De exotische uitstapjes van de Belastingdienst

Binnen de fiscaliteit kennen we de tweewegenleer. Dit houdt in dat de Belastingdienst naast de bevoegdheden de hij heeft op grond van het publieke recht (bijvoorbeeld de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, de Algemene Wet Bestuursrecht en de Invorderingswet) ook, weliswaar binnen zekere grenzen, gebruik kan maken van de mogelijkheden die het privaatrecht biedt, bijvoorbeeld het civiele kort geding. De afgelopen jaren zien we steeds vaker dat de Belastingdienst naar deze toch min of meer ‘exotische’ instrumenten grijpt. De inspecteur om via een civiel kort geding informatie te verkrijgen en de ontvanger om schade, bestaande uit belastingschulden, te verhalen op een derde (niet zijnde de belastingplichtige). Op deze werkwijze(n) ga ik in dit blog in.

Inleiding

In liefde en oorlog is alles geoorloofd of met andere woorden in bepaalde situaties mag alles. In het kader van het voorkomen of oplossen van belastingontduiking lijkt dit spreekwoord de lijfspreuk van de Belastingdienst te zijn (zie ook mijn blog ‘De belastingadviseur als klikspaan’). Niet alleen de geëigende routes om informatie te vergaren (artikel 47 AWR) of belastingschulden te innen worden daarbij gebruikt. De medewerkers van de Belastingdienst denken ook ‘out-of-the-box’ en introduceren nieuwe methoden om resultaten te behalen. Zagen we in een eerder stadium al dat de inspecteur het civiele kort geding benut om belastingplichtigen te dwingen (onder last van een dwangsom) informatie te verstrekken, inmiddels zien we ook dat de ontvanger deze route bewandeld om belastingschulden te incasseren.

Informatieverplichtingen

Op grond van artikel 47 AWR kan de inspecteur, voor zover relevant voor de belastingheffing, vragen stellen aan de belastingplichtige en hem eveneens vragen documenten ter inzage te verstrekken. Voldoet de belastingplichtige niet of in de ogen van de inspecteur niet voldoende aan deze verplichting dan kan de inspecteur op grond van artikel 52a AWR een informatiebeschikking uitvaardigen. In een procedure daarover komt vervolgens vast te staan of het informatieverzoek van de inspecteur gerechtvaardigd is en of de belastingplichtige die informatie dus moet verstrekken. Indien dit het geval is en de belastingplichtige blijft weigerachtig hieraan gevolg te geven, dan kan de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard. Het is dan aan de belastingplichtige te bewijzen dat de belastingaanslag en/of de uitspraak op bezwaar niet juist is.

Naast deze fiscale route om informatie te verkrijgen, kan de inspecteur ook gebruik maken van de mogelijkheden die het civiele recht hem biedt. Daarbij doel ik op de mogelijkheid om een civiel kort geding te starten. Bij de invoering van de informatiebeschikking is uitvoerig gesproken over de vraag of deze route niet moet worden afgesneden als de inspecteur een informatiebeschikking uitvaardigt of het er fiscaal bij laat zitten. De wetgever heeft, in al zijn wijsheid, gemeend dat die route niet moet worden gekozen. In artikel 52a, lid 4, AWR is dan ook expliciet opgenomen dat de inspecteur de bevoegdheid heeft om beide paden te bewandelen.

In de parlementaire geschiedenis leek deze marsroute nog te worden beperkt tot ‘bijzondere gevallen’, maar de praktijk wijst uit dat hieraan verder geen gevolg wordt gegeven. De Hoge Raad oordeelde immers dat artikel 52a, lid 4, AWR de inspecteur de bevoegdheid geeft een civiel kort geding te starten en dat de wetgever de inspecteur daarbij ook geen strobreed in de weg heeft willen leggen.

Dat de inspecteur deze mogelijkheden nog steeds volledig in beeld heeft, blijkt wel uit de dagelijkse gang van zaken. Uit de 21e-halfjaarsrapportage van de Belastingdienst bijvoorbeeld volgt dat de inspecteur het lastig heeft om bij de kwesties over de Panama en Paradise Papers informatie boven tafel te krijgen. In de rapportage staat letterlijk “Dit is een tijdrovende procedure, omdat vanwege het ontbreken van brondocumenten op andere wijze bewijsmateriaal vergaard moet worden (onder andere door opvraag in het buitenland)”. Dit is opmerkelijk, aangezien Nederland ook is ingegaan op het aanbod van Duitsland om de brondocumenten van de Panama Papers (die Duitsland mogelijk voor 5 miljoen euro heeft gekocht) te verwerven. Wat de praktijk in ieder geval laat zien is dat de inspecteurs die bij de afwikkeling van de Panama Papers betrokken zijn de betreffende belastingplichtige onder druk proberen te zetten. In die zin dat als niet wordt voldaan aan het informatieverzoek de inspecteur gebruik kan maken van de mogelijkheden om (i) een informatiebeschikking uit te reiken, (ii) een civiel kort geding te starten en (iii) een strafrechtelijke procedure op te tuigen.

