Verzet tegen dwangbevel belastingschulden stopt invordering (niet) altijd?

‘alleen door een rechterlijke beslissing (kan) de schorsende werking aan het verzet (worden)ontnomen’

De fiscus heeft vergaande mogelijkheden om niet alleen de belastingschuld vast te stellen, maar ook zelf in te vorderen. Als de belastingschuldige van mening is dat de ontvanger van de belastingdienst niet in zijn recht staat, kan hij tegen dit dwangbevel belastingschulden een fiscale verzetprocedure starten. Wettelijk is bepaald dat verzet tegen een dwangbevel de bevoegdheden van de ontvanger schorst om de schuld te incasseren. Ondanks verzet was het beleid in ‘kansloze’ gevallen echter tot recent dat de ontvanger toch door ging met beslag en executie. De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat de ontvanger niet zonder oordeel van een rechter het stopbord mag negeren.

Waarom een fiscale verzetprocedure?

De verzetprocedure geldt als bescherming tegen té vergaande ‘eigenrichting’ door de ontvanger. De fiscus kan immers, anders dan andere schuldeisers, met een dwangbevel zichzelf een bevoegdheid geven om beslag te leggen én vervolgens de beslagen goederen ook te verkopen. Normale schuldeisers moeten hiervoor eerst langs de rechter om te laten beoordelen of hun vordering terecht is. Met het vonnis van de rechter heeft die schuldeiser een ‘executoriale titel’, waarmee hij de bevoegdheid verkrijgt om zijn vordering op het beslagene te verhalen (te executeren).

De ontvanger kan zichzelf dus deze bevoegdheid geven zonder voorafgaande onafhankelijke rechterlijke beoordeling. Dit gaat heel ver. Om belastingschuldigen en aansprakelijkgestelden een mogelijkheid te bieden hier een halt aan toe te kunnen roepen, is de verzetprocedure in het leven geroepen.

Verzet: hoe gaat dat?

Een verzetprocedure is een procedure voor de civiele rechter, waarbij de belastingschuldige verplicht is een advocaat in te schakelen. De advocaat dagvaardt de ontvanger. In deze dagvaarding wordt geklaagd over de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Omdat hiermee een ‘gewone’ civiele procedure wordt gestart, kunnen uiteraard ook andere civiele aangelegenheden aan de orde komen.

Wanneer de belastingschuldige bijvoorbeeld van mening is dat de ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld en daarvoor schadeplichtig is, kan dit eveneens in de verzetprocedure aan de orde worden gesteld. Ook kan in de verzetprocedure worden gevraagd om:

  • opheffing van gelegde beslagen;
  • terugbetaling van betaalde/verrekende bedragen;
  • de verplichting om gedurende bezwaar en beroep uitstel van betaling te verlenen.

De dagvaarding wordt door een deurwaarder aan de ontvanger van de belastingdienst uitgebracht. Hiermee start de verzetprocedure en wordt de schorsende werking ingeschakeld. Die schorsende werking houdt in dat de incassoafdeling van de fiscus, totdat de rechter uitspraak heeft gedaan over de vraag of het verzet terecht is ingesteld, niet verder mag gaan met de executie van zijn dwangbevelen.

Verzet waartegen?

Het kan uiteraard ook gaan om meerdere dwangbevelen. Onduidelijk is nog of ook voor toekomstige dwangbevelen (al) verzet kan worden ingesteld.

Uit de schorsing van (de executie van) het dwangbevel voor bepaalde aanslag(en) volgt dat er voor diezelfde aanslagen niet opnieuw een dwangbevel kan worden uitgevaardigd om daarmee de schorsing te omzeilen. Wanneer het gaat om verwachte dwangbevelen voor soortgelijke aanslagen, of ze nu al zijn opgelegd of worden verwacht, is er wel wat voor te zeggen dat de ‘on hold’ functie van het verzet ook daarvoor kan gelden.

Verzet op welke gronden?

