Spagaat in corruptiezaken: fiscale bewaarplicht versus vervalsen bedrijfsadministratie

Door Wiebe de Vries, advocaat-belastingkundige

Spagaat in corruptiezaken: de fiscale bewaarplicht versus het vervalsen van een bedrijfsadministratie

In zaken waar aannemer A smeergeld betaalt aan opdrachtgever B om een bepaalde opdracht te krijgen, staat aannemer A voor het probleem dat hij de betaalde steekpenningen zal moeten verantwoorden in zijn administratie. De ‘oplossing’ waarnaar geregeld wordt gegrepen, is het opstellen van een valse factuur door (vaak een andere rechtspersoon van) opdrachtgever B aan aannemer A, waarop als omschrijving een fictieve dienst staat genoemd. Niet alleen is corruptie een strafbaar feit,[1] vooral leidt deze “oplossing” in de regel alleen maar tot een nog langere dagvaarding.

Begin jaren ’80 heeft de Hoge Raad namelijk uitgemaakt dat een bedrijfsadministratie kan worden gezien als een geschrift in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht.[2] Als je in een bedrijfsadministratie valse facturen opneemt, loop je het risico (ook) te worden vervolgd voor valsheid in geschrift.[3] Dit is begrijpelijk. Een bedrijfsadministratie wordt immers samengesteld om tot bewijs van de daarin opgenomen gegevens te kunnen dienen. Daarom wordt van administratieplichtigen ook verwacht dat zij alles bewaren wat betrekking heeft op hun vermogenstoestand; hieruit blijken de voor de heffing van belasting van belang zijnde gegevens.[4] Van een administratieplichtige mag ook worden verwacht dat als de fiscus om informatie verzoekt, deze juist en volledig wordt verstrekt.[5] Hieraan opzettelijk niet voldoen, leidt tot een strafbaar feit.[6]

Doordat ook over een factuur met een onjuiste omschrijving belasting wordt geheven – zo zal bijvoorbeeld de BTW gewoon moeten worden afgedragen –  staat buiten kijf dat deze factuur van invloed is op de belastingheffing. Daardoor valt zij onder de fiscale bewaarplicht van artikel 52 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). In een zaak waarin een verdachte werd verweten niet te hebben voldaan aan deze fiscale bewaarplicht (hij had urenstaten van zwartwerkers weggegooid; die waren van belang voor een onderzoek naar een ander bedrijf), verweerde deze zich door te stellen dat deze bewaarplicht geen betrekking kan hebben op onjuiste en/of valse stukken. De Hoge Raad besliste echter dat valse of onjuiste stukken, die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, onder deze bewaarplicht vallen.[7]

In het hiervoor aangehaalde corruptievoorbeeld voldoet aannemer A de smeergeldfactuur met de valse omschrijving. Opdrachtgever B draagt over deze steekpenningen netjes de BTW af. Beiden zijn dus op basis van artikel 52 AWR verplicht om de factuur in de administratie op te nemen. Daarmee maken zij zich direct schuldig aan het vervalsen van een bedrijfsadministratie. In een zaak bij het gerechtshof Amsterdam is deze tegenstrijdigheid naar voren gebracht. Men trachtte het verwijt van het vervalsen van een bedrijfsadministratie door daar ‘smeergeld-facturen met een onjuiste factuuromschrijving’ in op te nemen, te ontkrachten door te verwijzen naar artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt dat iemand niet strafbaar is als wordt gehandeld ingevolge een wettelijke verplichting. Het gerechtshof wees dit verweer echter van de hand door te stellen dat dit geen steun zou vinden in het recht.[8]

Hoewel tegen deze uitspraak cassatie is ingesteld, rest vooralsnog weinig anders dan steekpenningen als zodanig in factuuromschrijvingen te vermelden. Vaak zullen dit soort ‘dankbaarheidsbedragen’ of ‘bemiddelingsfees’ bij een controle de toets der kritiek niet doorstaan, omdat dergelijke commissies niet aftrekbaar zijn. Het risico dat de corruptie zo openbaar wordt, nog daargelaten.