Belastingschulden en schade

Maar naast de inspecteur heeft ook de ontvanger de mogelijkheden om een zaak naar zijn hand te zetten met toepassing van het civiele recht ontdekt. In de blog van 28 februari 2018 is mijn collega Carlijn van Dijk al uitvoerig ingegaan op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Tradman. Trustkantoor Tradman en twee van haar bestuurders werden door de ontvanger van de Belastingdienst aansprakelijk gehouden voor een belastingschuld van een van haar klanten. Het lukte de ontvanger van de Belastingdienst niet om deze belastingschuld via de geëigende route, dus bij de belastingplichtige te incasseren. Om die reden heeft de ontvanger out-of-the-box gedacht en een ‘exotische’ uitstapje naar het civiele recht gemaakt. En zoals uit het vonnis van de rechtbank volgt, is dit ook geen onverdienstelijk uitstapje geweest.

Als trustkantoor en trustbestuurder is het belangrijk om dit vonnis goed op het netvlies te hebben staan. Uit het vonnis kan worden afgeleid dat als het trustkantoor of de bestuurder een actieve rol speelt bij het ontwerpen en aandragen van constructies, hij (of zij) rekening moet houden met de inmiddels dus levensgrote kans dat hij (of zij) aansprakelijk wordt gehouden voor eventuele belastingschulden die daaruit voortvloeien. Ik sluit niet uit dat de Belastingdienst deze route ook gaat uitproberen bij belastingadviseurs die een actieve rol hebben (gespeeld) bij het ontwerpen en/of aandragen van constructies. Immers, anders zou je kunnen zeggen dat wordt gemeten met twee maten. Waarom het trustkantoor wel en een advieskantoor niet?

Mocht u als belastingadviseur met een dergelijke procedure van de ontvanger te maken krijgen, dan is het, mijns inziens, belangrijk om in ieder geval verweer te voeren op het oordeel van de rechtbank in de zaak Tradman op het punt van de onderzoeksplicht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat wanneer een dienstverlening voor belastingontduiking gebruikt zou kunnen worden, maar niet zonder meer daartoe strekt, het onder omstandigheden op de weg van de dienstverlener (trustkantoor, belastingadviseur, etc.) kan liggen om onderzoek te doen naar het achterliggende doel van degene die de dienst vraagt. Dat is mijns inziens een onderzoeksplicht die (te) ver reikt. Maar voordat we op dit punt direct de slingers ophangen, is het belangrijk om ook alle andere ontwikkelingen op dit punt in het vizier te houden. Vanuit de Mandatory Disclosure-richtlijn bestaat inmiddels immers ook een meldplicht voor constructies van de adviseur. Maar ook dan blijft gelden dat een belastingadviseur geen ‘schietschijf’ mag zijn. Bij de behandeling van dit soort zaken moet mijns inziens ook de tijdsgeest waarbinnen kwesties zich hebben afgespeeld mee worden genomen. Immers pas de laatste jaren verhardt de sfeer omtrent belastingontduiking en belastingontwijking en was het ‘vroeger’ niet meer dan normaal dat een constructie werd opgetuigd om belasting te besparen.

Conclusie

De Belastingdienst heeft op grond van de tweewegenleer de mogelijkheid om naast de publiekrechtelijke bevoegdheden (uit de AWR, Awb, Invorderingswet) ook de mogelijkheden uit het privaatrecht (civiel kort geding) te benutten. De praktijk wijst uit dat de Belastingdienst meer en meer van deze toch wel exotische instrumenten gebruik maakt. Dit alles om het net om de belastingontduiker te sluiten. Daarbij heeft de Belastingdienst niet alleen de belastingontduiker op het vizier, maar ook degene die hem op dat spoor heeft gezet. Uit de zaak Tradman volgt dat je als trustkantoor en bestuurder van een trustkantoor aansprakelijk kan worden gehouden voor de belastingschuld van een belastingontduiker. Ik sluit niet uit dat de Belastingdienst deze triomftocht ook probeert te lopen in de richting van belastingadviseurs. Om dan ook maar met een mooi spreekwoord te eindigen: Bezint eer ge [aan een constructie] begint.

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers

De kruistocht tegen zwartspaarders: het doel heiligt de middelen

De afgelopen jaren is veel te doen geweest over “zwartspaarders” in het buitenland. Eerder merkte ik op dat de aanpak van belastingontwijking en -ontduiking een beleidsspeerpunt is van het nieuwe kabinet. Bij de aanpak van belastingontduiking is gebleken dat de overheid (de Belastingdienst) kosten noch moeite spaart om informatie te verkrijgen over de persoon van de zwartspaarder en wat de omvang is van zijn/haar buitenlandse vermogen. Het is bekend dat in een aantal gevallen zelfs (al dan niet door een andere overheid) is betaald voor dergelijke informatie, terwijl men van tevoren wist dat het op strafrechtelijk onrechtmatige wijze is verkregen (lees: gestolen). In het meest recente project van de Belastingdienst over Nederlandse rekeninghouders bij de Luxemburgse Banque et Caisse d’Epargne de l’Etat (“BCEE”) wordt ook gebruik gemaakt van gestolen gegevens. Met het oog op de rechtsbescherming van belastingplichtigen is het van belang dat juist in die gevallen de handelingen van de betrokken overheden op hun rechtmatigheid kunnen worden getoetst. Heiligt het doel echt alle middelen? Of is er toch wel wat af te dingen op de bruikbaarheid van gestolen bewijs?