In de wet worden niet de redenen genoemd op basis waarvan de belastingplichtige zich kan verzetten tegen executie van dwangbevelen. Wel is bepaald dat het niet kan gaan om de stelling dat:

  • de aanslag, aanmaning of dwangbevel niet zijn ontvangen;
  • de aanslag onterecht of te hoog is opgelegd.

Hierop bestaan echter uitzonderingen. De wet geeft zelf al aan dat het niet ontvangen van genoemde stukken onder omstandigheden tóch een reden kan zijn voor verzet. De belastingschuldige moet dan ‘aannemelijk maken’ dat de ontvangst moet worden betwijfeld. Het enkele stellen is dus niet genoeg, er moet voldoende reden worden aangegeven waardoor twijfel ontstaat.

Ook de te hoge aanslag kan (toch) een grond voor verzet opleveren. De ontvanger mag namelijk niet invorderen als hij ‘marginaal toetsend’ of ‘in redelijkheid’ niet tot de conclusie kan komen dat de aanslag klopt. Het gaat niet om situaties waarin de aanslag ‘formeel’ niet klopt (bijvoorbeeld doordat deze te is laat opgelegd) maar waarin ‘twijfel mogelijk is of die aanslag wel in overeenstemming is met de materiële belastingschuld’, aldus de toelichting. Het is (wederom) aan de belastingschuldige om die voldoende twijfel over de hoogte van de aanslag op te roepen.

Andere gronden voor het verzet kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • dat uitstel van betaling of kwijtschelding is verleend;
  • dat uitstel van betaling had moeten worden verleend;
  • dat de aanslag(en) zijn betaald of verrekend;
  • dat de betalingsverplichting van de aanslag(en) is verjaard;
  • dat er geen redenen waren voor versnelde executie in plaats van de reguliere betalingstermijnen.

Alternatief: schorsing van de aanslag

Als de aanslag nog niet onherroepelijk is omdat nog bezwaar of beroep mogelijk is of loopt, bestaat nog een andere mogelijkheid dan de verzetprocedure om de executie te stoppen. Die andere mogelijkheid is een verzoek om schorsing van de aanslag zelf in een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter. Omdat die voorlopige voorziening gekoppeld is aan het bezwaar of beroep tegen de aanslag, kunnen daarin alle bezwaren tegen de (hoogte van de) aanslag ten volle worden benut. Voor meer informatie hierover zie mijn artikel ‘Schorsing van aanslagen en de gevolgen voor de invordering’.

Opheffing schorsing vereist altijd rechterlijke uitspraak

Eerder was al wel uitgemaakt dat de ontvanger de schorsende werking van het verzet opzij kan laten zetten door dit aan de rechter voor te leggen in evident kansloze zaken. In het arrest van 1 mei 2015 lag de vraag voor of dit ook eigenhandig, zonder rechterlijke tussenkomst kan.

Per 2008 had de ontvanger in zijn beleid (oud) opgenomen dat als het verzet zo kansloos was dat het naar zijn mening instellen misbruik van recht zou opleveren, de ontvanger ‘na verkregen toestemming van het ministerie – [kan] besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten’. Hierop heeft de ontvanger de nodige kritiek gekregen, niet in de laatste plaats van de Nationale ombudsman.

De Hoge Raad heeft nu klip en klaar geoordeeld dat dit niet kan. Het beleid is daar inmiddels ook op aangepast. De Hoge Raad oordeelde:

 “De wet verbindt (…) aan het verzet zonder meer het gevolg van schorsende werking. Dit berust (…) op een welbewuste keuze van de wetgever. Daarmee strookt (…) dat in geval van misbruik van bevoegdheid alleen door een rechterlijke beslissing de schorsende werking aan het verzet kan worden ontnomen. Voor deze beperking bestaat ook aanleiding nu het gaat om de tenuitvoerlegging van een titel die (als zodanig) niet door de rechter is getoetst.

