Informatieplichten, inkeren en het nemo-teneturbeginsel

De belastingdienst heeft informatie nodig om tot een juiste belastingheffing te komen. Een recente ontwikkeling op dit vlak is dat er steeds meer gevallen in de wet worden aangewezen waarin de belastingplichtige op straffe van een bestuurlijke boete verplicht is gesteld om eigener beweging tijdig mededeling te doen van onjuistheden in relevante gegevens en inlichtingen.

Hoewel uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat het niet voldoen aan informatieverplichtingen ten dienste van de belastingheffing mag worden afgedwongen en dienaangaande met straf bedreigd mag worden, rijst niettemin de vraag of deze ontwikkeling in overeenstemming is met het nemo-teneturbeginsel als opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM); de belastingplichtige kan bij gebreke van een wettelijk geregelde waarborg immers niet uitsluiten dat de afgedwongen (wilsafhankelijke) informatie in een boete- of strafzaak tegen hem gebruikt zal worden. Temeer nu een informatieplicht naar het zich laat aanzien in de weg staat aan een vrijwillige verbetering van de aangifte en dus niet zonder strafrechtelijke risico’s is.

In deze bijdrage besteed ik kort enige aandacht aan het spanningsveld tussen enerzijds een actieve informatieplicht die met sancties is verzwaard, en anderzijds het recht niet te hoeven meewerken aan een eigen veroordeling.

Steeds meer actieve informatieplichten met bestuurlijke boetes bedreigd

De inspecteur en de ontvanger hebben ruime bevoegdheden om aan informatie te komen. Een groot deel van deze bevoegdheden kenmerkt zich doordat slechts informatie verstrekt behoeft te worden indien de belastingdienst daar een verzoek toe doet. Tot 1 januari 2012 bestond, met uitzondering van de correctieberichten in de loonbelasting, voor de belasting- of inhoudingsplichtige geen wettelijke verplichting tot het herstellen van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens.

Met ingang van 1 januari 2012 is artikel 10a AWR echter in werking getreden. Het artikel strekt ertoe dat belasting- en inhoudingsplichtigen in nader aan te wijzen gevallen gehouden zijn om bepaalde gegevens en inlichtingen uit eigen beweging te verstrekken. Indien het niet (tijdig) nakomen van deze informatieverplichting is te wijten aan opzet of grove schuld, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd van ten hoogste 100% van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de verplichting niet is of zou zijn geheven.

De informatieverplichting van artikel 10a AWR is een delegatiebepaling: in uitvoeringsbesluiten is neergelegd wanneer en op welke wijze de belasting- of inhoudingsplichtige melding moet maken van onjuistheden of onvolledigheden. De gevallen worden derhalve bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld en kunnen zodoende buiten de Staten-Generaal om tot stand komen. Vooralsnog is deze actieve informatieverplichting in de volgende vier gevallen van toepassing:

  1. verklaring geen privé gebruik auto,
  2. verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto,
  3. suppletie in de erfbelasting bij buitenlandse vermogensbestanddelen en
  4. suppletie in de omzetbelasting.

Naast de actieve informatieverplichting van artikel 10a AWR zijn internationale dienstverleningslichamen (rente- en royaltyvennootschappen) en voormalige algemeen nut beogende instellingen met ingang van 1 januari 2014 verplicht om de belastingdienst eigener beweging bepaalde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Ook in deze gevallen kan een bestuurlijke boete worden opgelegd indien het niet (tijdig) nakomen van de informatieverplichting is te wijten aan opzet of grove schuld. De boete bedraagt ten hoogste € 20.250.

Resulteert het voldoen aan een informatieplicht in een vrijwillige verbetering van de aangifte?

Van een actieve informatieplicht die verzwaard is met een in potentie substantiële bestuurlijke boete, gaat een bepaalde mate van dwang uit. Weliswaar is deze dwang in zoverre minder acuut dat de belastingdienst eerst op de hoogte moet geraken van de actieve informatieplicht voordat de boete daadwerkelijk in zicht komt, maar dat laat onverlet dat de boetedreiging voldoende concreet en significant is om de belastingplichtige ertoe te zetten om geconstateerde onjuistheden of onvolledigheden uit eigen beweging aan de belastingdienst te melden. Daarvoor is de boete immers ook bedoeld (vgl. EHRM 17 december 1996, nr. 19187/91, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862 (Saunders), waarin ook ‘slechts’ sprake was van een dreiging met een gevangenisstraf).

