Inbeslagname in strafzaken? Hou een vinger aan de pols!

In opsporingsonderzoeken, zeker in fraudezaken, komt het geregeld voor dat opsporingsambtenaren op een onverwacht ogenblik in woningen en/of kantoorlocaties komen binnenvallen en spullen in beslag nemen. Tijdens dergelijke ‘doorzoekingen’ wordt gezocht naar voorwerpen zoals bijvoorbeeld de administratie welke verder als bewijs kan worden gebruikt. Ook kan de doorzoeking worden gebruikt om waardevolle voorwerpen (sieraden, auto’s en dergelijke) in beslag te nemen zodat deze – na te zijn verkocht – kunnen worden gebruikt om een later op te leggen boete of ontnemingsvordering mee te voldoen.In de praktijk gonst het al jaren van verhalen dat de overheid niet altijd integer handelt. Inbeslaggenomen voorwerpen ‘verdwijnen’ en de burger wordt in de regel verder slecht geïnformeerd over de inbeslagname. Op 24 augustus 2016 heeft de Ombudsman, na vele klachten hierover, het rapport ‘Waar is mijn auto?’ uitgebracht. Hieronder worden enkele onderdelen daarvan uitgelicht en worden handvaten aangedragen om de kans op problemen met inbeslagnames zo beperkt mogelijk te houden.

businessman with an orange tie turning his empty pockets inside out. Front view, no head. Isolated. Concept of bankruptcy.

Uit het onderzoek door de Ombudsman blijkt dat de burger na een inbeslagname geen idee heeft waar het in beslag genomen voorwerp is en wat ermee gaat gebeuren. Dit komt doordat de beslagene niet of nauwelijks wordt geïnformeerd: zo kan op de internetsites van de betrokken instanties  bijvoorbeeld geen informatie worden gevonden over de mogelijkheid om beklag in te stellen tegen inbeslagname en ook naar praktische informatie, zoals bijvoorbeeld de tip om kentekens te schorsen als een auto in beslag is genomen omdat voertuigverplichtingen (zoals de verplichte APK-keuring) doorlopen, is het lang zoeken.

Geld en waardevolle voorwerpen ‘verdwijnen’

In de oriënterende fase van het onderzoek door de Ombudsman heeft de redactie van het televisie- en radioprogramma Een Vandaag verder een onderzoek verricht door bij leden van de specialisatieverenigingen voor strafrechtadvocaten te vragen naar hun ervaringen, het radio-interview hierover beluistert u hier. Uit dit onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de advocaten die hebben gereageerd ervaringen hebben waarin inbeslaggenomen voorwerpen verdwijnen nadat zij zijn meegenomen tijdens een doorzoeking. Er zijn zelfs meerdere sterke aanwijzingen dat waardevolle voorwerpen in het geheel niet worden geregistreerd en in de zakken van opsporingsambtenaren verdwijnen. Omdat het moeilijk is om te bewijzen dat de voorwerpen voorafgaand aan de doorzoeking wel aanwezig waren en daarna niet meer, heeft het doen van aangifte van verduistering in de regel weinig succes. Daarenboven komt het ook voor dat verdachten in de regel geen aangifte willen doen van criminele voorwerpen’. In witwaszaken waar aan aangetroffen vermogen een legale herkomst moet worden gehangen bestaat vaak geen motivatie om te klagen over ‘verdwenen’ contante geldbedragen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor gestolen drugs of vuurwapens.

Doe vroegtijdig navraag

De overheid heeft op het rapport van de Ombudsman gereageerd door te erkennen dat het belang van burgers bij inbeslagnames niet altijd de aandacht krijgt die het verdient. Maar ook indien de toezegging om met de aanbevelingen die de Ombudsman in zijn rapport doet om aan de slag te gaan door de overheid ook in de praktijk wordt gebracht, is het goed om na inbeslagname een vinger aan de pols te houden.