De overheid als heler

Hij die een goed verwerft (de Belastingdienst), zoals een gegevensdrager met informatie over belastingplichtigen, waarvan hij ten tijde van die verwerving wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed uit een misdrijf afkomstig is (gestolen), maakt zich schuldig aan het delict (schuld)heling. Voor de kwalificatie ‘heling’ is niet vereist dat wordt betaald voor die informatie. Dat de Staat strafrechtelijke immuniteit geniet betekent bovendien niet dat elk onrechtmatig handelen zonder gevolgen blijft, zo kan de verworven informatie worden uitgesloten van gebruik als bewijsmiddel in een rechterlijke procedure. Wil de fiscus gebruikmaken van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, dan moet de keuze daartoe te rechtvaardigen zijn. Immers, juist van de overheid mag worden verwacht dat zij zich aan de wet houdt.

De hervatte kruistocht tegen zwartspaarders

Recent is bekend geworden dat de Nederlandse fiscus van Duitse belastingautoriteiten gegevens heeft ontvangen van circa 4400 Nederlandse rekeninghouders bij de BCEE. Het staat vast dat de informatie uit diefstal afkomstig is, maar beide autoriteiten stellen niet te hebben betaald voor de informatie. De Duitse fiscus heeft de informatie naar eigen zeggen verkregen van een anonieme tipgever. Het is opmerkelijk dat zo expliciet wordt gesteld dat niet is betaald voor de informatie, nu in een recente zaak (de RaboLux-zaak) juist het gebrek aan transparantie omtrent de identiteit van en de beloning voor de tipgever ertoe heeft geleid dat het bewijs van gebruik moest worden uitgesloten.

Bewijsuitsluiting in het fiscale recht

 Als vaststaat dat bewijsmiddelen strafrechtelijk onrechtmatig zijn verkregen, is de vervolgvraag of zij door de inspecteur wel mogen worden gebruikt voor belastingheffing. Als uitgangspunt geldt dat strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in fiscale zaken alleen dan niet mogen worden gebruikt indien:

“(…) zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.”

Het ‘zozeer indruist’-criterium is dusdanig strikt dat dit zelden leidt tot bewijsuitsluiting. De strekking en invulling van het criterium laten zich het beste uitleggen aan de hand van de voorgenoemde RaboLux-zaak en de KBLux-zaak, waarin respectievelijk wel en niet tot bewijsuitsluiting is gekomen. In beide zaken is, net als in de BCEE-situatie, bewijsmateriaal op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen door een individu en vervolgens bij een overheid terecht is gekomen. Het voornaamste verschil tussen deze twee zaken is de wijze waarop de informatie door de Nederlandse overheid wordt verkregen.

KB Lux

In deze zaak is het bewijsmateriaal in eerste instantie verkregen door de Belgische autoriteiten en vervolgens verstrekt aan de Nederlandse fiscus. Later werd bekend dat in België grove fouten zijn gemaakt tijdens het opsporingsonderzoek. Zo heeft de politie getuigen onder druk gezet en huiszoekingen in scène gezet. Het Brusselse Hof van beroep heeft geoordeeld dat alle beklaagden niet mochten worden vervolgd in verband met de illegale praktijken waaraan de overheid zich in dit dossier heeft bezondigd. Anders dan het Belgische Hof, oordeelt de Hoge Raad dat het bewijsmateriaal in Nederland wel toelaatbaar is:

“(…) indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze verkregen zijn, de gegevens door de Nederlandse fiscus niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.”

De Hoge Raad acht daarbij van belang dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Ook bestonden geen redenen voor de Nederlandse belastingautoriteiten om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens (de uitwisseling tussen staten) een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld.

Rabo Lux

In deze zaak is het bewijsmateriaal direct door de Nederlandse fiscus verkregen en is een geheimgehouden beloning betaald aan de tipgever (“slechts enkele tonnen”), terwijl men van tevoren wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de informatie op onrechtmatig wijze is verkregen. Ook is er geen onderzoek gedaan naar de onrechtmatige wijze van verkrijging of de betrouwbaarheid van de tipgever. Bij de beoordeling of is voldaan aan het zozeer indruist-criterium wordt door Hof ’s-Hertogenbosch gekeken of het bewijsmateriaal op andere wijze verkregen had kunnen worden (subsidiariteit) en of het belang van juiste belastingheffing en bestrijding van belastingontwijking opweegt tegen het belang van een zuiver rechtsstatelijk handelen van de overheid, waaronder het niet belonen van crimineel gedrag (proportionaliteit). Het Hof komt tot het oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit en het bewijsmateriaal van gebruik moet worden uitgesloten, omdat “zodanig tekort is geschoten in de belangenafweging dat is voldaan aan het ‘zozeer indruist’-criterium”.