De vraag is relevant, mede in het kader van de (on)mogelijkheid om het afgedwongen materiaal te gebruiken in een boete- of strafzaak, of de verplichting tot het (tijdig) melden van onjuistheden of onvolledigheden kan worden aangemerkt als een vrijwillige verbetering van een onjuiste aangifte.

De Hoge Raad lijkt deze vraag reeds te hebben beantwoord in zijn arrest van 22 juni 2007 waarin hij heeft geoordeeld dat het nakomen van de verplichting tot het doen van een afrekeningsaangifte voor de S&O-afdrachtvermindering in de weg staat aan een vrijwillige verbetering (HR 22 juni 2007, nr. 42 768, ECLI:NL:HR:2007:AY9471). De Hoge Raad overwoog, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, is ingevolge artikel 22, lid 1, WVA verplicht binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar aangifte te doen als bedoeld in dat artikellid. Het nakomen van deze verplichting kan niet worden aangemerkt als een ‘vrijwillige verbetering’ van het bedrag van de in het vorige jaar toegepaste voorlopige S&O-afdrachtverminderingen. Dat geldt ook voor een na afloop van die termijn ingezonden aanpassing van die aangifte.”

Geconcludeerd kan daarom worden – mede tegen de achtergrond dat de fiscaal boeterechtelijke inkeerbepaling voor aanslagbelastingen vanaf 1 juli 2014 niet langer boeteloos is ten aanzien van aangiften die langer dan twee jaar geleden zijn gedaan en de inspecteur bovendien zonder schending van de op hem rustende geheimhoudingsverplichting vermoede (fiscaal) strafbare feiten kan aanmelden voor strafrechtelijke vervolging – dat de bovenvermelde informatieplichten geenszins uitsluiten dat de van de belastingplichtige onder dwang verkregen informatie tegen hem gebruikt zal worden voor strafachtige doeleinden. Anders gezegd, de actieve informatieplicht bevat geen wettelijke waarborg dat de verstrekte informatie uitsluitend ten behoeve van de belastingheffing wordt gebruikt.

Geen enkele waarborg lijkt in strijd met artikel 6 EVRM

In een recente conclusie heeft Advocaat-Generaal Wattel de stand van zaken uiteengezet in de jurisprudentie van het EHRM over de relatie tussen wettelijke informatieplichten en het nemo-teneturbeginsel van artikel 6 EVRM (Conclusie A-G Wattel 1 maart 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:PHR:2013:BZ3640). Hij concludeert, kort en zakelijk samengevat, dat als er sprake is van een criminal charge, en ook als dat (nog) niet het geval is maar de betrokkene niet kan uitsluiten dat de van hem in de toezichtsfeer onder dwang gevorderde informatie ook strafvorderlijk tegen hem zal worden gebruikt, hij niet zonder schending van artikel 6 EVRM kan worden bestraft of met straf of boete bedreigd mag worden voor het niet verklaren of niet overhandigen van informatie waarop de autoriteiten zonder zijn actieve medewerking niet de hand kunnen leggen. Deze regel gaat op tenzij sprake is van (zeer) geringe boeten of beperkte druk of indien er procedurele waarborgen bestaan dat de in de toezichtsfeer afgedwongen informatie of documenten niet strafvorderlijk gebruikt zullen worden.

In navolging van deze conclusie lijken de recent geïntroduceerde actieve informatieplichten, die met substantiële bestuurlijke boetes zijn verzwaard, zonder enige procedurele waarborgen in strijd te zijn met artikel 6 EVRM.

Over dit onderwerp en over andere zaken op het snijvlak van formeel belastingrecht en strafrecht, kunt u contact opnemen met Arthur Kan. Hij geeft u er graag alle informatie over.

