Beslag bij een derde en anderbeslag: kijk eerst bij de verdachte

In veel strafzaken legt het Openbaar Ministerie beslag. Naast bewijsmateriaal wordt in elk geval in financiële en fiscale strafzaken vaak ook vermogensbeslag gelegd. Dit dient ter ‘zekerheid’ van een latere ontneming van criminele winsten of op te leggen boete later een boete, om potentieel moeilijk incassotraject te voorkomen. Niet alleen verdachten kunnen met dergelijk beslag te maken krijgen: ook ‘derden’ of ‘anderen’ kunnen hun goederen inbeslaggenomen zien worden. Eerst bespreek ik de mogelijkheden voor justitie, daarna welke mogelijkheden deze ‘derden’ hebben om zich hiertegen te verzetten. En helaas: welke belemmeringen worden opgeworpen.

DERDENBESLAG

Geld dat een verdachte heeft gestald een bankrekening kan in beslag worden genomen. Dit gebeurt via het derdenbeslag. Onder de bank (de derde) wordt het aldaar ondergebrachte vermogen inbeslaggenomen. Derdenbeslag komt ook voor als iemand een schuld heeft bij een verdachte. Op de vordering kan beslag worden gelegd. Het inlossen geschiedt dan niet aan de verdachte maar aan de inbeslagnemer. De in de garage van een derde gestalde auto van een verdachte kan ook bij die derde, via het derdenbeslag, in beslag worden genomen.

‘WEGGESLUISD’ VERMOGEN

Op het moment dat iemand beschikt over vermogen waarvan de herkomst niet kan worden verklaard, kan het Openbaar Ministerie in witwasonderzoeken als uitgangspunt nemen dat het niet anders kan zijn dan dat het vermogen een criminele herkomst heeft. Om moeilijke vragen herkomst van vermogen te voorkomen, kan het verleidelijk zijn om dit vermogen over te dragen aan een stroman. Denk hier bijvoorbeeld aan een auto die met criminele opbrengsten is aangeschaft en die op naam van een familielid of een stichting wordt gezet. Deze constructies kunnen natuurlijk ook worden ingezet als een verdachte eenvoudigweg wil voorkomen dat beslag wordt gelegd.

ANDERBESLAG

Met het instrument van het zogenaamde anderbeslag kan het Openbaar Ministerie door dit soort schijnconstructies heen prikken. Als duidelijk is dat alleen maar de schijn wordt gewekt dat voorwerpen of vermogen van een ander zijn, met de bedoeling om uitwinning bij een verdachte of veroordeelde te voorkomen, kan het Openbaar Ministerie – bij die ander – beslag leggen. Voorwaarde is verder dat ‘de ander’ wist of op zijn minst redelijkerwijs moest vermoeden dat het vermogen of de voorwerpen zijn overgedragen om dit veilig te stellen voor justitie.

Uitdrukkelijk is het niet verplicht dat het bij de ander ondergebrachte voorwerp of vermogen uit misdrijf afkomstig is: de auto die de crimineel met het salaris van zijn legale bijbaantje heeft aangeschaft maar op naam van zijn zus heeft laten zetten om te voorkomen dat deze door justitie wordt afgepakt, is vatbaar voor anderbeslag.

WAT TE DOEN BIJ DERDENBESLAG OF ANDERBESLAG?

In de praktijk bestaat geregeld discussie of er wel voldoende aanwijzingen zijn dat de beslagen zaken wel (in feite) toebehoren aan de verdachte, of dat de ander dit (op zijn minst) had moeten vermoeden. In zo’n geval kan de betrokken niet-verdachte beslagene natuurlijk afwachten en het recht zijn beloop laten. De rechter die oordeelt in de strafzaak van de verdachte zal immers uiteindelijk ook een standpunt innemen over de rechtmatigheid van het beslag.