Juist omdat de fiscus zichzelf een ‘titel’ (bevoegdheid) verschaft waarmee hij beslag kan leggen en uitwinnen, zonder dat eerst een rechter oordeelt of de aanslag terecht is, is een rem nodig. Die rem bestaat in de mogelijkheid om verzet in te stellen. Voordat die (schorsende) werking opzij kan worden gezet, is daarom rechterlijke tussenkomst noodzakelijk.

 Ontvanger aansprakelijk

Als de ontvanger de uitwinning van het beslag doorzet ondanks ingesteld verzet, is hij aansprakelijk voor de schade die de belastingschuldige daardoor lijdt. Dit geldt niet alleen in het geval de rechter oordeelt uiteindelijk dat het verzet tegen het dwangbevel terecht is ingesteld, maar ook in het geval de verzetprocedure inderdaad ‘kansloos’ blijkt.

In het geval het verzet gegrond wordt verklaard, heeft de ontvanger net als iedere ‘gewone’ beslaglegger een risicoaansprakelijkheid. Een beslaglegger is aansprakelijk voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag, als zijn vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond wordt verklaard. Daarnaast is een beslaglegger ook aansprakelijk wanneer gesproken wordt van een zogenaamd ‘vexatoir’ beslag: bij misbruik van bevoegdheid. Tussen civiele partijen wordt dit beoordeeld aan de hand van een belangenafweging. De beslaglegger is aansprakelijk als sprake is van ‘(on)evenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad’, als gevolg waarvan de beslaglegger ‘naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen’, aldus Langemeijer.

Dat van misbruik sprake is staat wel vast in een geval waarin een wettelijke rem bewust zou worden genegeerd. Dit gaat zelfs nog verder dan ‘misbruik van bevoegdheid’, aangezien de betreffende bevoegdheid de fiscus lopende een verzetprocedure überhaupt niet toekomt.

Tot slot

Dat deze uitkomst het Ministerie van Financiën niet welgevallig is, moge duidelijk zijn. Ook in de toekomst zullen zich situaties voordoen waarbij de ontvanger c.q. het Ministerie van oordeel is dat sprake is van (zodanig) misbruik van recht door de kansloosheid van het verzet, dat deze tóch moet kunnen worden doorgezet. Gesuggereerd wordt dat dit mogelijk tot meer faillissementsaanvragen door de fiscus zal leiden, waartegen geen verzet openstaat.

Gelet op het oordeel van de Hoge Raad staat echter vast dat het negeren van de schorsende werking van verzet niet zonder rechterlijk oordeel is toegestaan. Van de fiscus mag dan ook worden verwacht dat hij zich magistratelijk opstelt en niet bewust de wet zal overtreden.

Zie ook:

Voorkom hoofdelijke aansprakelijkheid door te late of onjuiste melding betalingsonmacht

Wanneer een rechtspersoon een belastingschuld niet op tijd kan betalen, eist de Invorderingswet 1990 dat de bestuurders van de rechtspersoon een melding betalingsonmacht doen bij de Ontvanger van de belastingdienst. Als de melding niet of te laat wordt gedaan, zijn alle bestuurders hoofdelijk (privé) aansprakelijk voor de niet betaalde belastingschuld. Veelal zal het gaan om de loonbelasting en omzetbelasting van een onderneming.

Wie?

Bestuurders van commerciële ondernemingen met rechtspersoonlijkheid, zoals B.V.’s, N.V.’s, stichtingen en verenigingen (de laatste twee indien en voor zover zij een onderneming drijven). Indien een onderneming meerdere bestuurders heeft, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden bij niet tijdig of niet juist melden. Een strikte taakverdeling onder bestuursleden doet hieraan in de regel niet toe of af; fiscaliteit wordt gezien als de verantwoordelijkheid van elke bestuurder.

Wanneer melden?

De melding moet worden gedaan ‘onverwijld’ nadat is gebleken dat betaling van de belastingschuld niet mogelijk is. Onverwijld houdt in dit geval in: uiterlijk twee weken na de dag dat de belastingaanslag betaald had moeten worden (artikel 7, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet). Dit houdt bijvoorbeeld bij de (maandelijks) af te dragen loonbelasting over januari in, dat voor eind februari moet worden betaald en de melding van betalingsonmacht uiterlijk – twee weken later- op 14 maart moet plaatsvinden.