Het enige alternatief om niet ook nog eens te worden vervolgd voor het vervalsen van een bedrijfsadministratie, is niet aan corruptie meewerken. Tenzij de Hoge Raad uiteraard tot de conclusie komt dat het vervalsen van een bedrijfsadministratie tóch niet in alle gevallen in strijd komt met de wettelijke fiscale bewaarplicht. Wordt vervolgd …

[1] Artikel 328ter  Sr, omkoping van een ambtenaar is strafbaar gesteld in de artikelen 117, 177a, 178a, 362 en 363 Sr.

[2] HR 24 mei 1984, NJ 1985/6

[3] Artikel 225 Sr.

[4] Artikel 52 AWR.

[5] Artikel 68 AWR.

[6] Artikel 69, lid 2 AWR.

Wanneer heeft men recht op toegang tot het eigen belastingdossier?

door Arthur Kan, advocaat-belastingkundige

Indien de inspecteur afwijkt van de aangifte, dan wel een naheffings- of navorderingsaanslag oplegt c.q. aankondigt, is het van belang om te kunnen controleren op basis van welke informatie wordt gecorrigeerd en of de inspecteur zich aan de spelregels heeft gehouden.

In het Nederlandse (fiscaal)procesrecht is het recht op inzage in het belastingdossier gekoppeld aan de hoorzitting tijdens de bezwaarfase; alleen nadat de belanghebbende een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de opgelegde aanslag en hij bovendien gebruik heeft gemaakt van het recht te worden gehoord vóórdat over het bezwaarschrift wordt beslist, heeft de belanghebbende recht op inzage in zijn belastingdossier (artikel 7:4 van de Awb). Dit geldt niet ingeval (ook) een boete in het spel is. Vanaf het moment dat een boete is aangekondigd dient de inspecteur een belanghebbende op diens verzoek inzage te verschaffen in zijn boetedossier (artikel 5:49 van de Awb). Daarnaast geldt in  aansprakelijkheidszaken een afwijkende regeling, die een recht op inzage verleent nadat de beschikking aansprakelijkstelling is opgelegd (artikel 49, lid 6 van de IW).

Hoewel de inspecteur op basis van het ‘Besluit Fiscaal Bestuursrecht’ gehouden is om de belanghebbende uit te nodigen voor een hoorgesprek, bestaat er vóór en tijdens de bezwaarfase dus geen recht op het belastingdossier ingeval een hoorzitting niet plaatsvindt (HR 7 juni 2002, nr. 36 801, LJN: AE3833). Het komt dan ook regelmatig voor dat een belanghebbende eerst in beroep bij de rechter volledig inzage verkrijgt in zijn eigen belastingdossier. Het hoeft geen betoog dat een dergelijke gang van zaken niet ten goede komt aan een zorgvuldige en efficiënte besluitvorming.

In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is echter opgenomen dat een belanghebbende recht heeft op het hem betreffende (belasting)dossier wanneer de overheid maatregelen neemt die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen (artikel 41 van het Handvest). Blijkens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU moet de reikwijdte van het Unierecht extensief worden uitgelegd; maatregelen die verband houden met het EU-recht geven in beginsel uitvoering aan het Unierecht (HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10, Akerberg Fransson). Hierbij kan worden gedacht aan een naheffingsaanslag omzetbelasting, maar ook een aanslag vennootschapsbelasting kan in voorkomend geval onder de werkingssfeer van het Handvest vallen, bijvoorbeeld indien een element van die aanslag is gebaseerd op de Europese Fusierichtlijn.

