Einde papieren tijdperk: vanaf 1 oktober 2015 Wet Elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst

Wet elektronisch berichtenverkeer door M.D.M. van der Linde

Het wetsvoorstel Elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst maakte tot voor kort deel uit van het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst. Nu daar meer haken en ogen aan zaten dan vooraf ingeschat, is besloten het gedeelte over het elektronisch berichtenverkeer als separaat wetsvoorstel af te splitsen om daarmee zo snel mogelijk een (wettelijke) grondslag te creëren voor de digitalisering van het berichtenverkeer met de belastingdienst. Met de inzet van digitale communicatiemiddelen wil het kabinet eenvoudigere, eenduidigere en informelere contacten bewerkstelligen tussen belastingplichtigen enerzijds en de belastingdienst anderzijds. Het streven is om het berichtenverkeer op langere termijn uitsluitend nog langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Het berichtenverkeer met de belastingdienst kan echter niet ineens volledig en verplicht elektronisch worden. Daarom kiest het kabinet voor een ingroeimodel, waarbij de techniek, de maatschappelijke ontwikkelingen rond digitalisering en het juridische kader zich in een gelijk tempo ontwikkelen. Belastingplichtigen die niet over de mogelijkheden beschikken om zelf hun berichten digitaal te raadplegen, zouden dit door een gemachtigde (familielid, intermediair) kunnen laten doen. In dat geval moeten bijvoorbeeld ouderen die niet beschikken over internet dan wel een e-mailadres een gemachtigde aanstellen; van enige (financiële) privacy is op dat moment geen sprake meer. Dit lijkt mij een onwenselijk gevolg van de nieuwe regelgeving.

Vanzelfsprekend kunnen de wijzigingen niet van het ene op het andere moment worden doorgevoerd; de eerste jaren zullen er in een ministeriële regeling uitzonderingen op het verplichte elektronische verkeer worden geformuleerd. Deze uitzonderingen zullen geleidelijk worden geschrapt.

Tot nu toe betrof de digitalisering met name berichten van belastingplichtigen aan de belastingdienst. De verdergaande digitalisering biedt echter ook de mogelijkheid om het berichtenverkeer van de Belastingdienst naar de belastingplichtige elektronisch te laten plaatsvinden. Het gaat daarbij uitsluitend om formeel berichtenverkeer, dat wil zeggen berichten die in de wetgeving benoemd zijn, zoals aangiften, beschikkingen en verzoeken van de belastingdienst om informatie over te leggen. Buiten het digitaal indienen van de aangifte, zullen nu dus ook de aanslagen digitaal aan de belastingplichtigen worden toegezonden. De nieuwe werkwijze zou – behalve een kostenbesparing van 60 miljoen euro per jaar- de dienstverlening aan belastingplichtigen moeten verbeteren en de administratieve lasten van zowel de belasting betalende burger als de overheid inperken.

Bij digitale communicatie moet rekening worden gehouden met bijvoorbeeld een storing, waardoor aanslagen niet worden verzonden of niet worden ontvangen. Verder is er uitgebreide fiscale jurisprudentie voorhanden over het verzenden en ontvangen van belastingaanslagen. Een belastingplichtige die stelt een belastingaanslag nooit te hebben ontvangen, zal dat geloofwaardig moeten doen. Het is vervolgens aan de belastingdienst om bewijs te leveren dat de aanslag aan het juiste adres is verzonden. Hoe pakt dit uit als de aanslag digitaal wordt verzonden? In de Algemene wet bestuursrecht is al enkele jaren een afdeling opgenomen die het elektronische verkeer tussen burger en bestuursorgaan regelt. Voor de formele bepalingen over ontvangst- en verzendtijdstip, notificatie van een bericht en de gevolgen van storingen moet blijkens het wetsvoorstel bij deze afdeling aansluiting worden gezocht. Op grond van artikel 3:41 Awb wordt een besluit bekendgemaakt door toezending aan de belanghebbende. Bij elektronisch berichtenverkeer is het verzendtijdstip het moment waarop het bericht een systeem bereikt waar het bestuursorgaan geen controle meer over heeft (artikel 2:17 Awb). Dit is het moment waarop de belastingdienst een bericht in de zogenoemde ‘berichtenbox’ van de belanghebbende plaatst. Evenals bij papieren berichten komen gebreken in de verzending van elektronische berichten in beginsel voor rekening van de belastingdienst. Het is daarentegen wél de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige om kennis te nemen van het bericht, net zoals van de belastingplichtige wordt verwacht dat hij regelmatig zijn brievenbus op fysieke, papieren post controleert. Bij elektronisch berichtenverkeer wordt de belastingplichtige daarbij een extra service aangeboden. Hij kan namelijk een notificatie/melding naar zijn persoonlijke e-mailadres laten zenden indien een bericht in de berichtenbox is geplaatst. Het is aan de belastingplichtige om al dan niet van die service gebruik te maken. Overigens zal, indien onverhoopt sprake is van storingen in de systemen (ofwel bij de belastingdienst, ofwel bij MijnOverheid) coulance betracht worden ten aanzien van termijnoverschrijdingen. Waaruit deze coulance bestaat en hoe ver deze coulance gaat, is vooralsnog onduidelijk. En wie draagt het risico van het onverhoopt uitblijven van een notificatie naar het persoonlijke e-mailadres van belastingplichtige?