Zo is het raadzaam om in elk geval de afweging te maken of het zin heeft om met het Openbaar Ministerie in contact te treden over de inbeslagname. Indien wordt gevraagd wanneer het onderzoek naar voorwerpen is afgerond, dienen deze zo spoedig mogelijk terug te komen. Hier bovenop (blijven) zitten dwingt een officier van justitie in een vroeg stadium navraag te doen bij het opsporingsteam wat de kans verkleint dat voorwerpen verdwijnen.

Voorkom voortijdige (executie-)verkoop

Bij voorwerpen die in beslag zijn genomen om later te kunnen worden uitgewonnen, is het daarnaast wijs goed in de gaten te houden dat deze niet tussentijds door de Dienst Domeinen worden geveild. Zeker bij voorwerpen waarvan de opslagkosten snel kunnen oplopen bestaat er voor de mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie om (ruim voor de inhoudelijke behandeling waar wordt geoordeeld of het beslag rechtmatig is!) zaken alvast via een executieveiling te verkopen waar de voorwerpen (waar soms ook een emotionele waarde aan zit) in de regel voor een zeer lage prijs worden verkocht. Door contact te houden met het Openbaar Ministerie kan worden bekeken of op een andere wijze zekerheid voor het beslag kan worden gevonden. Ook kan worden geprobeerd om bij wijze van ‘civiel conservatoir beslag’ het voorwerp terug te geven aan de beslagene die, indien inderdaad door een rechter wordt besloten dat het beslag kan worden uitgewonnen, dit dan pas moet overdragen (of ‘terug moet kopen’).

Beklag tegen inbeslagname

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om tegen de inbeslagname een beklag in te dienen bij de rechtbank. Hoewel de dagelijkse praktijk helaas leert dat vanwege de zeer marginale toetsing door de rechtbank dergelijke procedures vaak teleurstellend verlopen, wordt het Openbaar Ministerie in elk geval gedwongen om in een vroeger stadium dan op dit moment gebruikelijk is een oordeel te vormen over het beklag.

Fiscale voorlopige voorziening in de strijd tegen dwanginvordering

Als u het niet eens bent met een belastingaanslag, moet u deze als hoofdregel toch direct betalen. Het aantekenen van bezwaar- of beroep ‘schorst’ de betalingsverplichting van een belastingaanslag immers niet. Dit kan vervelende gevolgen hebben als de ontvanger van de Belastingdienst – die over de invordering van de aanslag gaat – geen uitstel van betaling wil verlenen, terwijl u meent dat aanslag onjuist is. Ook al wordt een aanslag achteraf vernietigd, de gevolgen van (dwang)invordering kunnen onomkeerbaar zijn. Door het aantekenen van verzet bij de civiele rechter worden de incassobevoegdheden van de ontvanger tijdelijk opgeschort. Dit is een beproefd noodmiddel als er argumenten zijn tegen de houdbaarheid van aanslag zelf of de incasso daarvan. In dit blog wordt de andere mogelijkheid besproken om de ontvanger op afstand te houden: de belastingrechter verzoeken bij wege van voorlopige voorziening de aanslag te schorsen.

Dealing with tenacious and annoying street salesman

Voorlopige voorziening

De fiscale voorzieningenrechter kan een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat de belastingrechter kan oordelen over de rechtmatigheid van de aanslag, maar niet over de invorderingsaspecten daarvan. Daar gaat de civiele rechter over. Een fiscale voorzieningenrechter is dus niet bevoegd te oordelen over een verzoek dat uitsluitend ertoe strekt de invorderbaarheid van een aanslag te schorsen. Dit probleem kan door de voorzieningenrechter worden opgelost door de (werking van de) aanslag te schorsen omdat sprake is van een lichtvaardig of onrechtmatig genomen besluit. Een geschorste aanslag is namelijk niet invorderbaar. Overigens kan een verzoek om een voorlopige voorziening ook op iets anders zien dan het schorsen van de aanslag, zoals bijvoorbeeld het verzoek de inspecteur te gelasten zich te onthouden van (inter)nationale inlichtingenverzoeken.