Ingeval het Unierecht in het geding is, kan het recht op toegang tot het belastingdossier derhalve eerder ontstaan dan onder het Nederlandse (fiscaal)procesrecht, dat is gekoppeld aan het hoorgesprek tijdens de bezwaarfase. Er bestaat mogelijk zelfs recht op inzage in het belastingdossier vóórdat de aanslag is opgelegd. Volgens het Hof van Justitie van de EU maken de rechten van de verdediging – die het recht om te worden gehoord vóórdat een bezwarend besluit wordt genomen en het recht op toegang tot het dossier omvatten – namelijk deel uit van de grondrechten die zijn verankerd in het Handvest. Deze rechten moeten worden geëerbiedigd, ook al voorziet het Nationale procesrecht niet in een dergelijke formaliteit, aldus het Hof.

Wat betreft de gevolgen van schending van de rechten van de verdediging heeft het Hof van Justitie van de EU recentelijk geoordeeld dat moet worden nagegaan of degene die de schending aanvoert ook daadwerkelijk de mogelijkheid is ontnomen om zich zodanig te verweren dat de administratieve procedure een andere afloop had kunnen hebben. Indien zulks het geval is, leidt dit tot nietigverklaring van het genomen besluit (HvJ EU 10 september 2013, C-383/13 PPU, MG EN NR/Nederland). Het is goed voorstelbaar dat schending van het recht op toegang tot het dossier vóórdat een bezwarend besluit wordt genomen binnen de bandbreedte van deze ‘Unierechtelijke benadelingstoets’ valt en aldus tot nietigverklaring van het genomen besluit kan leiden.

Interessant in dit verband is de vraag of (en in hoeverre) het verdedigingsbeginsel is geschonden “indien de adressaat van een voorgenomen beslissing weliswaar niet is gehoord voordat de administratie jegens hem een bezwarende maatregel nam maar in een nadien volgende bestuurlijke (bezwaar)fase, die voorafgaat aan een rechtsgang bij de nationale rechter, alsnog in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.” Over deze vraag moet het Hof van Justitie van de EU zich nog buigen naar aanleiding van  prejudiciële vragen van de Hoge Raad (HR 22 februari 2013, nr. 10/02774, LJN: BR0666). Het is te hopen dat het Hof deze vraag bevestigd beantwoordt en de ingezette benadelingstoets ook in bovengeschetste omstandigheden onverkort van toepassing acht. Het verdedigingsbeginsel, en het hiermee samenhangende recht op toegang tot het eigen dossier, dreigt anders in fiscale zaken een dode letter te verworden.

Art. 69a AWR: koren op de molen voor fraudeurs?

door Martin Lambregts

Naar aanleiding van de grootschalige  fraude met toeslagen (‘Bulgarenfraude’) die begin dit jaar aan het licht kwam, heeft het kabinet maatregelen getroffen om dergelijke en andersoortige fiscale fraude harder aan te kunnen pakken. Hoewel het wellicht verstandiger was geweest om te investeren in een verbeterd toezicht op de reeds bestaande boete- en strafbepalingen, is besloten het bestuurs- en strafrechtelijk instrumentarium verder uit te breiden. Zo wordt in het Wetsvoorstel aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (33 754) voorgesteld om het opzettelijk niet betalen van aangiftebelastingen strafbaar te stellen.

Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen zal aan de Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 69a worden toegevoegd waarin het opzettelijk niet betalen van aangiftebelastingen, zoals de loon- en omzetbelasting, strafbaar wordt gesteld. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel hoopt de wetgever hiermee onder meer carrouselfraude aan te kunnen pakken. Omdat onder opzet echter ook voorwaardelijke opzet wordt begrepen en tegelijkertijd afwezigheid van alle schuld (avas) niet snel wordt aangenomen, lopen ook goedwillende belastingplichtigen het risico onder het bereik van deze nieuwe strafbepaling te vallen. Terecht stelde Tweede Kamerlid Omtzigt (CDA) in een amendement dan ook voor om aan de strafbepaling een oogmerktoets toe te voegen zodat enkel kwaadwillende belastingplichtigen, die het oogmerk hebben de verschuldigde belasting niet te betalen, strafbaar kunnen worden gesteld.