AFWACHTEN ONVERSTANDIG (1): DE VERDACHTE DOET HET NIET 

Strafrechtelijke procedures, zeker de wat omvangrijke, kunnen maanden, zo niet jaren duren. Zeker als ook nog hoger beroep wordt ingesteld. Als bij een derde op vermogen beslag wordt gelegd op zaken die niet van de verdachte zijn, heeft de verdachte zelf niet direct belang om actie te ondernemen. Wanneer bijvoorbeeld een geldboete wordt opgelegd en het beslag daarvoor wordt gebruikt, heeft hij daar immers geen last van.

AFWACHTEN ONVERSTANDIG (2): RISICO OP VERKOOP

Een bijkomend risico is dat het Openbaar Ministerie inbeslaggenomen voorwerpen in een vroeg stadium – voordat de rechter aan bod komt –  gaat verkopen. Zeker bij auto’s die in de regel snel in waarde dalen en waarvan de stallingskosten relatief hoog zijn, is het gebruikelijk dat al na enkele weken deze via de Dienst Domeinen worden geveild. Zie ook de blog Strafvorderlijke vervreemding: zit er bovenop.

AFWACHTEN ONVERSTANDIG (3): ONDERBUIKGEVOEL

Tot slot zal wellicht ook impliciet meespelen dat derden die beslagen op hun eigendommen gelaten over zich heen laten komen, wellicht geen belang hebben bij het terugkrijgen ervan. Dit zou erop kunnen duiden dat het dus niet hun eigendom, maar dat van de verdachte is.

KLAGEN BIJ RAADKAMER 

Tegen inbeslagneming kan bij de rechtbank (raadkamer) worden geklaagd (procedure ex artikel 552a Sv). Maar het uitgangspunt is dat in dergelijke procedures weinig inhoudelijk wordt getoetst. Pas als wordt gemeend dat het ‘hoogst onwaarschijnlijk’ is dat de rechter uiteindelijk in de strafzaak zal oordelen dat het beslag niet mag worden gebruikt, kan het beslag worden opgeheven.

SUCCESKANS IS KLEIN

Zeker als een strafrechtelijk onderzoek nog niet is afgerond, zal de raadkamer zich niet snel willen branden aan een inhoudelijk oordeel over het beslag. Bovendien krijgt het Openbaar Ministerie, zeker in de beginfase van een strafrechtelijk onderzoek, vaak het voordeel van de twijfel. Het uitgangspunt is dat een opsporingsteam onder leiding van een officier van justitie zorgvuldig te werk zal gaan. Dat daarbij fouten kunnen optreden, weegt niet op tegen het maatschappelijke belang dat, al dan niet met het oog op een lik op stuk-beleid of het kunnen presenteren van de daadkracht van justitie (door middel van persberichten die bij voorkeur worden vergezeld met foto’s van dure auto’s die worden afgevoerd), wil zien ‘dat misdaad niet loont’ en ‘niemand ermee weg komt’.

MARGINALE TOETS DOOR RAADKAMER NA BEKLAG INBESLAGNAME

Zeker in de vroege fase van strafrechtelijke onderzoeken, lijkt het klagen bij de raadkamer van de rechtbank alleen bij overduidelijke knulligheden soelaas te bieden. De maatstaf of hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, vergt immers niet direct een onderzoek naar de proportionaliteit tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de hoogte van het eventueel te ontnemen bedrag.

TOETSING PROPORTIONALITEIT EN SUBSIDIARITEIT: ONDERZOEK DOOR RAADKAMER

Op enig moment moet een onderzoek naar eventuele (minder ingrijpende) alternatieven voor de inbeslagneming worden gedaan, en dient verder de impact die het beslag heeft te worden meegewogen (de zogenaamde subsidiariteit en proportionaliteit). Net als in klaagschriftprocedures tegen beslag door verdachten, wordt de procedure meer kansrijk als alternatieven (kunnen) worden geboden voor de inbeslagname (zie hieronder ook onder 3.). Als door beslag bovendien ingrijpende en onomkeerbare gevolgen dreigen, moet de raadkamerrechter dit ‘ten volle’ toetsen. De kans dat deze toets tot succes leidt is vanzelfsprekend groter wanneer het strafrechtelijk onderzoek is afgerond of als de duur daarvan de spuigaten uit dreigt te lopen.