Bij te betalen naheffingsaanslagen geldt dat alleen een geldige melding kan worden gedaan als het niet aan opzet of grove schuld van de rechtspersoon te wijten is dat de nageheven belasting destijds niet is afgedragen. LET OP: er zijn situaties –buiten faillissement of surseance van betaling- waarbij de bestuurder ontslagen kan zijn van de meldingsplicht. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de ontvanger al op de hoogte was van de betalingsonmacht, doordat dit in eerdere communicatie of correspondentie al bekend is gemaakt of door contact met de deurwaarder.

Hoe?

U kunt de betalingsonmacht melden via het standaardformulier van de belastingdienst. De melding moet inzicht geven in de omstandigheden die er toe hebben geleid dat de belasting niet (tijdig) betaald kan worden. Dit kan bijvoorbeeld een tijdelijk liquiditeitstekort zijn, maar kan ook een meer structureel betalingsprobleem inhouden.

Gevolg niet melden: aansprakelijk voor de belastingschulden

Alle bestuurders kunnen hoofdelijk (privé) aansprakelijk worden gesteld indien de onderneming belastingen niet kan betalen en het aannemelijk is dat dit het gevolg is van onbehoorlijk bestuur dat aan hen te wijten is. Indien volledig én op tijd bij de ontvanger van de belastingdienst melding wordt gedaan van betalingsonmacht is de bestuurder ‘slechts’ aansprakelijk indien aannemelijk wordt dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van mededeling. Onder kennelijk onbehoorlijk bestuur vallen ernstige misslagen en wanbeleid, maar ook minder ernstige fouten zoals roekeloos of onverantwoordelijk bedrag van bestuurders. Bovendien leidt het nemen van bedrijfsrisico’s die veel groter zijn dan wat tot normaal ondernemersrisico mag worden gerekend, al snel tot kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Bij onvolledig en/of niet op tijd melden is de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden en wordt kennelijk onbehoorlijk bestuur aangenomen. Een bestuurder mag dit bewijsvermoeden pas weerleggen, wanneer hij aannemelijk kan maken dat het niet aan hem te wijten is dat niet (tijdig) is gemeld. De praktijk wijst uit dat een dergelijke situatie zich zelden voordoet. U kunt bijvoorbeeld denken aan het uitzonderlijke geval dat een bestuurder in coma lag op het moment dat de melding gedaan had moeten worden. Fiscaliteit wordt in de regel gezien als verantwoordelijkheid van alle bestuurders. Zodoende is er een zeer beperkte mogelijkheid voor bestuurders om überhaupt in de gelegenheid te worden gesteld om te weerspreken dat sprake zou zijn van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Melding te laat of onjuist? Schakel een advocaat in!

Indien de melding betalingsonmacht niet of te laat is gedaan, zult u als hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden voor de niet betaalde belastingschulden. Zoals hierboven aangegeven, zal in dat geval kennelijk onbehoorlijk bestuur worden aangenomen. Dit is een lastig te weerleggen bewijsvermoeden. Schakel een deskundige advocaat in en leg uw zaak voor om de mogelijkheden te bespreken en om deze discussie eventueel uit handen te geven. Bovendien kan de situatie zich voordoen dat u ontslagen bent van uw wettelijke meldingsplicht. U kunt vrijblijvend contact met Jaeger Advocaten- Belastingkundigen opnemen om uw specifieke situatie te bespreken.

Plukken en belasten leidt tot dubbel gepakt!