Staatssecretaris Weekers heeft in zijn derde nota van wijziging van 13 november jl. in weerwil van de voorgestelde oogmerktoets echter een meldingsregeling voorgesteld in een (ondeugdelijke) poging de goedwillende van de kwaadwillende belastingplichtigen te kunnen onderscheiden. Volgens de voorgestelde wijziging wordt het nieuw in te voeren artikel 69a AWR uitgebreid met een derde lid waarin degene die de ontvanger tijdig heeft verzocht om uitstel van betaling of onverwijld zijn betalingsonmacht heeft gemeld, van strafbaarheid wordt uitgesloten. De beoogde meldingsregeling toont grote gelijkenis met de meldingsregeling  behorende bij de bestuurdersaansprakelijkheidsregeling van artikel 36 Invorderingswet 1990. Op grond van die bepaling worden bestuurders die niet tijdig hun betalingsonmacht melden vermoed kennelijk onbehoorlijk te hebben bestuurd met hoofdelijke aansprakelijkheid als gevolg.

De ratio achter de meldingsregeling in de Invorderingswet en de meldingsregeling zoals die nu door de staatssecretaris wordt voorgesteld, is dat een kwaadwillende belastingplichtige niet in staat zou zijn tijdig te melden. Gedacht werd dat malafide bestuurders bij gebrek aan een behoorlijke bedrijfsadministratie niet in staat zouden zijn tijdig te melden.  Die gedachte is echter naïef gebleken; kwaadwillende bestuurders zorgen er vaak voor dat zij op tijd hun betalingsonmacht melden en ontlopen daardoor bestuurdersaansprakelijkheid. Hetzelfde risico dreigt voor de strafbaarstelling van art. 69a AWR als de voorgestelde wijziging van de staatssecretaris wordt aangenomen: belastingplichtigen te goeder trouw die (niet) tijdig hun betalingsonmacht melden of om uitstel van betaling verzoeken, lopen het risico strafrechtelijk aansprakelijk gesteld te worden terwijl kwaadwillenden die tijdig melden of uitstel van betaling verzoeken vrijuit gaan.

Zodoende biedt de voorgestelde wijziging geen enkele waarborg dat goedwillende belastingplichtigen niet door de strafbepaling worden getroffen, integendeel: zij vergroot die kans alleen maar. Kwaadwillenden daarentegen kunnen door simpelweg tijdig te melden strafrechtelijke aansprakelijkheid ontlopen. Want als er iets is dat de meldingsregeling in de Invorderingswet geleerd heeft dan is het wel dat daarmee geen juist onderscheid kan worden gemaakt tussen bonafide en malafide belastingplichtigen. De meldingsregeling zoals de staatssecretaris die nu voorstelt is daardoor een kolfje naar de hand van fraudeurs.

Big Brother Belastingdienst

door Martin Muller, advocaat-belastingkundige

Deze bijdrage beschrijft hoever overheidsinstanties soms willen gaan in hun honger naar informatie over burgers, maar ook hoe de rechter daar af en toe paal en perk aan stelt. 

De titel van deze blog allitereert misschien mooi, maar klinkt veel mensen toch niet lekker in de oren. Tot die bevolkingsgroep behoort in elk geval de kortgedingrechter die onlangs met zoveel woorden oordeelde dat de belastingdienst geen big brother-positie behoort te ambiëren.