De staatssecretaris heeft opgeroepen om het wetsvoorstel voortvarend ter hand te nemen. Aan die oproep lijkt de Tweede Kamer niet echt gehoor te geven. Op 29 juni a.s., net voor het zomerreces, behandelt de vaste commissie van Financiën het voorstel. Daarna (vanaf 3 juli a.s.) is de volledige Tweede Kamer tot 31 augustus 2015 met reces. Concreet betekent dit dat het wetsvoorstel binnen één maand (de maand september) door zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer moet zijn geloodst en bovendien ook in de systemen van de belastingdienst moet zijn verwerkt. Het lijkt dus een ‘haastklus’ te worden, iets dat bij zo een fundamentele wijziging van het systeem niet passend is. De rechtsbescherming van de belastingplichtige is een groot goed en moet ook door de wetgevende macht in ogenschouw worden genomen.

Een revolutie in het formele belastingrecht lijkt zich dan eindelijk te gaan voltrekken; het einde van het papieren tijdperk is bij aanname van dit wetsvoorstel in zicht. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet.

De risico’s van procederen: 3. De kosten van procederen.

Derde blog van de drieluik van Mr. B.J.G.L. Jaeger over de risico’s van procederen. Ditmaal de kosten van procederen uitgelicht.

Gemoraliseer in uitspraken, louter ‘sturing’ via arresten, de aangifte tegen Financiën en de trots van onze Staatssecretaris bracht mij er toe in een drieluik te bloggen over de risico’s van procederen. Het eerste deel, het risico van veel frustratie en irritatie jegens de wederpartij, de Belastingdienst, plaatste ik in de week van 27 april. Het tweede deel, over het risico van onvoldoende kwaliteit bij de procespartijen, volgde in de week van 18 mei. In dit laatste blog sluit ik het drieluik af met het risico van de kosten van procederen en de gebrekkige vergoeding daarvan bij gelijk krijgen van de rechter in een gevoerde procedure.

De discussie over de verhoging van griffierechten ten spijt, is deze kostenpost, de griffienota, in het fiscale nog altijd overkomelijk. Althans, deze valt al snel in het niet bij de kosten van een gemachtigde en bespreek ik daarom niet. Omdat een veroordeling in de kosten van de Inspecteur (anders dan bij de Ontvanger in civiele procedures) nagenoeg nooit voorkomt, laat ik ook dat risico onbesproken.[1] In dit blog beperk ik mij tot de advocaatkosten. De (eventuele) mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand laat ik daarbij buiten beschouwing, evenals de kosten van in te schakelen deskundigen en tijdens de procedure belopen schade.