OPROEP: TOETS INHOUDELIJK BIJ BESLAG ONDER ANDEREN

Voor iemand die niet een bij de strafzaak betrokken persoon is en met beslag geconfronteerd wordt, zou de rechter in mijn ogen sneller (meer) inhoudelijk onderzoek moeten doen naar de achtergrond en rechtmatigheid van het beslag om de volgende redenen:

  1. Bij ‘anderen’ is terughoudendheid geboden
    Het Openbaar Ministerie moet zijn bevoegdheden vanzelfsprekend altijd zorgvuldig inzetten. Bij een verdachte is de toepassing van die bevoegdheden al snel begrijpelijk. Dit geldt uiteraard niet voor de niet bij de strafzaak betrokken personen. Zeker bij personen die niet direct betrokken zijn bij de aan de strafrechtelijke procedure ten grondslag liggende verdenking, zou de kleinste mate van onzekerheid over de vraag of voorwerpen eigenlijk aan een ander toebehoren reden moeten zijn om hen niet met inbeslagneming lastig te vallen. Op het moment dat deze onzekerheid door middel van een beklag bij de raadkamer toch naar voren wordt gebracht, zouden juist de personen die niets met de strafzaak van doen hebben, hun bezwaren tegen een inbeslagname snel en inhoudelijk getoetst moeten krijgen. De jurisprudentie leert evenwel dat hiervan tot op heden geen sprake van is en het openbaar Ministerie nog het voordeel van de twijfel krijgt.
  2. De ander krijgt geen oordeel van de strafrechter
    Dit geldt temeer zodra wordt bedacht dat, anders dan een verdachte, er niet – op termijn – een strafzaak wordt gehouden waar deze derden hun standpunt over het beslag naar voren kan brengen en zijn recht kan halen. Op het moment dat wordt gerealiseerd dat de raadkamerprocedure de enige mogelijkheid is, voor een verder niet bij de strafzaak betrokken persoon bij wie beslag is gelegd, om aan te voeren dat het beslag onrechtmatig is, heeft iedereen, in elk geval op basis van Europese grondbeginselen, recht op een inhoudelijke beoordeling door een rechter.
  3. Beslag onder verdachte is minder ingrijpend (dus eerst ‘aan de beurt’)
    Als enerzijds beslag wordt gelegd bij een derde terwijl anderzijds de verdachte in wiens strafzaak het beslag wordt gelegd over voldoende (ander) vermogen beschikt dat als zekerheid kan dienen, gebiedt het beginsel van subsidiariteit dat (eerst) dit vermogen in beslag wordt genomen. Juist om te voorkomen dat indien achteraf blijkt dat dit beslag niet rechtmatig is, dienen zo weinig mogelijk personen hier last van te hebben.

CONCLUSIE

(Ook) bij beslagen onder anderen dan de verdachte, staat het openbaar Ministerie (minimaal) met 1-0 voor. Het is daarbij frustrerend dat, zeker in de eerste fase van een strafrechtelijk onderzoek, vaak ingrijpende inbeslagnemingen kunnen worden gelegitimeerd op basis van slechts aanwijzingen. Dit neemt niet weg dat het vaak verstandig is om vanaf het eerste stadium niet alleen de bezwaren, in elk geval tegen de officier van justitie, kenbaar te maken. Zeker op het moment dat een inbeslagneming ingrijpende gevolgen heeft, zal de raadkamer van de rechtbank na het indienen van een klaagschrift met voornoemde standpunten ertoe moeten worden verleid om in elk geval hierover snel(ler) een oordeel te vormen.