Waar ging het over? SMSParking biedt aan haar klanten diensten aan voor betaald parkeren via SMS, internet, smartphone en apps. Zij beschikt daarom over grote hoeveelheden data: kentekens die aan haar cliënten kunnen worden gelinkt en plaatsen, data en tijdstippen waarop de auto’s met die kentekens hebben geparkeerd. Dit klinkt allemaal niet zo heel spannend, maar toch heeft de belastingdienst interesse in dit soort gegevens. Hij kan bijvoorbeeld aan de hand van deze data gemakkelijk toetsen of de kilometeradministraties die werknemers met een auto van de zaak bijhouden, wel juist zijn. De zakelijke rijder die volgens zijn rittenadministratie op een bepaalde plek was, maar volgens data van bijvoorbeeld een parkeerintermediair op een heel andere plek was, heeft aan de inspecteur iets uit te leggen. Daarnaast kunnen de gegevens ook voor bijvoorbeeld de omzetbelasting, motorrijtuigenbelasting en de BPM relevant zijn.

Hoewel de desbetreffende bepaling al in de wet stond toen parkeren overal waarschijnlijk nog gratis was en ‘mobiel parkeren’ in elk geval nog onvoorstelbaar was, biedt de wet wel een grondslag voor de belastingdienst om van derden gegevens zoals hier aan de orde te vorderen. De wet voorziet er namelijk in dat (huiselijk gezegd) iedere ondernemer verplicht is desgevraagd gegevens aan de belastingdienst te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van een ander (artikel 53 AWR). We spreken dan van een derdenonderzoek.

Dat parkeergegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing, valt moeilijk te betwisten. Toch voelt het niet goed dat de belastingdienst een enorme hoeveelheid data zou mogen vorderen waarmee hij kan controleren wie, waar en wanneer was, en dan ook nog zonder zijn vordering toe te spitsen op bepaalde personen. De belastingdienst vorderde bijvoorbeeld de data van alle klanten van SMSParking, dus ook degenen bij wie fiscale consequenties absoluut geen enkele rol kunnen spelen.

Deze omstandigheid bracht de kortgedingrechter ertoe de bescherming van de privacy zoals die is vastgelegd in artikel 8 EVRM zwaarder te laten wegen dan het belang van de belastingdienst. Hij overwoog uitdrukkelijk dat het uitgangspunt niet is dat iemand die niets te verbergen heeft ook niets te vrezen heeft, maar dat het dagelijkse doen en laten van de burgers de overheid niets aan gaat. Dat is volkomen juist, maar de rechter had ook zonder het belang van de privacybescherming in te roepen tot hetzelfde eindoordeel kunnen komen. Een vergaande, algemeen geformuleerde bevoegdheid als die waarop de belastingdienst zich beriep, wordt van nature namelijk sterk gereguleerd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die verhouden zich slecht met fishing expeditions zoals hier aan de orde. Zij staan er naar mijn idee ook aan in de weg dat de belastingdienst bij een grote aanbieder van mobiel parkeren informatie opvraagt over al haar afnemers. Zoiets kan namelijk veel klanten kosten. Je kunt zeggen dat SMSParking pech heeft als haar klanten uit angst voor de fiscus voortaan weer gewone kaartjes gaan kopen, maar zij kan er ook niets aan doen dat belastingplichtigen om welke reden dan ook creatief hun ritten administreren, of daar domweg fouten bij maken.

Toen ik het vonnis van de kortgedingrechter las moest ik onwillekeurig denken aan een dappere dierenarts uit Rotterdam, die werd geconfronteerd met een derdenonderzoek naar zijn klanten en het lef had die fiscale nieuwsgierigheid te trotseren. Om de juiste heffing van hondenbelasting te controleren had de gemeentelijke belastingdienst aan de dierenartsen in en rondom de stad verzocht aan te geven wie van hun klanten een hond had. Op die manier hoopte men op het spoor te komen van hondenbezitters die geen hondenbelasting betaalden. De dierenarts had hier ethische bezwaren tegen. Hij vreesde dat hondenbelasting-ontduikende hondenbezitters medische zorg aan hun hond zouden ontzeggen uit angst voor dierenartsen die gedwongen werden te klikken. De controleurs vonden dit het probleem van de hondenbezitters (en de honden) en de rechtbank ging hierin mee. Pas in hoger beroep wist de dierenarts te winnen, maar alleen door een onderbelicht gebleven detail uit het formele belastingrecht aan te voeren. Waar het om gaat is dat ook hier bij de belastingambtenaren het besef ontbrak dat men niet alles zou moeten willen weten, kortom dat er redelijke grenzen moeten zijn.