De proceskostenvergoeding

Advocaten zijn duur, zeker de gespecialiseerde, en procederen is tijdsintensief. Een niet al te moeilijke procedure kost al snel € 10.000. Procedures die het tienvoudige of meer kosten zijn zeker geen extreme uitzondering. Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht regelt heel blijmoedig dat de rechter bevoegd is om de inspecteur te veroordelen in de kosten die een cliënt in verband met de behandeling van het beroep op de rechter, en het daaraan voorafgegane bezwaar (artikel 7:15 Awb), redelijkerwijze heeft moeten maken. Wie denkt dat hiermee is gegeven dat alleen onredelijke werkzaamheden, dan wel de kosten van een te dure advocaat, niet voor vergoeding in aanmerking komen, komt bedrogen uit. Behoudens uitzondering zijn de toe te kennen proceskosten gemaximeerd, ongeacht de hoogte van de daadwerkelijke declaraties.

In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is vastgesteld dat vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand plaats vindt op basis van de toekenning van punten aan proceshandelingen X een vast tarief. De meest voorkomende proceshandelingen, het beroepschrift en de behandeling ter zitting, leveren bijvoorbeeld elk 1 punt op. Het jaarlijks geïndexeerde tarief is een kleine € 500 en in de bezwaarfase is dit de helft.[2] De forfaitair bepaalde vergoeding van bezwaar en beroep samen bedraagt daardoor in de regel niet meer dan een kleine € 1.200.

Met gegrondverklaring van een bezwaar of een ingesteld beroep is volgens vaste jurisprudentie de onrechtmatigheid van de bestreden beschikking gegeven. Tenzij er sprake is van ‘eigen schuld’, zou schade die een gevolg is van die onrechtmatigheid moeten worden vergoed. Er is immers weinig reden om de gevolgen van de onrechtmatigheid niet bij de veroorzaker te leggen. Proceskosten horen daar ook onder te vallen, behoudens het dubbele redelijkheidsvereiste: het inschakelen van rechtsbijstand was onnodig of de (hoogte van de) gemaakte kosten zijn onredelijk. Om te voorkomen dat verloren procedures onze overheid te veel kost, is er echter bewust voor gekozen slechts een deel van de schade voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Niet ter voorkoming van discussie, niet om te hoge uurtarieven te vermijden, nee, domweg, omdat het anders te duur zou worden.

In het civiele procesrecht, waar in de regel burgers tegenover elkaar staan, kent men met het liquidatietarief een vergelijkbaar forfaitair systeem. In dit systeem is echter, afhankelijk van het belang van de procedure (uitgedrukt in geld, niet in ingewikkeldheid), een punt oplopend gewaardeerd van € 384 tot maar liefst € 3.211. Bij een belang boven het miljoen is de vergoeding in vergelijking tot een fiscale zaak met hetzelfde belang dus al snel 6,5 keer zo hoog.[3] Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van een maatregel of straf kan de gewezen verdachte vragen om vergoeding van de kosten van zijn raadsman. Behoudens reden voor matiging of zelfs weigering zijn de daadwerkelijke kosten uitgangspunt bij toekenning.

Fooienbesluit

Vriend en vijand is het er wel over eens dat de proceskostenvergoeding bij een gegrond verklaard fiscaal geschil in de meeste gevallen schril afsteekt tegen de daadwerkelijke kosten. Het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt in de wandelgangen dan ook wel het ‘fooienbesluit’ genoemd. Desondanks zie je in de jurisprudentie terug dat de Belastingdienst menigmaal een poging doet zelfs deze ‘schrale troost’ niet toe te kennen. Desondanks is de rechter ook niet erg genegen de ruimte die er is te gebruiken voor een iets hogere vergoeding.

Zo worden procedures al heel snel als samenhangend aangemerkt, zodat er niet voor elke procedure afzonderlijk een vergoeding wordt toegekend. Ook is de zwaarte van de procedure, voorheen gekoppeld aan een geldelijk belang, afhankelijk gesteld van hoe ingewikkeld de procedure is. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat rechters sneller een procedure bestempelen als zeer licht met een factor 0,25, zoals onlangs Hof Amsterdam, dan dat ze toegeven dat de procedure ze moeite heeft gekost: zeer zwaar, factor 2.

Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt echter een ‘escape’.

Bijzondere omstandigheden

Het derde lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht geeft aan dat in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire stelsel kan worden afgeweken. Er kan dus aanleiding zijn om de Inspecteur te veroordelen in de integrale kosten van de advocaat, althans een hoger bedrag dan het forfait.

