden weggenomen.

Ik denk dat ‘we’ ons in de fiscaliteit nog behoorlijk gelukkig mogen prijzen met de kwaliteit van de procesdeelnemers. Desondanks laat ‘kwaliteit’ met regelmaat te wensen over. Mede omdat we niet gewoon zijn elkaar aan te spreken op verbeterpunten, laat staan op een gebrek aan kwaliteit, is het voor veel procesdeelnemers zelf al lastig van zichzelf te weten of ze goed zijn of niet. Voor buitenstaanders is die inschatting dan al helemaal moeilijk te maken. Voorts krijg je de inspecteur en het rechterlijk college toebedeeld. Daar is wel enige invloed op uit te oefenen, maar niet veel. Gelijk hebben is mooi, gelijk krijgen de kunst. Kwaliteit is en blijft daar een risico. Ongelijk hebben, maar wel gelijk krijgen, is overigens ook mooi. En daar kan een gebrek aan kwaliteit soms weer toe bijdragen.

[1] Een belangrijk veroorzaker, de wetgever die niet alleen heel veel regelt, heel erg minutieus, veel telkenmale aanpast en dan ook vaak nog onvoldoende duidelijk opschrijft wat de bedoeling is, laat ik hierin buiten beschouwing.

[2] ‘Overvallen’ mag niet en de rechter moet het minst genomen ter sprake brengen, maar ook daarin is de praktijk weerbarstiger dan de theorie.

De risico’s van procederen: 1. Frustratie en irritatie

In een column op advocatie keurt Lucien Wopereis vorige week rechterlijk gemoraliseer in uitspraken af.[1] De Hoge Raad vraagt zich in blogstelling #2 op de jubileumwebsite af of de belastingkamer rechtbanken en gerechtshoven uitsluitend moet ‘sturen’ via zijn arresten.[2] Ondertussen doet de president van Hof Arnhem-Leeuwarden aangifte omdat Financiën ambtenaren zou hebben beïnvloed bij het afleggen van een getuigenverklaring[3] en is onze Staatssecretaris, in zijn reactie op het rapport van de Ombudsman waarin conclusies worden getrokken over een recordaantal klachten, trots op de professionaliteit van de Belastingdienst.[4] Een en ander brengt mij tot een drieluik over de risico’s van procederen. Allereerst het risico van veel frustratie en irritatie jegens de wederpartij, de Belastingdienst. De komende keer over het risico van onvoldoende kwaliteit bij de procespartijen. In het derde blog sluit ik af met de kosten van procederen en de gebrekkige vergoeding daarvan bij gelijk krijgen.

Allereerst de frustratie en irritatie die vaak samen gaat met procederen. Ik benader deze vanuit de cliënt en laat de irritatie en frustratie die rechtzoekenden en hun raadslieden ongetwijfeld anderen bezorgen onbesproken.

Initiatief omgekeerd

In tegenstelling tot in het civiele- en in het strafrecht, waar je kan reageren op wat een andere burger of de Officier van Justitie van je wil, is het initiatief tot procederen in het belastingrecht omgedraaid. Zonder externe controle bepaalt de overheid wat je zou moeten bijdragen aan de schatkist en vervaardigt deze zo nodig zelf een executoriale titel om het ‘verschuldigde’ ook daadwerkelijk te komen halen. Als de aanslag te hoog is vastgesteld, of ten onrechte wordt geïnd, moet je als burger zelf op zoek gaan naar je recht. Mede om deze reden was het uitgangspunt in de procedureregels ook in den beginne dat een ieder zelf, zonder bijstand, zou moeten kunnen procederen. Inmiddels is het woud aan formaliteiten toch weer zo omvangrijk geworden, dan wel wordt het zo strikt toegepast, dat menigeen hierover struikelt en bij de rechter geen inhoudelijk oordeel krijgt over zijn geschil. Procesbijstand is niet voorgeschreven, maar van het de hand uitreiken naar de niet juridisch geschoolde burger, zijn we toch wel ver afgeraakt. Of dat nou is omdat hij niet kan aantonen dat hij de aanslag nooit heeft gezien, de griffienota nooit heeft ontvangen of niet kan betalen, alleen Frans schrijft, of een andere reden. Feit is dat in veel uitspraken een inhoudelijk oordeel over de reden dat een cliënt zich tot de rechter wendt achterwege blijft.