Beschouwingen

Het is toe te juichen dat het Hof in de RaboLux-zaak (overigens na verwijzing door de Hoge Raad) zo hard optreedt tegen het onrechtmatig handelen van de overheid. Problematisch zijn echter de gevallen waarin informatie wordt verstrekt door een andere overheid, waardoor de afstand tot de onrechtmatige wijze van verkrijging groter is. Uit de KBLux-zaak blijkt dat de rechter alleen toetst of Nederlandse bestuursorganen betrokken zijn geweest bij de onrechtmatige verkrijging en/of handelingen hebben verricht die ingaan tegen algemene grondrechten. Die toetsing is nu juist de kern van het probleem bij de uitwisseling van informatie tussen staten. De Nederlandse rechter mag het handelen van andere overheden namelijk niet toetsen aan het nationale of internationale recht, vanwege de onafhankelijkheid van Staten. Toch is het opmerkelijk dat het onrechtmatig handelen van de ene overheid geen consequenties hoeft te hebben voor het gebruik van bewijs door een andere overheid. Als vast staat dat het bewijs in de andere staat niet mag worden gebruikt omdat de andere overheid bij de verkrijging daarvan onrechtmatig heeft gehandeld, meen ik dat de Nederlandse overheid vervolgens zelf moet beoordelen of die fouten zo ernstig zijn dat het gebruik daarvan ingaat tegen wat van een de overheid mag worden verwacht. In dat kader sluit ik mij aan bij zienswijze van de redactie van Futd:

“Wij zijn van mening dat bewijsmiddelen die zijn verkregen door handelingen die niet verenigbaar zijn met de grondbeginselen van de strafrechtpleging, ook niet door de fiscus tegen belastingplichtigen mogen worden ingezet. Nederland kan zich naar onze mening niet verschuilen achter onwetendheid of onbekendheid met deze achtergronden van het vergaren van gegevens en bewijs. Als een Staat een strijd tegen belastingfraude aangaat en ter zake van het vergaren van het bewijs in een andere Staat sprake is geweest van normoverschrijdingen, dan mag van deze Staat in elk geval worden verwacht dat hij niet voortborduurt op de normoverschrijdingen in de andere Staat.”[1]

Conclusie

De BCEE-situatie heeft grote gelijkenissen met de KBLux-zaak: (i) de Nederlandse autoriteiten hebben de informatie verkregen van een andere bevoegde autoriteit, (ii) er is – naar eigen zeggen – niet betaald voor de informatie en (iii) er zijn geen aanwijzingen dat de Duitse autoriteiten zelf de hand hebben gehad in de ontvreemding. Als hier dezelfde lijn wordt gevolgd, verwacht ik niet dat tot bewijsuitsluiting zal worden gekomen. Die conclusie is moeilijk te verkroppen. Het feit blijft immers dat het verwerven van gestolen informatie leidt tot heling, ook als die informatie van een andere autoriteit is verkregen. Bij het ontbreken van de mogelijkheid om het handelen van een andere autoriteit aan rechtelijke toetsing voor te leggen, acht ik het zozeer indruist-criterium veel te strikt. Het mag niet zo zijn dat een strafbare gedraging van de overheid, zonder blijk van een redelijke belangenafweging, zonder consequenties blijft.

Eén van de uitgangspunten in een rechtsstaat is dat macht van de overheid wordt gereguleerd en beperkt door het recht. Voor belastingplichtigen die zich in een positie bevinden waarin op hun betrekking hebbende gegevens op onrechtmatige wijze zijn verkregen is het daarom altijd raadzaam om niet alleen de juistheid van die informatie maar ook de wijze van verkrijging door overheid aan de orde te stellen in een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit geldt ook voor situaties waarin die informatie van een andere overheid is verkregen. Alhoewel in die gevallen slechts wordt gekeken naar de rol van de Nederlandse overheid, kan aan de hand de RaboLux-zaak worden betoogd dat in ieder geval inzicht moet worden verschaft in de belangenafweging bij het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs. Het gaat er dus niet alleen zozeer om of het bewijsmateriaal al dan niet mag worden gebruikt, maar ook of de overheid zich aan haar eigen regels houdt. Doet zij dat niet, dan moeten daar gevolgen aan worden verbonden.

Patere legem quam ipse fecisti (onderga de wet die je zelf hebt gemaakt)

mr. W.G.G. (Woody) Jansen de Lannoy

[1] https://www.futd.nl/dossiers/dossier-zwartspaarders/special-kb-lux-dossier/comite-p-over-wangedrag-belgische-politie-in-kb-lux-dossier/

Strafvervolging belastingadviseur mogelijk voor onbeantwoord informatieve vraag in aangifte IB?

Het Functioneel Parket bij het Openbaar Ministerie is voornemens belastingadviseurs en/of de betrokken kantoren strafrechtelijk te vervolgen voor het niet beantwoorden van een vraag in de aangifte inkomstenbelasting. Ongeacht of daar nou enig fiscaal nadeel uit is voortgevloeid. De Belastingdienst moet gewoon juist worden voorgelicht! Kan dat wel? Bestaat er een verplichting om informatieve vragen te beantwoorden? Noopt de ‘trustvraag’ in de aangifte inkomstenbelasting altijd tot het geven van het door de Belastingdienst gewenste antwoord? Ik meen van niet.