Voor een toekenning van een afwijkende proceskostenvergoeding is volgens de Hoge Raad grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden; het zogenoemde handhaven tegen beter weten in. Voorts is in vergaande mate onzorgvuldig handelen eveneens reden een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het Besluit aan te nemen.

De rechter stelt echter niet al te hoge eisen stelt aan Inspecteurs. Niet vaak wordt de Inspecteur veroordeeld tot betaling van afwijkende proceskosten omdat zijn onjuiste standpunten tegen beter weten in zouden zijn ingenomen. Niet snel vindt een rechter dat onzorgvuldigheden erg genoeg zijn om een hogere vergoeding toe te kennen. Daar waar de vergoeding zo uit de pas loopt met de daadwerkelijke kosten, daar waar de houding van een Inspecteur zo vaak oorzaak is van extra werkzaamheden, daar waar toch juist bij de Inspecteur de expertise verondersteld mag worden van een juiste uitleg van de wet, zou een iets ruimhartiger erkenning van redenen om af te wijken van ‘het fooienbesluit’ rechtvaardig zijn. Zeker bij een ‘eenvoudige procedure’ zou het desondanks verdedigen van een onjuist standpunt toch al snel tot een verwijt moeten leiden?

Proportionaliteit

Een burger, die op initiatief van de overheid een onjuiste aanslag krijgt opgelegd, loopt derhalve een groot risico te blijven zitten met een meer dan aanzienlijk deel van de kosten om zijn recht te halen. Het risico van je tot de rechter wenden wordt zo grotendeels en op grond van discutabele uitgangspunten door de overheid afgewenteld.

Het is de hoogste tijd om ook een bijzondere omstandigheid voor afwijking van het forfait te zien in het feit dat het verschil tussen forfait en kosten dermate groot is dat het onredelijk is om daar de burger mee op te zadelen. Hoewel Hof Den Bosch in de uitspraak van 2 april 2015 de afwijking van het forfait ook ‘ankert’ in een ‘tegen beter weten in’ argumentatie, komen de bijkomende omstandigheden om af te wijken al aardig in de buurt van de hopelijk op kortst mogelijke termijn door de Hoge Raad te erkennen derde uitzondering.

Het Hof stelde:

‘(…) Dit in combinatie

  • met de omstandigheid dat werkelijke kosten van in totaal € 20.823,70 in wanverhouding staan tot het – uiteindelijk – bepaalde bedrag van de teruggaaf ad € 1.572, en
  • met de omstandigheid dat de tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar en de proceskosten volgens het puntenstelsel ((1 punt bezwaarschrift) + (1 punt beroepschrift + 1 punt zitting Rechtbank) is tezamen € 1.092 en (1 punt hogerberoepschrift + 1 punt zitting + 1 punt zitting na HvJ + 0,5 punt conclusie na HvJ + 2 punten pleiten zitting HvJ) = 5,5 x € 490 = € 2.695) van in totaal € 3.787, in wanverhouding staat tot de werkelijke kosten,

is het Hof van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden (…).’

Dit oordeel begint er al een beetje op te lijken. Maar het moet nu nog als zelfstandige grond worden erkend. En wat mij betreft bovendien zonder koppeling aan het geldelijk belang van de procedure zelf of het feit dat een beroep wordt gedaan op EU-recht.

Waarom zou een wanverhouding tussen vergoeding en daadwerkelijke kosten bij een hoog geldelijk belang wel redelijk en proportioneel zijn en geen belemmering om onjuist overheidsoptreden te bestrijden?

[1] Heel sporadisch doet zich een veroordeling voor in het geval van kennelijk onredelijk procederen.

[2] Het gewicht van de zaak, alsmede de hoeveelheid samenhangende zaken, kan nog een factor opleveren waarmee de vergoeding moet worden vermenigvuldigt.

[3] Eerlijkheidshalve moet ik hier wel aan toevoegen dat de vergoeding in een fiscale procedure al wordt toegekend bij gelijk krijgen op een mineur punt, terwijl in een civiele procedure elke partij al snel zijn kosten draagt bij over en weer gedeeltelijk gelijk krijgen.