Tipgeld fiscale fraude: premiejagerscultuur

De Nederlandse fiscus betaalt soms tipgeld voor informatie over fiscale fraude. Als de tipgever die informatie gestolen heeft omdat hij wist dat hij tipgeld kon vangen, mag dat bewijsmateriaal dan wel worden gebruikt? Het is immers onrechtmatig verkregen. Als de onrechtmatigheid is geïnitieerd door de overheid, doet zich daarbij toch echt een complicatie voor.   

Het Tweede Kamerlid Omtzigt heeft aan Staatssecretaris Wiebes van Financiën vragen gesteld over zogenaamde tipgelden. Aanleiding voor deze vragen was de start van het project Vierde Categorie. In dit project ging het om informatie die was verkregen van een tipgever die hiervoor is beloond op grond van een overeenkomst met de fiscus. Het project betrof ongeveer 150 Nederlanders die via België geld zouden hebben overgemaakt naar een Zwitserse vennootschap. Deze zou vervolgens zorg dragen voor het beleggen van het geld. Dit beleggingsvermogen zou voor de fiscus zijn verzwegen. In veel gevallen is dit echter onjuist gebleken; er was wel degelijk belastingaangifte gedaan van het beleggingsvermogen.

De aan Wiebes gestelde vragen gingen over het beleid dat de fiscus zou hanteren met betrekking tot de omgang met de tegen betaling aangeboden tips over fiscale fraude. In zijn brief van 11 februari 2014 geeft Wiebes antwoord op de vragen. Hij verwijst hierbij naar een brief van de toenmalige staatssecretaris van financiën van 2 februari 2010. Daarin is aan de hand van verschillende criteria een kader geschetst voor beslissingen van de fiscus over het maken van (betalings-)afspraken met een tipgever.

De brief van 2010 was opgesteld vanwege het door de fiscus sluiten van een overeenkomst met een tipgever. Die verstrekte tegen betaling informatie over door honderden Nederlandse zwartspaarders aangehouden bankrekeningen in het buitenland. Dit kader, dat bepalend moet zijn voor het handelen van belastingdienst en FIOD, is niet bepaald nieuw; het bouwt voort op een resolutie van 24 oktober 1985. De belangrijkste elementen van het het kader zijn: aanzienlijk fiscaal belang, betrouwbare informatie, geen risico voor tipgever en betrokken belastingambtenaar, geen strafrechtelijke immuniteit en een zeer terughoudend beleid. Maar onduidelijk was en blijft nog steeds hoe de fiscus invulling geeft aan het door hem gestelde kader.

De vraag werpt zich op in hoeverre het betalen van tipgeld door de fiscus aan de tipgever kan worden aangemerkt als betrokkenheid bij een strafbaar feit? De strafkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat onrechtmatig verkregen bewijs door de overheid mag worden gebruikt, tenzij zij de onrechtmatigheid heeft geïnitieerd of gefaciliteerd. Ook naar het oordeel van de belastingkamer mag de inspecteur onder deze voorwaarden zulke informatie gebruiken om na te vorderen.

Aan Wiebes wordt de vraag gesteld hoe hij waarborgt en verzekert dat er geen sprake is van door de overheid geïnitieerde en gefaciliteerde onrechtmatige bewijsgaring. Zijn antwoord luidt dat dit wordt gewaarborgd door zo terughoudend mogelijk om te gaan met de mogelijkheid van het aangaan van tipgeversovereenkomsten. Dit is tevens de reden dat er niet tot een nadere detaillering van de tipgeldregelingen wordt overgegaan, om zo te voorkomen dat er een stimulans zou kunnen uitgaan voor de zogenaamde fiscale premiejager.

De vraag is evenwel of de overheid behoorlijk handelt door gebruik te maken van informatie van tipgevers. De overheid heeft bekend gemaakt dat er een beleid over tipgeld bestaat en dat een tip kan leiden tot het uitbetalen van tipgeld. Alleen al de wetenschap dat de overheid bereid is te betalen voor gestolen financiële informatie kan in sommige individuen de premiejager wakker maken.

Als een individu zich door de in het vooruitzicht gestelde beloning geïnspireerd voelt en zich schuldig maakt aan diefstal van gegevens om deze in ruil voor het tipgeld door te spelen aan de fiscus, kan niet op voorhand worden gesteld dat hier geen sprake is van initiëren dan wel faciliteren van het strafbare feit. Dit nog los van het feit dat een geïnspireerd geraakt individu ook creatief een lijst met fictieve fraudeurs kan opstellen en deze als betrouwbaar aan de fiscus kan presenteren.