Over het voorval met de hondenbelasting werd de Staatssecretaris van Financiën aan de tand gevoeld. Deze onttrok zich aan de kwestie door erop te wijzen dat de hondenbelasting op gemeentelijk niveau wordt geheven, zodat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk was, waarop deze laatste het erop hield dat de gemeenteraad maar moet afwegen of de fiscale belangen van een derdenonderzoek opwegen tegen de nadelen voor degene waarvan gegevens worden gevorderd.

Ter zake van de parkeergegevens die werden gevorderd is de belastingdienst wel zelf bevoegd, en is dus de Staatssecretaris verantwoordelijk. Ik ben benieuwd of hij een deugdelijke afweging heeft gemaakt, en ben met name benieuwd of naar aanleiding van het vonnis een debat op gang komt over – om met de woorden van de kortgedingrechter te spreken – de balans tussen hetgeen technisch mogelijk is en hetgeen aanvaardbaar is.

Bent u een ondernemer van wie medewerking aan een derdenonderzoek wordt verwacht? Misschien bent u daar helemaal niet toe verplicht. Of wordt u als belastingplichtige aangeslagen op grond van informatie die uit een derdenonderzoek afkomstig is? Als die informatie onrechtmatig is verkregen, kan dat ingrijpende consequenties hebben. In al die gevallen kunnen de advocaten-belastingkundigen van Jaeger u helpen. 

Wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst

Staatssecretaris Weekers van Financiën heeft op 2 september 2013 het wetsvoorstel “Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst” naar de Tweede Kamer gestuurd. Weekers wil hiermee enerzijds een grondslag geven aan het elektronisch berichtenverkeer van en met de Belastingdienst en anderzijds een nieuw heffingssysteem voor aanslagbelastingen invoeren. Dit nieuwe heffingssysteem gaat (vooralsnog) enkel gelden voor de inkomstenbelasting en erf- en schenkbelasting. Hoewel er vanuit diverse kanten veel kritiek is geuit op het wetsvoorstel (zowel vanuit de Belastingdienst zelf als vanuit de belastingadvieswereld), zal het voorstel – gezien het beperkt aantal vragen en de opmerkingen die door de vaste (kamer)commissie voor Financiën bij het wetvoorstel zijn geplaatst[2].- hoogstwaarschijnlijk ongeschonden door de kamer worden geloodst. Nu de geuite kritiek met name betrekking lijkt te hebben op het nieuwe heffingssysteem, volgt hieronder een overzicht van de vijf belangrijkste wijzigingsvoorstellen:
  1. De inspecteur streeft ernaar om binnen 3 maanden na de ontvangst van de aangifte de definitieve aanslag op te leggen. Indien de aanslag niet binnen 3 maanden kan worden opgelegd, ontvangt de belastingplichtige een bericht. Deze belastingplichtige ontvangt de aanslag uiterlijk 15 maanden na ontvangst van de aangifte door de inspecteur. Of deze verkorting van de aanslagtermijn ook betekent dat een belastingplichtige sneller (rechts)zekerheid verkrijgt, hangt af van de mate waarin vervolgens navordering mogelijk is (zie onder 4).
  2. Belastingplichtigen krijgen gedurende 18 maanden na indiening van de aangifte de mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen terzake van de definitieve aanslag. Pas wanneer het herzieningsverzoek (geheel of deels) wordt afgewezen, staat de mogelijkheid van bezwaar (en vervolgens beroep) open tegen de definitieve aanslag.
  3. Na verloop van de hiervoor genoemde herzieningstermijn wordt ambtshalve vermindering van een definitieve aanslag alleen nog verleend als sprake is van feiten en omstandigheden die de belastingplichtige na afloop van de herzieningstermijn bekend zijn geworden en hem redelijkerwijs niet eerder bekend hadden kunnen zijn.
  4. Voor navordering blijft een nieuw feit vereist. Daarnaast is navordering ook zonder nieuw feit mogelijk in de gevallen waarin een belastingplichtige ‘wist of behoorde te weten’ dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven. Hoe ruimer het criterium ‘wist of behoorde te weten’ in de praktijk zal worden uitgelegd, des te meer het ‘nieuwfeitvereiste’ aan betekenis zal inboeten. Uit de in de Memorie van Toelichting aangehaalde voorbeelden, blijkt dat het kabinet al vrij snel meent dat een belastingplichtige had moeten weten dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven.
  5. Net als de aanslagtermijn, wordt ook de navorderingstermijn behoorlijk beperkt, van (thans) 5 jaar na afloop van het belastingtijdvak tot 3 jaar na ontvangst van de aangifte. Dat geldt alleen voor belastingplichtigen die te goeder trouw zijn. Bij kwaadwillende belastingplichtigen wordt de navorderingstermijn verlengd tot 12 jaar na ontvangst van de aangifte.