Het verstrekken van informatie

De inspecteur heeft niet voor niets een ruimhartige bevoegdheid om informatie en stukken op te vragen bij belastingplichtigen en derden, zo schreef ik in mijn vorige blog ‘Het verstrekken van bankafschriften buitenlandse bankrekening’. Maar ziet die ruimhartige bevoegdheid ook op informatie die niet relevant is voor het bepalen van de hoogte van de te betalen belasting? En is dat anders als de vragen al in de aangifte zijn gesteld in plaats van in een aparte brief?

In de AWR staan de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing in een aparte afdeling opgenomen. In artikel 47 is de verplichting opgenomen om desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Vrij vertaald: er moet een belang zijn voor de berekening van de hoogte van de te betalen belasting en het moet voor de eigen belastingheffing van belang zijn. Is de relatie niet te leggen tussen de vraag en deze belangen, dan mag de vraag wellicht nog wel gesteld worden, maar behoeft er geen antwoord te worden gegeven.

Artikel 53 breidt voor administratieplichtigen de verplichting uit tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen over derden. De belastingadviseur kan op die basis om informatie worden gevraagd over cliënten.

Vragen in de aangifte

Apart van de hiervoor beschreven verplichtingen is in de artikelen 7 en 8 AWR verordonneerd dat ook in aangiften om informatie kan worden gevraagd en er een gehoudenheid bestaat die vragen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te beantwoorden. In artikel 7 staat verwoord dat het moet gaan om gegevens waarvan de kennisneming voor de heffing van de belasting van belang kan zijn.

Hoewel de bewoordingen in de artikelen 7 en 8 wel afwijken van dat wat in de artikelen 47 en verder AWR is opgenomen, komt de strekking van de verplichting overeen.

Hoewel daar bij mijn weten geen jurisprudentie over is, is op basis van

  • de tekst van de wet;
  • het wettelijke onderscheid tussen informatie over zichzelf of over derden;
  • de wel aanwezige jurisprudentie over de artikelen 47 en 53 AWR; en
  • de elementaire logica,

wel een duidelijke beperking aan te leggen wat voor vragen in een aangifte gesteld mogen worden en wanneer die vragen daadwerkelijk beantwoord moeten worden.

In de hierna volgende uitwerking spits ik mij toe op de trustvraag in de aangifte inkomstenbelasting.

De trustvraag

In 2010 is ingevoerd dat ‘zwevend vermogen’ in aanmerking wordt genomen bij diegene die vermogen in een trust heeft ingebracht. Maar ook al in de jaren daarvoor kan betrokkenheid bij een trust in een bepaalde vorm met zich meebrengen dat het vermogen van die trust in het box III in aanmerking moet worden genomen. Onderstaande vraag, hier in de versie van 2004, kan dus in sommige gevallen relevant zijn voor de heffing van inkomstenbelasting.

De meest voor de hand liggende uitleg bij het bepalen wanneer de vraag instemmend moet worden beantwoord, oftewel de vraag wanneer er sprake is van betrokkenheid, is door de vraag als volgt te lezen: “Is uw betrokkenheid bij een trust van belang voor de vaststelling van de objectieve belastingplicht in de inkomstenbelastingheffing?”[1]

Uit de gegeven toelichting bij de vraag kan echter worden opgemaakt dat de strekking veel breder is. Volgens de toelichting is immers in de navolgende gevallen (al) sprake van ‘betrokkenheid’:

Duidelijk is dat in een heel aantal gevallen waarin op basis van de toelichting de vraag positief zou moeten worden beantwoord, die ‘betrokkenheid’ irrelevant is voor de belastingheffing van degene waar de betreffende aangifte op ziet.

De waarde van de toelichting

Volgens vaste jurisprudentie kan de toelichting op de aangifte geen vertrouwen wekken. U mag er niet vanuit gaan dat de toelichting klopt, evenals u er niet vanuit mag gaan dat de informatie die de website van de Belastingdienst te bieden heeft juist is. Anders gezegd: de toelichting is ook maar een opvatting. Uit de toelichting kunnen geen rechten voor de inspecteur geschapen worden, die de wetgever niet in het leven heeft geroepen.

Sterker nog: ditzelfde criterium kan ook worden losgelaten op de vraag zelf. Vragen waarvan het antwoord voor de heffing van de belasting niet van belang kan zijn, worden in ieder geval niet gesteld op grond van de in artikel 7 AWR geboden wettelijke grondslag en hoeven om deze reden dan ook niet op grond van artikel 8 AWR duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden beantwoord. De toelichting op een vraag kan al helemaal geen verplichtingen scheppen, die hun grondslag niet vinden in de wet.

Via de aangifte inkomstenbelasting allerhande informatie opvragen is wellicht een voorstelbaar belang van de overheid. Bijvoorbeeld omdat die informatie om heel andere redenen dan de aanslag IB waar de aangifte op ziet, nuttig voor de Belastingdienst kan zijn. Maar dit is niet een belang waartoe bij wet de mogelijkheid is geschapen. In deze kritiek op het op deze wijze verzamelen van gegevens schaar ik mij in het gezelschap van de in de eerste voetnoot aangehaald prof. Boer en de ook door hem geciteerde prof. Zwemmer:[2]

“Al deze vragen hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat zij gericht zijn op het verkrijgen van informatie (…). Zij geven geen informatie over het inkomen. (…). In mijn visie zijn dit derhalve vragen die in een aangifte inkomstenbelasting niet thuis horen en waarvan niet beantwoording niet kan leiden tot de constatering dat de vereiste aangifte niet is gedaan.”