Mr. drs. W. de Vries

De meldplicht voor de belastingadviseur komt die er aan of is hij er al?

Op 13 maart 2018 is de Mandatory Disclosure-richtlijn aangenomen. Die richtlijn verplicht belastingadviseurs om met ingang van 1 juli 2020 agressieve belastingstructuren te melden aan de Belastingdienst. Toen ik dat las, moest ik meteen denken aan de Rolo-commercial. Het verhaaltje is simpel: een jongetje pest een olifant en als de olifant volwassen is pakt hij de man terug door hem met zijn slurf te slaan. De commercial eindigt vervolgens met de slogan: Bedenk goed wat je met je laatste Rolo doet. Met andere woorden maak een goede afweging voordat je een beslissing neemt. Die waarschuwing moet de belastingadviseur vanaf nu ook goed in ogenschouw nemen, want de meldplicht komt eraan of is hij er al?

De Meldplicht

Hiervoor haalde ik de Rolo-commercial aan. Bij het voorhouden van een snoepje aan een ander is het makkelijk en snel om een afweging te maken van alle belangen. Dat ligt anders als het gaat om het verstrekken van een fiscaal advies. Waar een aantal jaren geleden door de adviseur vooral gekeken kon en mocht worden naar de belangen van de klant en de geldende wet- en regelgeving, komt daarbij ook steeds meer naar voren dat de maatschappelijke belangen in ogenschouw moeten worden genomen. Om er zeker van te zijn dat belastingadviseurs met dit laatste rekening houden, worden de touwtjes steeds strakker aangetrokken. Een jaar geleden schreef ik ook al over de meldplicht die eraan zat te komen voor de belastingadviseur. Toen was nog de gedachte dat de meldplicht in 2019 in werking zou treden. Inmiddels is bekend dat vanaf 1 juli 2020 mogelijk agressieve belastingstructuren moeten worden gemeld. Je zou dan kunnen zeggen, ach dat is nog de ver van mijn bed show, 2020 duurt nog lang. Maar vergis je niet, in de regeling zit een addertje onder het gras. Vanaf 25 juni 2018 moeten belastingadviseurs namelijk al bijhouden welke adviezen kwalificeren als ‘agressieve belastingstructuren’. Die adviezen moeten dan in 2020 ook worden gemeld. De regeling heeft in feite dus terugwerkende kracht.

Van belang is ook dat zodra de meldplicht is ingevoerd, in 2020, binnen 30 dagen, nadat de agressieve structuur gereed is of beschikbaar is voor implementatie moet worden gemeld aan de Belastingdienst. Het is daarbij dus niet van belang of de structuur ook daadwerkelijk ten uitvoer wordt gebracht.

Agressieve belastingstructuur

Maar wat is dan precies de agressieve belastingstructuur die moet worden gemeld? Het lastige daarvan is, dat niemand dat weet. In de Mandatory Disclosure-richtlijn van de Europese Unie wordt van het begrip ‘agressieve belastingstructuur’ geen definitie gegeven. Dit is ook bewust gedaan, aldus het plaatsvervangend hoofd directe belastingen Reinhard Biebel van de Europese Commissie. In plaats daarvan zijn indicatoren opgenomen die zouden duiden op een agressieve structuur.

Als ik dan kijk naar de indicatoren die zijn opgenomen in de bijlage bij de Richtlijn dan bekruipt mij het gevoel dat in feite alle adviezen van een belastingadviseur moeten worden gemeld. De indicatoren zijn namelijk enorm ruim en vaag. Wil een belastingadviseur geen enkel risico lopen, dan zal hij dus alle adviezen moeten melden. De consequentie daarvan is dan dat een enorme bulk aan informatie wordt vergaard. Hoe kan de Belastingdienst tussen die bomen het bos nog zien?

Overkill?