Inkeren voor 1 juli 2015 voor de helft van de prijs

door Igor Thijssen

In de jacht op zwart geld heeft de Belastingdienst de afgelopen 13 jaren ruim 28.000 ‘zwartspaarders’ weten te traceren. Dat heeft de Staat ongeveer € 1,6 miljard aan belastinginkomsten en boetes opgeleverd (1). Het overgrote deel heeft betrekking op zogenoemde ‘inkeerders’: belastingplichtigen die zich min of meer vrijwillig melden bij de Belastingdienst en alsnog opgave doen van hun veelal in het buitenland aangehouden bankrekening of ander vermogen. Als zij gebruik maken van de inkeerregeling zijn zij nu nog een boete verschuldigd van ‘slechts’ 30% over de verschuldigde belastingen. Per 1 juli 2015 wordt deze boete verder verhoogd tot 60%.

Pakkans

De vraag is of de verdubbeling van het boetepercentage bij inkeer reden zal zijn om de laatste zwartspaarders nog vóór 1 juli 2015 in te laten keren. Kennelijk waren diezelfde zwartspaarders een jaar geleden niet tot inkeer te bewegen toen per 1 juli 2014 een inkeerboete van 30% werd geïntroduceerd waar dat voorheen zonder boete mogelijk was. Naast de komende verdubbeling met 30% (tot 60%) per 1 juli 2015 zal met name de verhoging van de pakkans een grote rol spelen. En die pakkans is de laatste maand aanzienlijk toegenomen.

In de eerste plaats is het bankgeheim in Zwitserland niet meer wat het ooit is geweest. De Zwitserse belastingdienst publiceerde recent namen van (ook Nederlandse) belastingontduikers in de Zwitserse Staatscourant en de verwachting is dat er meerdere vele zullen volgen (2). Bovendien werd recent werd duidelijk dat de FIOD de afgelopen drie jaren gegevens heeft verzameld van alle opnames en betalingen die in Nederland zijn gedaan met buitenlandse bankkaarten (creditcards en debitcards). Het betreft een totaaloverzicht van uitgaven. De gegevens van de kaarteigenaren die niet voor langere tijd in Nederland verbleven, zoals toeristen, zijn er uitgefilterd (3).

Nu de pakkans is toegenomen, zal een aantal zwartspaarders op korte termijn willen inkeren om te voorkomen dat ze tegen de lamp lopen.

Risico bij niet-inkeren

De maximale boetes voor zwartspaarders die tegen de lamp lopen zijn sinds 2010 verhoogd van 100% naar 300% over de alsnog verschuldigde belasting. En bij strafrechtelijke vervolging wordt al vrij snel (vanaf een fraudebedrag van € 10.000) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De verhoging van de pakkans zal er dan ook toe leiden dat zwartspaarders eieren voor hun geld gaan kiezen en overgaan tot het vrijwillig verbetering van hun eerder ingediende belastingaangiften. Omdat ze toch op korte termijn zullen moeten gaan inkeren, zullen ze dat vóór 1 juli 2015 doen voor de helft van het boetebedrag.

Belasting, rente en boete

In veel gevallen zal het alleen gaan om aangehouden banktegoeden en effecten waarover bij inkeren vóór 1 juli 2015 ongeveer 14,4% (12 jaren x 1,2%) over het gemiddelde vermogen aan inkomstenbelasting zal zijn verschuldigd. Wanneer destijds uitstel is gevraagd voor het doen van de belastingaangifte, kan over meer jaren worden nagevorderd. Vermeerderd met een boete van 30% komt het te betalen bedrag uit op ongeveer 20% over het gemiddelde vermogen in de afgelopen 12 jaren. Daarnaast is nog een bedrag aan (heffings)rente verschuldigd, waardoor een inkeer financieel zal neerkomen op een percentage van minimaal 20% – 25% van het (gemiddelde) verzwegen banktegoed.

Complicaties

Het bedrag dat als gevolg van een vrijwillige verbetering verschuldigd is, kan evenwel veel hoger worden in het geval het zwarte vermogen niet afkomstig is uit spaargeld maar bijvoorbeeld erfrechtelijk is verkregen of wanneer bijvoorbeeld sprake is van inkomsten uit onderneming die niet eerder zijn opgegeven.