Het kabinet streeft er naar om het nieuwe heffingssysteem in werking te laten treden voor aanslagen en voorlopige aanslagen met betrekking tot tijdvakken die aanvangen op of met ingang van 1 januari 2016 en tijdstippen die zijn gelegen op of na 1 januari 2016. Voor navorderingsaanslagen treedt het nieuwe heffingssysteem direct in werking. Dit betekent dat goedwillende belastingplichtigen direct profiteren van de bekorting van de navorderingstermijn en dat kwaadwillende belastingplichtigen direct geconfronteerd worden met de verlenging van de navorderingstermijn. Zie voor een meer uitgebreide beschouwing op het onderdeel navordering het artikel “De nieuwe regels voor navordering” van mr. I.R.J. Thijssen en mr. A.A. Kan, 20 september 2013 (NTFR 2013/22).

Een boekenonderzoek … wat zijn mijn rechten en plichten?

door Megan van der Linde

Een boekenonderzoek is een controle van uw aangiften en administratie. Het kan gaan om een onderzoek over een periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw aangiften en administratie.

In het kader van een boekenonderzoek bent u als ondernemer verplicht mee te werken aan de controle en moet u de gevraagde relevante gegevens verstrekken aan de belastingdienst. Als u echter vindt dat de gevraagde gegevens niet relevant zijn voor de belastingheffing, kunt u weigeren deze af te geven. De belastingdienst kan dan een informatiebeschikking afgeven voor de gevraagde gegevens. Tegen deze informatiebeschikking kunt u – na bezwaar – in beroep bij de rechter. Wanneer de rechter oordeelt dat de gegevens inderdaad relevant zijn voor het boekenonderzoek, krijgt u een bepaalde periode de tijd om de gegevens alsnog te verstrekken. Wanneer u dan nog steeds weigert de gegevens te verstrekken, resulteert dit in een omkering van de bewijslast.

Het boekenonderzoek resulteert veelal in een controlerapport. Dit controlerapport bevat de bevindingen van de belastingdienst. Wanneer u bijvoorbeeld geweigerd hebt gegevens te verstrekken of wanneer de administratie niet in orde was, zullen hier tevens schattingen en aannames in worden verwerkt welke zullen leiden tot (te) hoge aanslagen.

Ons kantoor heeft zich gespecialiseerd in de juridische bijstand tijdens én na een boekenonderzoek. Wij hebben tevens een ruimte ervaring in het procederen tegen een afgegeven informatiebeschikking. Bent u het niet eens met het controlerapport van de belastingdienst? Ook dan kunt u contact met ons opnemen.