Doel en strekking van de meldplicht is om belastingontwijking en belastingontduiking tegen te gaan. Deze twee termen worden, mijns inziens, te gemakkelijk in een adem genoemd. Belastingontwijking mag. Immers heeft de Hoge Raad bepaald dat een belastingplichtige de voor hem fiscaal gunstigste route mag kiezen. Belastingontduiking daarentegen is strafbaar. Dat de wetgever daar paal en perk aan wil stellen is te begrijpen, maar de vraag is of het juiste middel daarvoor van stal wordt gehaald.

Wat ik me ook afvraag is wat er met alle informatie gaat gebeuren. Gaat er wel iets mee gebeuren? Als we de krantenberichten en de presentatie van directeur-generaal Jaap Uijlenbroek en chief information officier Maarten Jonker van de Belastingdienst aan de Tweede Kamer mogen geloven dan zijn cruciale ICT-systemen van de Belastingdienst slecht op orde. Deze kwalificatie betekent, aldus een woordvoerder van de Belastingdienst, niet dat de inning van belastingen niet doorgaat, maar dat het moeilijk is om veranderingen door te voeren. Met andere woorden de Belastingdienst krijgt, mogelijk, in 2020 een enorme bulk aan informatie op zich af, maar weet zich daarmee mogelijk geen raad.

Wat is dan het nut van de meldplicht? Volgens de Europese Commissie is de meldplicht een ‘early warning-systeem’ en komt de Belastingdienst aldus vroeg op de hoogte van de structuren, kunnen die structuren vervolgens worden bestudeerd en stopgezet als deze niet door de beugel kunnen. Ik vraag mij ernstig af of de Belastingdienst hier wel tegen opgewassen is. Een vergelijking met bijvoorbeeld het naleven van de AVG doet zich dan direct voor. Al sinds mei 2016 weten bedrijven dat de AVG in werking is getreden en dat zij daaraan sinds 25 mei 2018 moeten voldoen. En wat blijkt? De Belastingdienst is niet bij machte om aan deze eisen te voldoen. Zoals het er nu naar uitziet, kan de Belastingdienst pas in 2019 aan de eisen uit de AVG voldoen.

En stel nu dat de Belastingdienst in 2020 informatie krijgt, er vervolgens niets mee doet en in een later jaar bij de betreffende onderneming een boekenonderzoek gaat uitvoeren. In dat onderzoek komt de informatie wederom boven tafel en dan wil de Belastingdienst gaan navorderen en een vergrijpboete opleggen. Bestaat de bevoegdheid daartoe dan nog wel? Ik zou menen van niet omdat de inspecteur dan zijn onderzoeksverplichtingen in eerste instantie niet is nagekomen. Ik verwijs daarvoor ook naar de blog leuker kunnen we het niet maken, ook niet makkelijker.

Conclusie

Op 13 maart 2018 heeft de Europese Commissie de Mandatory Disclosure-richtlijn aangenomen. Deze richtlijn verplicht de belastingadviseur om per 1 juli 2010 mogelijk agressieve belastingstructuren te melden aan de Belastingdienst. Je zou dan kunnen zeggen de meldplicht is er nu nog niet, maar dat ligt toch genuanceerder. In de richtlijn is namelijk bepaald dat belastingadviseurs al vanaf 25 juni 2018 bij moeten houden welke adviezen voldoen aan de indicatoren voor een mogelijke agressieve belastingstructuur. Ook die structuren moeten in 2020 worden gemeld. Wat ik me afvraag is of de Belastingdienst voldoende is uitgerust om deze meldingen ook te verwerken. De indicatoren zijn namelijk dermate vaag en ruim dat zo’n beetje alle adviezen daaronder kunnen worden geschaard. Dat betekent dat een bulk aan informatie op de Belastingdienst afkomt. Zien ze tussen al die bomen het bos nog wel? De tijd zal het leren…..

Mr. M.H.W.N. (Marloes) Lammers