Hoe de fiscus de betrouwbaarheid van aangeleverde gegevens controleert en waarborgt is onduidelijk.

Hebt u vragen over dit onderwerp of wordt u zelf op grond van een betaalde tip beschuldigd van belastingfraude? Neem dan contact op met Marloes Rijksen. Zij geeft u er graag alle informatie over.

De verschrikking van de strafbeschikking

In strafzaken worden niet alleen door rechters straffen opgelegd. In bepaalde zaken kan ook een officier van justitie, zonder tussenkomst van een rechter, een sanctie opleggen. Deze bevoegdheid is de laatste jaren steeds ruimer geworden. strafrechtDat heeft voordelen, maar het wil ook nog wel eens tot ongewenste situaties leiden.

De officier van justitie grijpt met name steeds vaker naar de strafbeschikking als het gaat om ‘geringe’ financiële en fiscale strafzaken, als de verdachte een beperkte bijdrage heeft geleverd aan de misdrijven of als het nadeel relatief klein is. Bij bekennende verdachten zijn de voordelen duidelijk. Het openbaar ministerie kan zijn beperkte opsporingscapaciteit aan andere zaken besteden, zeker als het aanbod van een strafbeschikking in een vroeg stadium van het opsporingsonderzoek wordt gedaan. Rechtbanken worden niet betrokken bij de afdoening. Dat scheelt capaciteit en zittingsruimte. Voor een verdachte kan een voordeel zijn dat hij relatief snel en vaak zonder publiciteits- en imagoschade zijn strafzaak kan afronden.

Het aanbieden van een strafbeschikking vindt echter ook plaats als verdachten ontkennen, dit terwijl het accepteren van een strafbeschikking, anders dan het ‘verouderde’ transactieaanbod van artikel 74 Sr een erkenning van schuld inhoudt. Nu is natuurlijk niet elke ontkennende verdachte ook een ‘onschuldige’ verdachte. Verdachten die (aanvankelijk) ontkennen, maar zich ervan bewust zijn boter op hun hoofd te hebben, kiezen vaak eieren voor hun geld en stemmen in met de strafbeschikking.

Als een strafbeschikking aan een ontkennende verdachte in een vroege fase van het opsporingsonderzoek wordt voorgesteld, houdt dit een risico in zich. In dat stadium is immers vaak nog onduidelijk of er genoeg wettig en overtuigend bewijs tegen de verdachte is. Ook is dan soms nog onzeker of de verdachte een verwijt kan worden gemaakt.

Een gewetensvolle officier van justitie biedt een strafbeschikking uiteraard pas aan als hij denkt dat er voldoende bewijs ligt, dan wel dat nader onderzoek dit zal opleveren. Maar ook een officier van justitie heeft de wijsheid niet altijd in pacht. Dat blijkt wel: strafrechters nemen regelmatig beslissingen waar het openbaar ministerie niet blij mee is.

Als de strafbaarheid van de verdachte nog niet vaststaat of als het onduidelijk is of hem iets te verwijten valt, leidt een aanbod van een strafbeschikking voor een verdachte tot een dilemma. Kiest hij voor gerechtigheid en stort hij zich in een lange, zware en kostbare procedure met het risico op publiciteits- en reputatieschade? Of hoest hij het boetebedrag op (en voorkomt hij verdere kosten die aan de rechtsbijstand zijn verbonden) en/of accepteert hij een taakstraf? Advocaten kunnen hun cliënten nooit garanderen dat een zaak eindigt zonder straf of maatregel, en dus leidt het aanbieden van een strafbeschikking ook bij ‘onschuldige verdachten’ tot grote druk om dat, ondanks die onschuld, toch maar te aanvaarden.

Als officieren van justitie met dit ‘onrecht’ worden geconfronteerd, is hun verweer meestal dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheden. De verdachte heeft immers de keuze. En dat klopt. Maar als verdachten de risico’s van een inhoudelijke behandeling van hun strafzaak (nog) niet kunnen inschatten, en alleen uit efficiëntieoverwegingen ingaan op het aanbod,  terwijl zij anders vrijgesproken zouden zijn, is dat maatschappelijk zeer ongewenst.