Connexiteit

Als de rechter bevoegd is in de hoofdzaak, is het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ontvankelijk indien is voldaan het vereiste van ‘connexiteit’ oftewel samenhang met een lopende procedure. Connexiteit bestaat uit een formeel en een materieel element. Het vereiste van de formele connexiteit houdt in dat een verzoek om een voorziening slechts kan worden gedaan indien bezwaar is gemaakt of (hoger) beroep is ingesteld. Wordt het bezwaar of beroep ingetrokken, dan vervalt daarmee de connexiteit. Dat maakt het verzoeken om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tricky, omdat de connexiteit verbreekt als de inspecteur uitspraak op bezwaar doet.

Het vereiste van materiële connexiteit houdt in dat alleen wat betreft aspecten die ook in de hoofdzaak aan de orde kunnen komen een voorziening kan worden getroffen. Voor schorsing van een belastingaanslag moet dus worden aangevoerd dat er (zodanige) aanwijzingen zijn dat de aanslag niet in stand zal kunnen blijven, zodat invordering daarvan niet gerechtvaardigd is zolang de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat.

Spoedeisendheid

Is het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk, dan zal de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk behandelen. Daarbij is eerst vanaf belang of sprake is van een spoedeisend belang dat de voorlopige voorziening rechtvaardigt. Met andere woorden: kan niet gewoon de beslissing in de hoofdzaak worden afgewacht? Voldoende spoedeisend is dat verzoeker bij het uitblijven van een voorlopige voorziening ernstig en onherstelbaar nadeel zal lijden, bijvoorbeeld door een faillissement. Is de verzoeker reeds in staat van faillissement verklaard, dan is geen sprake meer van een spoedeisend belang: het gevreesde gevolg kan dan immers niet meer worden voorkomen. Als er een spoedeisend belang is, zal het verzoek om voorlopige voorziening worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de aanslag onrechtmatig is.

Kortsluiten

De voorzieningenrechter kan – ambtshalve of op verzoek van één van beide partijen – uit proceseconomische overwegingen onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Dit noemt men kortsluiten. In de bezwaarfase is kortsluiten dus niet mogelijk, want er is (nog) geen uitspraak op bezwaar waartegen beroep is aangetekend. De voorzieningenrechter zal hiertoe overgaan indien naar zijn oordeel nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, bijvoorbeeld als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond is.

Aandachtspunten

Tegen een afwijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geen hoger beroep of cassatie bij de Hoge Raad open. Dat is een slechte zaak voor de rechtseenheid omdat er geen hoogste rechter is die ervoor zorgt dat alle rechtbanken en hoven uitgaan van dezelfde uitleg van voornoemde aspecten. Hier komt bij dat de praktijk leert dat belastingrechters niet zelden weinig zin hebben om een verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te behandelen. Dat is een lastige combinatie.

Zo kan het voorkomen dat een verzoek om een aanslag te schorsen vanwege onrechtmatigheid wordt ‘opgevat’ als een verzoek om uitstel van betaling, waarover de belastingrechter niet gaat. Wees daarom niet te summier in het motiveren en geef – indien mogelijk – een voorbeeld uit de rechtspraak van een vergelijkbaar geval waarbij de voorlopige voorziening is toegewezen, of is afgewezen (waarbij je aangeeft dat uw geval op het doorslaggevende onderdeel verschilt). Weerzin van de belastingrechter om een voorlopige voorziening te treffen zou hem kunnen bewegen om een verzoek om versnelde behandeling van het beroep in de hoofdzaak toe te wijzen, als daar (ook) om is verzocht.

Een fiscale voorlopige voorziening moet overigens niet worden verward met het civiele kort geding, waarbij de zitting soms de dag na aanvraag plaatsvindt. Uit cijfers van de rechtspraak blijkt dat de bestuursrechtelijke voorlopige voorziening een doorlooptijd heeft van 6 weken. Heeft u echt haast, teken dan verzet aan, dat schorst de invordering vanaf het moment dat de dagvaarding door de deurwaarder aan de ontvanger is betekend.