Ik zou menen dat, zeker daar waar de burger zelf, zonder bijstand, in het geweer komt tegen de overheid die hem wat aan doet en het initiatief naar hem heeft verschoven, wat vaker het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Zeker daar waar de overheid verschillen aanlegt in de regels die voor haarzelf gelden (bijvoorbeeld: aantonen dat een stuk de belastingdienst heeft verlaten) en voor de burger (bijvoorbeeld: aantonen dat het stuk de overheid ook daadwerkelijk heeft bereikt). Het vertrouwen in de computergestuurde postverwerking bij de belastingdienst, alsmede in de uiteindelijk minder computergestuurde postbezorging blijft (ten onrechte) ongekend groot.[5] Het risico van fouten wordt (ten onrechte) geschoven naar de burger.

Onvoldoende maatwerk, geen dienstverlening

Jammer genoeg is dit niet de enige bron van irritatie en frustratie. Naast het formalisme is (natuurlijk) de bejegening een voorname veroorzaker van ongenoegen. Omdat zowel de belastingdienst, als de rechterlijke macht, een productiebedrijf is (geworden), is de oorzaak van deze bron van irritatie niet alleen lastig tegen te gaan, het is zelfs moeizaam begrip te krijgen voor het probleem.

Niet voor het eerst, en waarschijnlijk ook niet voor de laatste keer, was de belastingdienst, meer in het bijzonder het deel dat over toeslagen gaat, in 2014 grootgrossier in klachten bij de Ombudsman. Uit het onderzoek van de Ombudsman komen de volgende (herkenbare) knelpunten naar voren: onvoldoende (ruimte voor) maatwerk en dienstverlening als burgers daarom vragen, gebrek aan voortvarendheid bij het nemen van beslissingen en het oplossen van problemen, onvoldoende informatieverstrekking over vertraging of over de stand van zaken, het niet nakomen van toezeggingen en het onbehandeld laten van toegestuurde stukken.[6] Het is opvallend hoe vaak je achter een reactie aan moet, bij een organisatie die het zelf niet kan laten om aan het eind van praktisch elke brief een (nergens geregelde) reactietermijn op te nemen. Een termijn die voor henzelf volstrekt onhaalbaar zou zijn. Desalniettemin volgt op die zelf bedachte termijn, als het even meezit, nog een uitleg over het onheil dat over je wordt uitgestort als je er niet aan voldoet. Het is verwonderlijk dat de Belastingdienst in haar nieuwe contract met de postbezorgers de termijn voor het afleveren van haar post contractueel heeft verlengd van twee tot vier dagen. Het is eigenaardig hoe vaak de wel wettelijk geregelde termijn om een beslissing te nemen niet wordt gehaald. Veelal omdat de bestreden beslissing die zorgvuldig voorbereid zou moeten zijn, gebaseerd is op voorlopige gissingen. Maatwerk? Dienstverlening? Volgens mij vergis ik mij niet, als ik stel dat volgens menig fiscaal ambtenaar meent dat de burger er is voor de belastingdienst, en zeker niet andersom. De trotse Staatssecretaris maakt in zijn reactie op het rapport volgens mij direct duidelijk waar de schoen wringt:

De Belastingdienst is verantwoordelijk voor het innen van belastingen en het uitkeren van toeslagen. De ruim 28.000 medewerkers hebben hierover jaarlijks honderden miljoenen contacten met burgers en bedrijven. Iedere werkdag komt 1 miljard euro aan belastinginkomsten binnen. Daarnaast worden maandelijks 7,1 miljoen toeslagen uitgekeerd. Binnen die massaliteit van deze processen worden fouten gemaakt. De toename van het aantal klachten in het afgelopen jaar is te verklaren door een groei van het aantal beschikkingen en een verscherpt toezicht op fraude. Als we terugkijken tot 2006, dan is het aantal klachten bij de Belastingdienst/Toeslagen gehalveerd, terwijl het aantal beschikkingen is verviervoudigd tot 25 miljoen per jaar. Daarmee komt het percentage klachten op circa 0,02% van alle beschikkingen.

Ongepaste trots

Volgens mij is de reactie dat het aantal klachten procentueel wel meevalt niet erg passend bij een verwijt van onvoldoende maatwerk. Bij een dergelijke reactie, sterker nog, de mededeling trots te zijn, zal verandering niet bovenaan het lijstje komen te staan. Zal de irritatie en de frustratie blijven. Misschien toevallig, misschien niet, stond in de nieuwsbrief waarin ik kennis nam van de reactie van de Staatsecretaris, een ander oordeel van de Ombudsman:[7]

Een vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen een beslissing van de Belastingdienst/Toeslagen. De afhandeling van het bezwaarschrift duurt meer dan een jaar maar valt positief uit. De vrouw hoeft niets terug te betalen. Toeslagen blijkt de beslissing op het bezwaar echter niet goed te verwerken, waardoor de invordering (weer) is opgestart. Het gevolg is dat Toeslagen gaat verrekenen, tevens stuurt Toeslagen een herinnering, vervolgens een aanmaning en ten slotte een dwangbevel naar de vrouw omdat ze nog haar schuld moet betalen. De vrouw en haar vader proberen met telefoontjes en brieven duidelijk te maken dat de vrouw geen bedrag aan Toeslagen schuldig is. De invordering wordt echter niet stopgezet. De vrouw heeft zich daarop tot de Nationale ombudsman gewend.