Doordat het inkomen uit wederrechtelijk voordeel wordt belast in het jaar waarin het wordt verdiend en de aftrek van een velen jaren later onherroepelijk wordende ontnemingsmaatregel pas aftrekbaar wordt op het moment van betalen, leidt het heffen over crimineel inkomen (nog afgezien van een op te leggen boete) en vervolgens ‘plukken’ tot een schuld aan twee onderdelen van diezelfde overheid; plukken en belasten leidt tot dubbel gepakt!  In zijn totaliteit gaan beide de daadwerkelijk met die criminaliteit gegenereerde inkomsten verre te boven. Ondanks de bedoeling dat belastingheffing en ontneming niet cumuleren. Doordat verliezen, dus ook die ten gevolge van de aftrekbaarheid van een betaalde ontneming, maar één jaar terug en verder voorwaarts verrekenbaar zijn, biedt de aftrekbaarheid van een beetje stevige ontnemingsvordering slechts soelaas aan de crimineel met een (doorlopend) hoog inkomen. De vraag is of de in het nieuwe AAFD protocol geregelde afstemming tussen fiscus en OM voor dit probleem een oplossing biedt.

Nieuw AAFD Protocol

Per 1 juli 2015 is een nieuw protocol gaan gelden over de aanmelding en afdoening van fiscale delicten. Mijn kantoorgenote Vanessa Huygen van Dyck schreef in haar blog van 2 juli jl. al dat mogelijke strafrechtelijke alternatieven voor de ontneming er toe kunnen leiden dat meer dan de verdiensten worden afgeroomd. Een al wat langer bestaand probleem is dat de Hoge Raad het niet toestaat dat een voorziening wordt gevormd voor een nog onbetaalde ontnemingsvordering, noch afdwingbaar maakt dat op grond van het (oude) beleid daadwerkelijk afstemming plaats vindt.[1] Ik stond bij dit probleem in 2013 al uitvoerig stil in een tweetal artikelen over het beleid terzake, en over het arrest in Europees perspectief.

Hoewel veel tekst vergelijkbaar is met de oudere besluiten, is de afstemming thans als volgt verwoord:

‘Dit protocol ziet primair op de afstemming tussen Belastingdienst en OM over (voorkoming van) samenloop tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke afdoening. Een vergelijkbare vorm van cumulatie doet zich voor bij het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. In artikel 74 AWR is al voorzien in een eenduidige anticumulatiebepaling bij ontneming inzake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Voor ontneming inzake andere delicten is echter geen vergelijkbare regeling getroffen. Vandaar dat het in die gevallen noodzakelijk is dat de Belastingdienst en het OM de handhavingsinspanningen op elkaar afstemmen.

 Het afpakken van crimineel vermogen is een waardevol middel in de bestrijding van criminaliteit. Het OM heeft regels vastgesteld voor het strafrechtelijk afpakken van financiële opbrengsten uit criminele activiteiten1. Onderdeel van die regels is onder meer dat afstemming plaatsvindt met de Belastingdienst. In het maatschappelijk verkeer genoten voordelen leiden immers in beginsel tot belastingheffing. Dat is niet anders als de voordelen wederrechtelijk zijn verkregen. Voorkomen moet worden dat de belastingheffing ter zake van wederrechtelijk verkregen voordelen en de strafrechtelijke ontneming van die voordelen op een ongewenste wijze op elkaar inwerken. Daarom is met het OM afgesproken dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert.

 Om te voorkomen dat de verdachte/veroordeelde nadat hem een ontnemingsmaatregel is opgelegd, of met hem een schikking of transactie met een ontnemingscomponent is getroffen, ook nog wordt geconfronteerd met belastingheffing over het wederrechtelijk verkregen voordeel, stemt het OM het voornemen tot ontnemen af met de Belastingdienst wanneer het geschatte voordeel ten minste € 5.000 bedraagt.’

Gaat het werken?

Afstemming was al voorgeschreven. De praktijk leerde echter dat de afstemming ofwel niet plaats vond, ofwel juist gericht leek op het elkaar informeren zodat niet louter het een of het ander gebeurde. Niet gericht dus of voorkomen van cumulatie, maar op het bewerkstelligen daarvan.