De belastingheffing van derden

Duidelijk wordt uit de toelichting dat de vraag niet alleen in veel gevallen is bedoeld om geïnformeerd te raken (en bij een positief antwoord direct nader onderzoek te doen) over de aangifteplichtige zelf, maar ook over derden. Een heel aantal functies bij een trust worden immers aangemerkt als ‘betrokken’, terwijl evident is dat die betrokkenheid niet fiscaal relevant is voor de eigen heffing.

De aangifteplichtige voor de inkomstenbelasting is in zijn hoedanigheid van aangever nimmer een administratieplichtige. Informatie over derden kan niet worden gevraagd. Het zou ook niet logisch zijn om vragen over cliënten van een belastingadviseur te stellen in de aangifte van de belastingadviseur.

Ook de logica gebiedt dat de vragen in de aangifte zich moeten beperken tot de aangever, zo nodig tot de minderjarige kinderen en eventuele fiscaal partner. In de vraagstelling ligt deze beperking ook besloten. De taalkundige lezing van de verplichting, waar staat dat het moet gaan om de belasting, maakt ook duidelijk dat het moet gaan om de belasting waar de aangifte op ziet: de eigen inkomstenbelasting van de aangever. Niet op belasting waar andere aangiften wellicht op kunnen zien.

De heffing van eigen inkomstenbelasting

Volgens het Team Constructiebestrijding van de Belastingdienst, de FIOD en het Openbaar Ministerie is de trustvraag bedoeld om in ruim verband inzichtelijk te maken wat iemands relatie is met een trustvermogen. Via de informatie van de één, kan immers de juistheid van de opgaaf van de ander worden gecontroleerd. Ik snap die wens best, ik snap alleen niet waarin de wettelijke basis voor het afdwingen van het antwoord is gelegen.

Deze wens, dit belang, is immers niet een belang dat te relateren valt aan enige relevantie voor de belastingheffing van die aangever in dat jaar. De verplichting om de vraag positief te beantwoorden bestaat derhalve alleen in enig jaar dat de betrokkenheid ook consequenties heeft voor de grondslag van de belastingheffing. En ik besef mij terdege dat dit de vraag nagenoeg irrelevant maakt, want bij consequenties voor de heffing dient die consequentie immers ook in getallen tot uitdrukking te komen in de aangifte en is de vraag overbodig.

Veel vragen in de digitale aangifte hebben echter die uitwerking: pas bij het positief beantwoorden van een vraag kunnen de relevante getallen op de daartoe bestemde plek worden ingevuld.

Onderzoek constructiebestrijding

Het Team Constructiebestrijding van de Belastingdienst heeft onderzoek gedaan naar SPF’s (een Curaçaose trustachtige) die vlak voor de invoering van de transparantiewetgeving in 2010 zijn geliquideerd. Door deze wetgeving wordt zwevend vermogen, dat voordien niet kon worden toegerekend, toegerekend en zodoende wel in de heffing betrokken. Dit onderzoek heeft een heel aantal dossiers opgeleverd waar discussie is over de vraag of de SPF wel daadwerkelijk irrevocable en discretionary is, of dat de feiten en omstandigheden uitwijzen dat een belastingplichtige toch over het vermogen kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen.

Recente uitspraken wijzen uit dat de Belastingdienst het maar moeilijk heeft met het voldoende aannemelijk maken dat er sprake is van beschikkingsmacht bij diegene aan wie een aanslag is opgelegd.[3] Duidelijk is daarmee in ieder geval dat een discussie over de juistheid van de heffing (ook) feitelijk is, voor discussie vatbaar is en lastig is in te schatten. Reden genoeg, zou je zeggen, om er strafrechtelijk de vingers niet aan te branden.

Vervolging belastingadviseurs

Niets is echter minder waar. Volgens het Openbaar Ministerie is het tijd om adviseurs duidelijk te maken dat ook informatieve vragen beantwoording behoeven. Dat ook betrokkenheid in de zin zoals omschreven in de toelichting reden is voor het positief beantwoorden van de trustvraag. Het belang van de vervolging zit niet in het feit dat de schatkist geld is tekort gekomen in het specifieke geval. Het verwijt is dat informatie is onthouden op basis waarvan de Belastingdienst onderzoek had willen doen en welke informatie ze nu op andere wijze hebben bemachtigd. Obstructie!

Om de norm (die in mijn ogen dus de onjuiste is) in te perken en publiekelijk duidelijk te maken, bestaat het voornemen een paar advieskantoren dan wel betrokken adviseurs te vervolgen voor de vermeend onjuiste interpretatie van ‘betrokkenheid bij een trust’. En de generale preventie gebiedt dan natuurlijk dat daarbij de publiciteit wordt gezocht. De consequentie voor dat ‘slachtoffer’ wordt ondergeschikt gemaakt aan de generale preventie die uit moet gaan van het hanteren van deze schandpaal.