Om te voorkomen dat de druk van het aanbod van een strafbeschikking te groot is (soms zelfs wordt ervaren als afpersing) zou aan een aantal voorwaarden moeten worden voldaan voordat definitief wordt aangeboden een strafzaak af te doen met een strafbeschikking:

  • Het aanbod moet geldig blijven tot aan de inhoudelijke zitting (pro forma- en regiezittingen dus niet meegerekend).
  • Een strafbeschikking zou, ook na de verzetstermijn, in bepaalde gevallen opengebroken moeten kunnen worden, bijvoorbeeld als in een parallelle procedure bij de fiscale rechter blijkt dat van ‘een onjuiste aangifte’ helemaal geen sprake is geweest, of omdat in de vergelijkbare strafzaak van een medeverdachte (die geen strafbeschikking aangeboden heeft gekregen of heeft aanvaard) de rechter oordeelt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
  • Voordat een strafbeschikking aangeboden wordt, moeten onderzoekswensen van de verdediging uitgevoerd zijn en moet er door het openbaar ministerie gemotiveerd zijn gereageerd op verdedigingsstandpunten.

Als aan een strafbeschikking voorwaarden worden gesteld die toekomstige waarheidsvinding of een rechterlijke toetsing belemmeren, is dat uiteraard uit den boze. De voorwaarde dat parallel lopende administratiefrechtelijke procedures worden ingetrokken gaat echt te ver. Zodra een door het OM gestelde voorwaarde ertoe leidt dat een verdachte zijn rechtsingang wordt ontnomen, overschrijdt een officier van justitie zijn bevoegdheid.

De strafbeschikking kan voor alle partijen een goede manier zijn om een strafzaak vlot af te ronden. Efficiëntieoverwegingen mogen er echter niet toe leiden dat officieren van justitie hun bevoegdheden te ruim opvatten.

Bent u verdachte in een financiële of fiscale strafzaak en wordt u aangeboden de zaak af te doen met een strafbeschikking? In zo’n geval kan Wiebe de Vries u adviseren over de voor- en nadelen.

Procederen over belastingen: angst en ratio

Je hoort wel eens dat ondernemers beter maar niet kunnen procederen over hun belastingen. Omdat zij belang hebben bij een goede verhouding met de belastingdienst en ook omdat een procedure een ‘tombola’ is. Maar is dat ook echt zo? Of is angst ook in dit geval een slechte raadgever?

Een grondige afweging

Er zijn natuurlijk goede redenen om van geval tot geval te bekijken of een procedure wenselijk en noodzakelijk is. Een gang naar de rechter legt een flink emotioneel beslag op wie het overkomt. Procederen kost ook tijd en geld. En er moet soms rekening worden gehouden met publiciteit en imagoschade.risico

Niet voor niets schrijft artikel 3.7.1 van de Gedragscode voor Europese advocaten het volgende voor:

De advocaat dient te allen tijde te trachten om in het geschil van de cliënt een oplossing te vinden, die is aangepast aan het belang van de zaak, en hij zal de cliënt op het juiste moment nadrukkelijk adviseren over de wenselijkheid om tot een schikking te komen of een beroep te doen op alternatieve oplossingen om het geschil te beëindigen.”

Als een advocaat zijn cliënt adviseert om te procederen, moet hij dus een goede inschatting maken van alle aspecten die daarbij voor die cliënt spelen. En dat zijn er vele.

Tijd

Ondanks alle pogingen om de rechtsgang te versnellen, gaat een procedure meestal lang duren. Voor de bezwaar- en beroepsfase wordt twee jaar als redelijk gezien (een half jaar voor bezwaar, anderhalf voor de procedure bij de rechtbank), voor hoger beroep nog eens twee jaar en uiteindelijk nog eens twee jaar voor cassatie. In het ergste geval ben je dus zes jaar verder voordat er een definitief oordeel ligt. Die tijdsduur kun je als procespartij maar zeer beperkt beïnvloeden: vertragen is veel eenvoudiger dan versnellen.