Over het op ongewenste wijze op elkaar inwerken van belastingheffing en ontneming kan verschillend gedacht worden. Ik meen in de tekst te kunnen lezen dat meer afromen dan met de criminaliteit is verdiend een ongewenste inwerking is, die met afstemming dient te worden voorkomen. Het is immers de bedoeling dat door ontneming de crimineel wordt terug gebracht in de inkomens- en vermogenspositie van voor zijn misdaad. Het is niet als aanvullende straf bedoeld. Inkomen dat uiteindelijk niet definitief wordt genoten (vanwege de ontneming, of terugbetaling aan het slachtoffer) hoeft niet te worden belast, tenzij je alleen het resultaat na belastingheffing zou ontnemen (wat nu niet het uitgangspunt is, er wordt bruto ontnomen). Ik ken echter heel wat officieren van justitie, inspecteurs en ontvangers, om nog maar te zwijgen over politici en zelfs een enkele vakbroeder, die de mening is toegedaan dat er slechts sprake is van ongewenste inwerking als het risico wordt gelopen dat ofwel de belastingheffing, dan wel de ontneming, niet ten volle zijn beloop krijgt. Zo bezien is afstemmen dan elkaar informeren!

Mogelijke belemmeringen

Bij een mogelijke belemmering door de fiscus van de ontneming kan ik me eerlijk gezegd weinig voorstellen. De instructie dat de fiscus ontneming niet moet belemmeren kenden de oude regelingen echter ook. Moet de ontvanger wachten met het innen van een aanslag die is gebaseerd op criminele verdiensten, opdat de betaling daarvan betaling van een ontnemingsvordering niet bemoeilijkt? Dat zou mooi wezen, zeker als de ontvanger na betaling van de ontneming dan zijn vordering prijs zou geven. In de praktijk ervaar ik geen uitwerking van deze instructie.

Evenals in de voorgaande regelingen staat ook nu opgenomen dat voorkomen moet worden dat nadat een ontnemingsmaatregel is opgelegd, de verdachte geconfronteerd wordt met belastingheffing over het te ontnemen voordeel. Vergelijkbare bewoordingen hebben er tot op heden altijd voor gezorgd dat de afstemming zo werd uitgelegd dat voordat de ontnemingsmaatregel er was, er niets hoefde te gebeuren. Het probleem schuilt echter in het feit dat afstemming nadat geen zin meer heeft, dan is het ‘kwaad’ al geschied.

De fiscus heeft om en nabij 5 jaar de tijd, vanaf het jaar waarin de criminele inkomsten worden verdiend, om een aanslag op te leggen waarin die inkomsten worden betrokken. Zelfs al zou het delict vrij snel na het plegen worden ontdekt, dan is de tijd die – kennelijk – nodig is voor het afronden van een strafrechtelijk onderzoek, te komen tot berechting en het afronden van een financieel onderzoek, eigenlijk altijd te lang om daarna pas tot afstemming te komen.

Vergelijk met artikel 74 Wetboek van Strafrecht

De duidelijke parallel met artikel 74 Wetboek van Strafrecht biedt hoop. Dat artikel is immers een duidelijk verbod op ontnemen in fiscale zaken. Dus geen afstemming achteraf, geen in de praktijk niet werkende ‘ongedaanmakingsverplichting’, gewoon een heldere bepaling die ‘dubbel pakken’ wil voorkomen. Op basis van die parallel kan duidelijk worden gemaakt dat de inkomsten belasten en ook in een ontneming betrekken niet samen gaat. Het is of het een, of het ander, niet beide!

Conclusie

Hoewel het nog immer afwachten is of de rechter op basis van deze gewijzigde aanwijzing zijn koers zal verleggen, biedt de huidige tekst in ieder geval (weer) meer aanknopingspunten om de bepleiten dat ook samenloop ‘vooraf’ middels afstemming voorkomen had moeten worden. Zelfs in lopende zaken kan met hernieuwde energie de strijd tegen ‘dubbel ontnemen’ worden opgepakt. Dat is dan een lichtpuntje in een overigens weinig vernieuwend, noch waarborg biedend, nieuw protocol.

[1] De hyperlink leidt naar de conclusie van AG IJzerman. De Hoge Raad heeft het desbetreffende middel afgedaan op basis van artikel 81 RO.