Is dit een fout die voor kan komen in de massaliteit van het proces? Past hier de reactie: Ach mevrouw, in 99,98% van de gevallen gaat het wel goed. Vervelend, maar in de veelheid van taken die de Belastingdienst op zich heeft genomen worden nou eenmaal fouten gemaakt. Gelukkig krijgt u wel een excuus en een bloemetje!

Nee, mensen die veelal maar eens in hun leven een procedure aan gaan hebben terecht allereerst geen boodschap aan het massale proces. En dan heb ik het nog niet eens over de constatering dat excuses en bloemen stelselmatig uit blijven. Maar bovenal: de klachten die bij de Ombudsman terecht komen zijn veelal niet van het kaliber waarvan iedereen snapt dat het soms kan gebeuren. Ze geven vaak een beeld van een organisatie waar te veel mensen werken die het onvoldoende kan schelen. Of die het te druk heeft. Of die het slecht geregeld heeft. En dat wekt irritatie. Dat frustreert.

Ik zelf troost mij met de gedachte dat een foutloos opererende Belastingdienst mijn nachtmerrie is en leg cliënten uit dat een opeenstapeling van fouten en onzorgvuldigheden wellicht helpt het kwartje op zijn kant te kantelen. En vorm, en sfeer, en onderbuik, kan van belang zijn als de kwaliteit van rechtspraak niet altijd optimaal is. Maar daarover mijn volgende blog …

[1] http://www.advocatie.nl/column-rechterlijk-gemoraliseer-de-loyens-loeff-zaak

[2] http://100jaar.belastingkamerhr.nl/blogstelling-2/

[3] http://www.nu.nl/politiek/3940605/gerechtshof-doet-aangifte-ministerie-van-financien.html

[4] http://www.nieuwsbank.nl/inp/2015/02/12/T252.htm

[5] http://nieuws.thepostonline.nl/2015/03/03/weer-een-postnl-medewerker-die-post-dumpt-inclusief-stempassen/

[6] https://www.fintool.nl/23205/recordaantal-klachten-over-belastingdienst.htm

[7] Rapportnummer 2015/017 van 11 februari 2015

Procederen over belastingen: angst en ratio

Je hoort wel eens dat ondernemers beter maar niet kunnen procederen over hun belastingen. Omdat zij belang hebben bij een goede verhouding met de belastingdienst en ook omdat een procedure een ‘tombola’ is. Maar is dat ook echt zo? Of is angst ook in dit geval een slechte raadgever?

Een grondige afweging

Er zijn natuurlijk goede redenen om van geval tot geval te bekijken of een procedure wenselijk en noodzakelijk is. Een gang naar de rechter legt een flink emotioneel beslag op wie het overkomt. Procederen kost ook tijd en geld. En er moet soms rekening worden gehouden met publiciteit en imagoschade.risico

Niet voor niets schrijft artikel 3.7.1 van de Gedragscode voor Europese advocaten het volgende voor:

De advocaat dient te allen tijde te trachten om in het geschil van de cliënt een oplossing te vinden, die is aangepast aan het belang van de zaak, en hij zal de cliënt op het juiste moment nadrukkelijk adviseren over de wenselijkheid om tot een schikking te komen of een beroep te doen op alternatieve oplossingen om het geschil te beëindigen.”

Als een advocaat zijn cliënt adviseert om te procederen, moet hij dus een goede inschatting maken van alle aspecten die daarbij voor die cliënt spelen. En dat zijn er vele.

Tijd

Ondanks alle pogingen om de rechtsgang te versnellen, gaat een procedure meestal lang duren. Voor de bezwaar- en beroepsfase wordt twee jaar als redelijk gezien (een half jaar voor bezwaar, anderhalf voor de procedure bij de rechtbank), voor hoger beroep nog eens twee jaar en uiteindelijk nog eens twee jaar voor cassatie. In het ergste geval ben je dus zes jaar verder voordat er een definitief oordeel ligt. Die tijdsduur kun je als procespartij maar zeer beperkt beïnvloeden: vertragen is veel eenvoudiger dan versnellen.

Imago

Dan de publiciteit. De risico’s daarvan moeten niet worden overdreven. Journalisten hebben niet veel aandacht voor fiscale procedures. Dat komt aan de ene kant doordat de fiscale rechtsgang niet openbaar is, maar ook als de wet wordt gewijzigd omdat de politiek meer transparantie wil bij de fiscale procedure (“openbaar, tenzij”), verwacht ik dat de publieke interesse beperkt blijft: belastingheffing heeft nu eenmaal een stoffig imago en de aandacht die het strafrecht heeft, zal het belastingrecht nooit krijgen.