Imago

Dan de publiciteit. De risico’s daarvan moeten niet worden overdreven. Journalisten hebben niet veel aandacht voor fiscale procedures. Dat komt aan de ene kant doordat de fiscale rechtsgang niet openbaar is, maar ook als de wet wordt gewijzigd omdat de politiek meer transparantie wil bij de fiscale procedure (“openbaar, tenzij”), verwacht ik dat de publieke interesse beperkt blijft: belastingheffing heeft nu eenmaal een stoffig imago en de aandacht die het strafrecht heeft, zal het belastingrecht nooit krijgen.

Kosten

Een belangrijke en lastige afweging is die van de kosten: weegt het belang van de procedure op tegen de kosten van rechtsbijstand? Gaat het om een eenmalige of jaarlijks terugkerende correctie?

Tegenover de terechte zorg voor hoge kosten staat dat het griffiegeld nog steeds heel laag is en dat er in een fiscale procedure (in tegenstelling tot de civiele procedure) nauwelijks risico is van een veroordeling in de proceskosten van de tegenpartij is.

Wezenlijk is natuurlijk dat de kosten worden bezien in het licht van de essentiële vraag: hoe groot is de kans op gelijk krijgen? Daarover hierna meer.

Vriendjes blijven

Over de vaak gehoorde wenselijkheid van een goede verhouding met de belastingdienst kan ik kort zijn: meestal is dat onzin.

Of de belastingdienst het leuk vindt dat er wordt geprocedeerd, is voor de cliënt nauwelijks van belang. Voor een rechtsbijstandverlener (de advocaat) ligt dat misschien anders, maar dát is voor de cliënt dan weer niet relevant.

In mijn lange carrière als fiscaal advocaat heb ik eigenlijk nooit meegemaakt dat het voeren van een procedure cliënten naderhand kwalijk werd genomen. Zeker niet als ook de inspecteur vindt dat het ging over iets waarover meningen nu eenmaal kunnen verschillen. Als dat anders ligt en de fiscus bijvoorbeeld boetes wegens opzet oplegt, zijn de verhoudingen meestal al zo verziekt dat procederen helemaal niets meer uitmaakt.

Het is trouwens goed om te bedenken dat de belastingdienst een grote instelling is. Procedures worden meestal door een speciaal team gevoerd en er wordt veel met behandelaars geschoven. Ook daardoor blijkt het collectieve geheugen van de belastingdienst altijd weer buitengewoon kort.

Succes?

Het is – en daarmee kom ik bij de moeilijkste afweging – voor een belastingplichtige erg lastig om in te schatten wat bij een procedure de kans is op succes. Procederen is mensenwerk. Hoeveel tijd gaat het kosten om de inspecteur te overtuigen? Laat die zich, al zijn de argumenten nog zo goed, überhaupt wel overtuigen? Hetzelfde geldt voor de rechter. Is die goed ingevoerd, staat hij open voor een andere kijk op de zaak?

In een procedure wordt niet met gelijke maten gemeten. De bewijspositie van de belastingplichtige is niet dezelfde als die van de belastingdienst. Dat vloeit voort uit de wet, maar er zit ook een gevoelsmatige kant aan: de belastingdienst heeft immers, zo is de perceptie, geen reden om te liegen, terwijl de cliënt vaak wel een belang zou kunnen hebben bij het verdraaien van feiten. Dat maakt de inspecteur geloofwaardig en wat de cliënt of diens adviseur inbrengt, bij voorbaat verdacht. Over het hoofd wordt gezien dat ook (of juist) de inspecteur zich kan vergissen. Dan liegt hij weliswaar niet, maar hij heeft wél ongelijk. Deze ongelijkheid maakt procederen riskant.

En dus … een grondige afweging

Ik ben het er dus van harte mee eens dat het de moeite waard is om altijd goed te overwegen of een procedure wenselijk is dan wel beter kan worden vermeden. Een redelijke schikking is te verkiezen boven het risico van een partijtje vechten, maar het venijn zit ‘m in de vraag wat redelijk is. Neem daarbij in aanmerking dat in een later stadium vaak ook nog kan worden geschikt. De druk van een lopende procedure kan helpen bij onderhandelingen, al was het maar omdat een uitspraak in het voordeel van de belastingplichtige voor de fiscus soms heel lang en breed doorwerkt: de belastingdienst kan daarvan in toekomstige zaken veel last hebben. Voor de belastingplichtige gaat het doorgaans om een weliswaar belangrijke, maar eenmalige kwestie.