Erfbelasting verjaart niet meer

Met ingang van 1 januari 2012 is in artikel 66, lid 3, van de Successiewet 1956 een bepaling opgenomen als gevolg waarvan de navorderingsbevoegdheid ten aanzien van erfbelasting over buitenlands vermogen niet vervalt. Er is niet voorzien in overgangsrecht hetgeen zou kunnen betekenen dat nu nog steeds successierecht kan worden nagevorderd over een in een ver verleden erfrechtelijk verkregen buitenlands vermogen.

Dit geldt mogelijk ook in de gevallen waarin onder de oude regeling navordering van successierecht niet meer mogelijk was vanwege het verstrijken van de toentertijd geldende navorderingstermijn. De vraag is of het openbreken van een reeds afgeronde rechtspositie zich wel verhoudt met onder meer het rechtszekerheidsbeginsel dat (impliciet) is opgenomen in artikel 1, Eerste Protocol, van het EVRM. Het antwoord op deze vraag zal over een aantal jaren ongetwijfeld worden beantwoord door de Hoge Raad en/of het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar tot die tijd dient een inkeerder voorzichtigheidshalve rekening te houden met de omstandigheid dat over zeer oude erfenissen thans nog een aanzienlijk bedrag aan successierecht verschuldigd kan zijn.

Ons kantoor heeft zich gespecialiseerd in het succesvol begeleiden van inkeerders. Wij nemen de onderhandelingen over en sturen zoveel mogelijk aan op een voordelige en praktische oplossing met de belastingdienst. Deze bestaat er in de meeste gevallen uit dat met de betreffende inspecteur een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten waarin alle facetten van de inkeer zijn geregeld.

  1. http://www.nrcq.nl/2015/03/17/zwartspaarders-zijn-weinig-sexy-maar-leveren-wel-wat-op
  2. https://www.admin.ch/gov/de/start/bundesrecht/bundesblatt.html
  3. http://www.nrcq.nl/2015/06/04/fiod-jaagt-in-het-geheim-op-zwartspaarders

 

Luisteren, zien en (ver)horen

In fiscale strafzaken is het (audio en/of visueel) opnemen van verhoren geen gemeengoed. Verklaringen worden – in de regel samengevat – schriftelijk vastgelegd in een proces-verbaal. Uit een onlangs door het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) uitgevoerd onderzoek blijkt dat hierbij veel informatie verloren gaat. Is dit altijd erg? Welke taak ligt hier voor de verdediging?

In het onderzoek van de NSCR zijn 55 verdachtenverhoren bij de politie geanalyseerd. Door de schriftelijke verslaglegging in processen-verbaal van verhoor te vergelijken met wat ook audiovisueel werd vastgelegd, is gekeken welke onderdelen van verhoren wel en niet uiteindelijk in een proces-verbaal terechtkomen. De conclusies van dit onderzoek zijn verontrustend te noemen. Indien alleen wordt gekeken naar de hoofdvragen van een verhoor, wordt (slechts) 63% geverbaliseerd. Vervolgvragen en antwoorden worden slechts voor een kwart opgenomen in een proces-verbaal.

Het onlangs toegewezen herzieningsverzoek in de Hilversumse Showbizz-zaak laat zien dat het vanuit het opsporingsapparaat herhaaldelijk dwingende vragen stellen ertoe kan leiden dat en hierdoor murw geslagen verdachte maar een bekennende verklaring aflegt “om er maar van af te zijn”. Indien de verhoren toentertijd audiovisueel zouden zijn vastgelegd, zou het voor de verdediging ongetwijfeld eenvoudiger zijn geweest om het later intrekken van de afgelegde bekennende verklaring te verklaren. Een gerechtelijke dwaling had zo wellicht voorkomen kunnen worden.