Verwijtbaarheid versus pleitbaarheid

Ik meen stellig dat de trustvraag alleen positief moet worden beantwoord indien de financiële beslommeringen van die trust waarbij betrokkenheid bestaat ook gevolgen heeft voor de heffing van de aangifteplichtige in het betreffende jaar. Zo dit standpunt niet juist is, is het pleitbaar. Ondanks een paar aanwijzingen voor het tegendeel in de jurisprudentie. In de uitleiding van het genoemde artikel van Boer verwoordt hij het zo:

De belastingplichtige die weliswaar een relatie heeft tot een trust, maar het pleitbare standpunt inneemt dat vanwege het gebrek aan belang voor de inkomstenbelastingheffing de vraag in elk geval niet met “ja” dient te worden beantwoord, kan niet anders dan “nee” kiezen. Het zou echter onredelijk zijn om de belastingplichtige hieromtrent een verwijt te maken, omdat het aangiftebiljet zelf een nadere toelichting onmogelijk maakt.

FIOD en OM menen dat er zelfs geen sprake is van pleitbaarheid in dit soort gevallen. Ze moeten ook wel, want anders zou de handdoek vanzelfsprekend in de ring moeten worden geworpen.

Pleitbaarheid wordt inmiddels objectief uitgelegd. Dat wil echter nog niet zeggen dat hetgeen een adviseur voor ogen stond, subjectief, geen rol meer speelt. De subjectieve visie van de belastingadviseur zegt immers nog steeds iets over zijn willen en weten en of er sprake is van opzet. Of de – uitgaande van de opvatting dat er zelfs geen sprake is van pleitbaarheid – in dat geval onjuiste subjectieve opvattingen van de belastingadviseur voldoen aan het criterium van de maatman, de redelijk denkende adviseur, hangt deels af van de opvattingen van andere adviseurs.

Oproep tot bundeling van krachten

Het lijkt mij verstandig dat belastingadviseurs die de trustvraag onbeantwoord hebben gelaten op basis van de ook door mij aangehangen uitleg hun krachten bundelen. Ik roep om die reden via dit wellicht daartoe wat eigenaardige medium adviseurs op zich (desgewenst in eerste instantie anoniem) te melden, alsmede advocaten die betrokken zijn bij lopende FIOD onderzoeken. Wellicht kunnen we in gezamenlijkheid het Openbaar Ministerie op andere gedachten brengen. Gelijk krijgen bij de rechter is immers leuk, maar bij publiciteit is de reputatie van het betrokken kantoor en de adviseur al veel schade aangedaan.

Conclusie

De trustvraag ligt al lang en redelijk uitgesproken onder kritiek. Er bestaat geen recht op informatie, anders dan bij een heffingsbelang. Op basis van een onjuiste analyse van welke vragen in een aangifte mogen worden gesteld en welke beantwoording kan worden afgedwongen, dreigt vervolging door het Openbaar Ministerie van het vermeend onjuist beantwoorden van de trustvraag. Met publiciteit, omdat het de beroepsgroep maar duidelijk moet worden; ‘naming and shaming’ in optima forma. Wellicht dat, zo niet juist, de gangbaarheid van de opvattingen binnen de beroepsgroep het tij nog kan keren.

Mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger 

[1] Zie bijvoorbeeld ook J.P. Boer, “Aangiftebiljet bewust(e) v(r)aag over trusts”, WFR 2005/1301.

[2] J.W. Zwemmer, “Steeds meer vragen in de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/vermogensbelasting en vennootschapsbelasting”, FED 1986/838, blz. 2621.

[3] Rechtbank Den Haag 23 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:4990; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3621; Rechtbank Gelderland 5 juni 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2477.

 

Vragenbrieven en cryptovermogen

Zodra cryptovaluta als vermogen wordt gemeld komt het steeds vaker voor dat de inspecteur niet direct tot het opleggen van een aanslag overgaat. Er worden vele aanvullende vragen gesteld en informatie opgevraagd. Brief na brief, vraag na vraag. De belastingplichtige rest dan niets anders dan antwoord te geven op deze vragen omdat er een fiscale informatieverplichting bestaat, of toch niet? Door de woorden bitcoin of andere altcoins zoals litecoin, etherium, monero en dash gaan er steeds sneller alarmbellen bij de fiscus rinkelen. Maar niet op alle vragen hoeft een belastingplichtige antwoord te geven. De vragen moeten namelijk gericht zijn op de feiten. Dit is voor een gemiddelde cryptoliefhebber niet eenvoudig te bepalen.

Informatieverplichting

Ja, een belastingplichtige moet de gevraagde gegevens en inlichtingen in beginsel verstrekken. En ja, deze gegevens dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt. Voldoet een belastingplichtige hier niet aan kan dit zelfs leiden tot een informatiebeschikking en daardoor omkering van de bewijslast. In dat geval zal een belastingplichtige overtuigend moeten aantonen dat, en in hoeverre, een (navorderings-)aanslag onjuist is. Voldoet een belastingplichtige niet aan zijn informatieplicht, dan kan dit zelfs een strafbaar feit vormen. Dit klinkt beangstigend en de ervaring leert dat cryptobezitters hierdoor vaak meer informatie verstrekken dan nodig is. Daarbij komt dat inspecteurs vervolgens geneigd lijken te zijn om alleen maar méér vragen te stellen. Hoe ver reikt de informatieverplichting nu?