Laat u helpen

Bij het maken van al deze lastige afwegingen komt het aan op ervaring. Met procederen en met onderhandelen. Mijn kantoorgenoten en ik hebben die ervaring in ruime mate en zetten die graag in op het moment dat u de knoop moet doorhakken. Hoe eerder u ons erbij betrekt, des te beter kunnen wij u helpen bij nemen van een verantwoorde, niet door angst gemotiveerde beslissing.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of hulp bij uw beslissing over het al dan niet voeren van een procedure? Bel dan met mr. Ludwijn Jaeger.

De procestijger op jacht; besluipen is soms beter dan aanvallen

procestijgerDe natuurlijke habitat van de procestijger is de rechtszaal; in toga gehuld laat hij de wederpartij niet los tot de strijd is gestreden. Vasthouden en doorbijten, een goed advocaat kan het en doet het. Maar soms doet de procestijger er beter aan de prooi langzaam te besluipen; besluit die in beweging te komen, dan is de procestijger al zo dichtbij dat de wederpartij de pas kan worden afgesneden; ongeschonden wegkomen is er voor hem dan niet meer bij.

Definitie van een advocaat

Er bestaan weinig misverstanden over wat een advocaat is. De Dikke Van Dale geeft de volgende betekenis:

  1. ad·vo·caat (de; m,v; meervoud: advocaten) jurist die er zijn beroep van maakt personen of partijen te verdedigen voor de rechter.

Hoewel wij van Jaeger wel degelijk advocaten zijn, is die omschrijving voor ons niet juist, althans onvolledig. Een goed advocaat heeft gedegen kennis en ervaring over uw specifieke probleem. Deze kennis en ervaring worden echter niet alleen gebruikt in procedures; het voorkómen van een rechtszaak is soms een veel betere optie.

Het gevecht

Bij het oplossen van een juridisch geschil denkt u wellicht aan het winnen van een rechtszaak. Voor goed begrip: de strijd zullen wij nooit uit de weg gaan. Sterker nog: wij zijn er goed in, misschien wel de besten! Maar ook de allerbeste advocaten kunnen zelden garanties geven voor de uitkomst van een procedure. Soms is het verstandiger de strijd in de rechtszaal te voorkomen.

De weg naar een compromis

In fiscale procedures liggen in de bezwaarfase (dus voordat een rechtszaak aan de orde is), alle kaarten nog op tafel. Door inschakeling van een gespecialiseerd advocaat worden alle mogelijkheden van die fase optimaal benut. Voorkomen kan worden dat rechten worden verspild en termijnen overschreden. Wij zien er op toe dat de belastingdienst zich aan de regels houdt: een bestuursorgaan is bijvoorbeeld verplicht om aan de hand van de aangevoerde argumenten zijn beslissing te heroverwegen. Allemaal zaken die van groot belang zijn als u vervolgens toch bij de rechter terecht komt.

Regelmatig komt het voor dat de belastingdienst – na in eerste instantie heel hoog te hebben ingezet – in  deze fase inziet (tot het inzicht wordt gebracht) dat een beslissing door de rechter toch niet zo’n aantrekkelijk idee is. Juist als wij met valide argumenten de belastingdienst duidelijk kunnen maken waarom wij een procedure met vertrouwen tegemoet zien, liggen er goede mogelijkheden om via onderhandelen tot een gunstig compromis te komen. De uitkomst van het geschil staat in dat geval vast; de strijd is vermeden, maar ook gestreden.

Bel ons op tijd

Wacht daarom, als u een probleem hebt met de fiscus, niet te lang met het inschakelen van een fiscaal advocaat. Juist in de fase voordat de gang naar de rechter onvermijdelijk is geworden, kunnen wij veel voor u betekenen.

Hebt u een probleem met de fiscus? Neem dan contact op met Megan van der Linde of een van de andere fiscaal advocaten van Jaeger.