Uiteraard leidt niet elke zaak waarin niet alle vragen en antwoorden zijn opgenomen in een proces-verbaal leidt tot een rechtelijke dwaling. Vanuit het perspectief van de verdediging is het soms zelfs ook maar goed dat van niet elk verhoor letterlijk (laat staan audiovisueel) verslag wordt gedaan. Zo komt het niet zelden voor dat uit de schriftelijke verslaglegging van een verhoor waarin een verdachte met belastend bewijs wordt geconfronteerd achteraf niet valt af te leiden hoe er bijvoorbeeld is gestotterd en  ‘gedraaid’ voordat uiteindelijk een antwoord is geformuleerd. Een zittingsrechter die uitsluitend het proces-verbaal onder ogen krijgt, kan hierdoor bij het toerekenen van een waarheidsgehalte aan een verklaring dergelijke, soms overduidelijke signalen niet laten meewegen.

Maar zeker indien personen buiten aanwezigheid van een raadsman worden gehoord, is het van belang dat alle vragen en alle antwoorden die aan verdachte (en getuige) worden gesteld ook aan het papier worden toevertrouwd. Zo lang er geen garantie is dat dit gebeurd, zal in elk geval achterhaald moeten kunnen worden welke vragen zijn gesteld en welke reactie daarop is gegeven. De makkelijkste manier om dit te doen is door verhoren audiovisueel op te nemen. De Hoge Raad oordeelde onlangs dat indien de verdediging de weergave van verklaringen in een proces-verbaal kan toetsen door middel van het uitluisteren van de geluidsopname ervan, onregelmatigheden die bij het weergeven van de verklaring zijn opgekomen zonder rechtsvervolging hoeven te blijven.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van het NSCR zijn kamervragen gesteld. Op de vraag wat er moet gebeuren om de inhoud van processen-verbaal beter aan te laten sluiten bij de werkelijkheid antwoordde de minister dat daar op verschillende manieren aan wordt gewerkt. Zo worden in het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering onder meer voorstellen gedaan voor een nadere wettelijke normering van de weergave van het verhoor in het proces-verbaal, in het bijzonder ten aanzien van de eisen die aan het verhoor van de verdachte worden gesteld. De politie en het Openbaar Ministerie werken volgens de minister verder gezamenlijk aan de verbetering van de opsporing en vervolging. Maatregelen die worden genomen zijn onder meer een betere sturing op de kwaliteit van de processen-verbaal, een betere afstemming tussen politie en het Openbaar Ministerie over de vraag waar een proces-verbaal aan moet voldoen en het vaststellen van eenduidige eisen. Tot slot stelt de minister dat het NSCR-rapport betrokken zal worden bij de ontwikkeling van de relevante opleidingstrajecten van de Politieacademie.

Kritiek op de wijze van verbaliseren is van jaar en dag. Hetzelfde geldt voor de beloftes dat het beter zal gaan. Het is dan ook verrassend dat de minister de onderzoeksresultaten en het arrest van de Hoge Raad niet aangrijpt om alle verhoren (van zowel verdachten als van getuigen) audiovisueel op te laten nemen. Volgens de huidige regeling bestaat er slechts in zaken betreffende levensdelicten of ‘kwetsbare zaken’ waarin gedragsdeskundigen zijn betrokken de verplichting om verhoren auditief dan wel audiovisueel vast te leggen. Maar in bijvoorbeeld ‘minder zware’, maar daarom niet minder ingewikkelde en omvangrijke fraudezaken is het opnemen van verhoren slechts facultatief. Wel leert de ervaring dat (slechts) indien voorafgaand om audioregistratie expliciet (door een advocaat) wordt gevraagd, officieren van justitie vaak uiteindelijk bereid zijn om aan een dergelijk verzoek gehoor te geven.

Het is verder opvallend dat de minister een andere mogelijkheid om een snelle kwaliteitsslag te kunnen maken in zijn reactie niet aanhaalt. Al jaren wordt er voor gepleit om een verdachte (en waarom niet een getuige?) het recht te geven om zich tijdens verhoren bij te laten staan door een raadsman. Als een raadsman bij een verhoor aanwezig is, is de kans immers groter dat in elk geval de van belang zijnde onderdelen van een verklaring uiteindelijk ook worden opgenomen in het proces-verbaal. Dit aanwezig zijn van een advocaat bij een verhoor is slechts een kwestie van het aanschuiven van een stoel.