Vragen naar de feiten

Vragen staat vrij. De inspecteur mag dus (bijna) alles vragen, ook als hij beantwoording niet kan afdwingen. Een belastingplichtige is zeker niet verplicht om op alle gestelde vragen een antwoord te geven. Als een vraag ziet op de juridische kwalificatie valt dit buiten het bereik van een informatieverplichting. Een voorbeeld: of een belastingplichtige zijn eigen crypto handel ziet als box 1 inkomen of box 3 vermogen is een vraag waarbij de inspecteur niet met de informatieverplichting-kaart kan zwaaien. De inspecteur mag slechts vragen stellen die nodig zijn om feiten vast te stellen en die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. Het kwalificeren daarvan is nu juist zijn taak.

Het moet daarbij expliciet gaan om vragen die van belang kunnen zijn voor de eigen belastingheffing. Een inspecteur mag dus nadrukkelijk niet op klopjacht gaan naar informatie over een andere belastingplichtige. Dit wordt wel geprobeerd door gedetailleerde informatie op te vragen van trades die hebben plaatsgevonden om op deze manier namen van een derde te krijgen. Afhankelijk van hoe een vraag gesteld wordt en als het van belang is voor de eigen belastingheffing, kan het voorkomen dat een inspecteur de stelling zal innemen dat een belastingplichtige een naam van een derde moet verstrekken.

Verzoek de vragen schriftelijk te stellen

Het komt ook voor dat een inspecteur vragen telefonisch stelt, waarbij een belastingplichtige snel geneigd zal zijn antwoord te geven op vragen. Vanzelfsprekend kan dit praktisch zijn maar in de meeste gevallen is het aan te raden om de inspecteur te vragen:

  • de vragen schriftelijk te stellen;
  • waarom de inspecteur iets wil weten;
  • wat het belang is van de vraag voor de eigen belastingheffing.

Als niet duidelijk is wat een inspecteur precies verlangt, maak dit dan eerst duidelijk alvorens willekeurig informatie verstrekt wordt. Een inspecteur zal namelijk op verzoek kenbaar moeten maken wat hij verlangt en waarom dit van belang kan zijn voor de belastingheffing.

(On)evenredige inspanningen

Een belastingplichtige die een private key kwijt is kan dit lastig aantonen en hier vaak geen verdere inlichtingen over verstrekken. Daarbij wordt soms uit het oog verloren dat gegevens of inlichtingen waar een belastingplichtige niet over beschikt of kan beschikken, niet kan leiden tot een omkering van de bewijslast.

Als cryptobezitter ben je eigen bank, waardoor een inspecteur zal vragen naar transacties die hebben plaatsgevonden en de TXID zal opvragen. Indien sprake is van een exchange, bestaat de mogelijkheid voor de inspecteur om daar informatie op te vragen.

Naar mijn mening zal de belastingdienst rekening moeten houden met de bekendheid van cryptovaluta in 2013 ten opzichte van nu. In 2013 was het voor veel cryptobezitters niet eens bekend dat hierover belasting betaald moest worden, laat staan dat de belastingdienst in 2018 zou vragen naar een ‘papertrail’ over 2013.

Zelfs voor het jaar 2018 meen ik dat nog steeds niet duidelijk is wat redelijkerwijs van een cryptobezitter mag worden verwacht, te meer nu geen verplichting bestaat tot het voeren of bewaren van een administratie voor een gewone (particuliere) belastingplichtige. Het komt mij dan ook logisch voor dat dit de cryptobezitter als gewone belastingplichtige – die geen administratieplicht heeft – niet kan worden tegengeworpen.

Verder constateer ik dat een inspecteur vaak niet door heeft hoeveel werk het is voor een cryptobezitter om een toelichting te geven op de bitcoin- of altcoin-transacties. Ook meen ik dat in sommige gevallen het zelfs een onevenredige inspanning is om aan informatie te komen. Zeker voor een daytrader of simpelweg iemand die veel heeft gehandeld kan dit onbegonnen werk zijn om inzichtelijk te maken welke cryptotransacties er allemaal hebben plaatsgevonden, laat staan of dit inzicht überhaupt bestaat.

Tot slot meen ik dat inspecteurs bij het stellen van vragen dikwijls niet in het vizier hebben dat van een cryptobezitter niet het onmogelijke kan worden verwacht en dat niet kan worden verlangd om transacties te overleggen, waarover een cryptobezitter zelf niet meer beschikt.

Conclusie

Wat precies allemaal aan informatie kan worden verlangd en wanneer de informatie als onevenredig kan worden beschouwd zal de toekomst uitwijzen. Voorlopig zullen wij naar analogie de jurisprudentie over buitenlands vermogen en de inlichtingenverplichting toepassen en hierbij de nodige munitie in de hand hebben om te voorkomen dat het onevenredige van cryptobezitters wordt verlangd. Er zijn dus wel degelijk grenzen aan de informatieverplichting voor cryptobezitters.

Mr. K.M.T. (Kim) Helwegen