Kosten

Een belangrijke en lastige afweging is die van de kosten: weegt het belang van de procedure op tegen de kosten van rechtsbijstand? Gaat het om een eenmalige of jaarlijks terugkerende correctie?

Tegenover de terechte zorg voor hoge kosten staat dat het griffiegeld nog steeds heel laag is en dat er in een fiscale procedure (in tegenstelling tot de civiele procedure) nauwelijks risico is van een veroordeling in de proceskosten van de tegenpartij is.

Wezenlijk is natuurlijk dat de kosten worden bezien in het licht van de essentiële vraag: hoe groot is de kans op gelijk krijgen? Daarover hierna meer.

Vriendjes blijven

Over de vaak gehoorde wenselijkheid van een goede verhouding met de belastingdienst kan ik kort zijn: meestal is dat onzin.

Of de belastingdienst het leuk vindt dat er wordt geprocedeerd, is voor de cliënt nauwelijks van belang. Voor een rechtsbijstandverlener (de advocaat) ligt dat misschien anders, maar dát is voor de cliënt dan weer niet relevant.

In mijn lange carrière als fiscaal advocaat heb ik eigenlijk nooit meegemaakt dat het voeren van een procedure cliënten naderhand kwalijk werd genomen. Zeker niet als ook de inspecteur vindt dat het ging over iets waarover meningen nu eenmaal kunnen verschillen. Als dat anders ligt en de fiscus bijvoorbeeld boetes wegens opzet oplegt, zijn de verhoudingen meestal al zo verziekt dat procederen helemaal niets meer uitmaakt.

Het is trouwens goed om te bedenken dat de belastingdienst een grote instelling is. Procedures worden meestal door een speciaal team gevoerd en er wordt veel met behandelaars geschoven. Ook daardoor blijkt het collectieve geheugen van de belastingdienst altijd weer buitengewoon kort.

Succes?

Het is – en daarmee kom ik bij de moeilijkste afweging – voor een belastingplichtige erg lastig om in te schatten wat bij een procedure de kans is op succes. Procederen is mensenwerk. Hoeveel tijd gaat het kosten om de inspecteur te overtuigen? Laat die zich, al zijn de argumenten nog zo goed, überhaupt wel overtuigen? Hetzelfde geldt voor de rechter. Is die goed ingevoerd, staat hij open voor een andere kijk op de zaak?

In een procedure wordt niet met gelijke maten gemeten. De bewijspositie van de belastingplichtige is niet dezelfde als die van de belastingdienst. Dat vloeit voort uit de wet, maar er zit ook een gevoelsmatige kant aan: de belastingdienst heeft immers, zo is de perceptie, geen reden om te liegen, terwijl de cliënt vaak wel een belang zou kunnen hebben bij het verdraaien van feiten. Dat maakt de inspecteur geloofwaardig en wat de cliënt of diens adviseur inbrengt, bij voorbaat verdacht. Over het hoofd wordt gezien dat ook (of juist) de inspecteur zich kan vergissen. Dan liegt hij weliswaar niet, maar hij heeft wél ongelijk. Deze ongelijkheid maakt procederen riskant.

En dus … een grondige afweging

Ik ben het er dus van harte mee eens dat het de moeite waard is om altijd goed te overwegen of een procedure wenselijk is dan wel beter kan worden vermeden. Een redelijke schikking is te verkiezen boven het risico van een partijtje vechten, maar het venijn zit ‘m in de vraag wat redelijk is. Neem daarbij in aanmerking dat in een later stadium vaak ook nog kan worden geschikt. De druk van een lopende procedure kan helpen bij onderhandelingen, al was het maar omdat een uitspraak in het voordeel van de belastingplichtige voor de fiscus soms heel lang en breed doorwerkt: de belastingdienst kan daarvan in toekomstige zaken veel last hebben. Voor de belastingplichtige gaat het doorgaans om een weliswaar belangrijke, maar eenmalige kwestie.

Laat u helpen

Bij het maken van al deze lastige afwegingen komt het aan op ervaring. Met procederen en met onderhandelen. Mijn kantoorgenoten en ik hebben die ervaring in ruime mate en zetten die graag in op het moment dat u de knoop moet doorhakken. Hoe eerder u ons erbij betrekt, des te beter kunnen wij u helpen bij nemen van een verantwoorde, niet door angst gemotiveerde beslissing.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of hulp bij uw beslissing over het al dan niet voeren van een procedure? Bel dan met mr. Ludwijn Jaeger.