Conclusie

Een ontvanger die de invordering van een betwiste belastingschuld ter hand neemt kan op twee manieren worden teruggefloten. De eerste heet verzet en werkt middels een civiele dagvaarding. De tweede manier is het middels een voorlopige voorziening schorsen van de aanslag. Daarbij is van belang dat bezwaar- of (hoger) beroep is aangetekend tegen het bestreden besluit (het vereiste van connexiteit) en er moet sprake zijn van een spoedeisend belang. De aard van het verzoek (wat wil je bereiken) en het spoedeisende belang dienen te worden onderstreept en ook waarom de belangenafweging in uw voordeel dient uit te pakken. Anders wijst de voorzieningenrechter het verzoek met hetzelfde gemak af, als waarmee het is gedaan.

Mr. N. van den Hoek

 

Valse proces-verbalen: hoe een eend een haas vangt

Als zaken bewust op papier zijn gesteld om een onjuiste voorstelling van zaken geven, is sprake van valsheid in geschrift. Naast het opnemen van onjuistheden kan ook worden ‘geknoeid’ door juist informatie weg te laten. In de rechtspraktijk komen nog wel eens door opsporingsambtenaren opgestelde proces-verbalen langs die een (te) eenzijdig beeld weergeven door het standpunt van de verdediging nauwelijks te belichten of zelfs helemaal niet te benoemen. Al dan niet onbewust geven dergelijke onzuivere stukken onnodig kleur aan de zaak. Hoe hier tegen op te treden?

Quot homines, tot sententiae (Zo veel mensen, zo veel meningen[1])

Dat opsporingsambtenaren vanwege een andere insteek in het strafproces geregeld een andere invulling geven aan eenzelfde feitencomplex dan verdachten is niet verwonderlijk. Onderstaande illustratie (van Jastrow) van een eend laat zien dat vooronderstellingen meningen kunnen kleuren. Immers, als het uitgangspunt is dat de illustratie een konijn uitbeeldt ontstaat een ander plaatje.

eend

In het recht wordt de tegenstrijdigheid tussen partijen onderkend. Op basis van het zogenaamde relevantiecriterium dienen alle zaken die zowel belastend als ontlastend zijn aan het procesdossier te worden gevoegd. In een strafdossier dient daardoor zowel ‘de eend’ als ‘de haas’ te worden benoemd.

Onvolledig weergeven is vals weergeven

Echter blijkt geregeld dat ontlastende informatie niet in een proces-verbaal wordt opgenomen. Dit terwijl de verbalisanten wel met deze informatie bekend zijn, bijvoorbeeld omdat deze op voorhand door de verdediging is ingestuurd. Zeker indien dit binnen een onderzoek op grote schaal gebeurt, lijkt dit bij verdachten nog wel eens tot een bittere smaak. Immers wordt ‘vals gespeeld’ of nog erger: de lezer (onder andere de rechter die een oordeel over de zaak moet vellen) wordt door de incomplete informatie misleid.

Wat te doen?

Een keertje vergissen is menselijk. Indien echter herhaaldelijk ontlastende informatie niet wordt genoemd, is het van belang dit in een procedure (uitgebreid!) aan de orde te stellen. Zodra het eenzijdig en met name onvolledig presenteren van feiten een doelbewustheid behelst om het proces-verbaal als volledig te gebruiken, is immers sprake van valsheid in geschrift.

Niemand, zeker rechters niet, houden van valsheid in geschrift. Maar zeker niet indien dit door opsporingsambtenaren, nota bene onder leiding van het Openbaar Ministerie, wordt gepleegd. Hoewel al jaren de tendens in de jurisprudentie bestaat om zogenaamde vormverzuimen zonder gevolg te laten, maken rechters in de regel hier een uitzondering op zodra zij het idee hebben dat zij misleid worden. Dit kan in een uiterst geval tot bewijsuitsluiting en in uitzonderlijke gevallen (waar de onvolledigheid ertoe heeft geleid dat verdedigingsbelangen in ernstige mate zijn geschonden) zelfs tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden.

Zeker in fraudezaken, waar ‘misleiding’ centraal staat, zal verder het doen van aangifte tegen de opsporingsambtenaren vanwege het vervalsen van proces-verbalen in elk geval voor het nodige vuurwerk zorgen. Wie durft?

Mr. drs. W. de Vries

[1] frase die door Cicero wordt gebruikt in zijn werk De finibus malorum et bonorum (eerste boek)